Zomerlezen: De mannenleeslijst (2)

Gestommel op de trap

‘Aardige jongens zijn niet doortastend, geen doeners, dat maakt ze sympathiek, zonder dreiging. Daarom is het zo gemakkelijk identificeren met de titaantjes.’

Ze wisten zelf dat het niet voor altijd was, maar toch zijn ze vereeuwigd, in het Amsterdamse Oosterpark, in brons: de titaantjes. Drie jongens hangen op een bankje. Twee dragen een hoed. De jongen zonder hoed heeft een dunne wandelstok, die hij op de grond laat rusten, gespannen, alsof hij elk moment met de punt van de stok een ritme kan gaan tikken. Op de betonnen sokkel staat: ‘Jongens waren we – maar aardige jongens’, de eerste zin van Nescio’s klassieke verhaal. Tegen het einde van de vorige eeuw schreef iemand met een spuitbus op de sokkel: ‘Wij willen wéér aardige jongens’ – alsof ze inmiddels op waren, en wie weet, aardige jongens blijven niet lang goed. Ze verdwijnen in het dal der plichten, om op kantoren te verpieteren of in gestichten te worden verpleegd.

Het is een vreemde openingszin, vreemder nog dan die andere beroemde eerste zin van Nescio, over de man die zo dol was op de Sarphatistraat. Gaat er zoveel dreiging uit van de term ‘jongens’ dat meteen moet worden toegevoegd dat ze áárdig waren? En wat is dat, aardig, en hoe aardig zijn ze?

Er zitten er drie op dat bronzen bankje, maar in het verhaal zijn ze met z’n vijven: Hoyer, Kees Ploeger, Bavink (‘die mal geworden is’), Bekker en Koekebakker, het alter ego van Nescio, die het verhaal vertelt. Drie werken op kantoor, twee schilderen, alle vijf weten ze niet precies wat ze willen. Ze koesteren krachteloze dromen van verandering. ‘Bekker had een vaag besef dat-i alle kantoren wilde afbreken.’ Zo hangen ze tegen de hekken van het Oosterpark, als een Fight Club van twijfelende, geweldloze godzoekertjes die fantaseren over een betere wereld zonder bazen en plichten en kantoorgebouwen; zo lopen ze op zondagen, de enige dag dat ze alle vijf vrij zijn, door de landelijke omgeving van Amsterdam om in de natuur hun godservaringen op te doen, uiteindelijk meer slenterclub dan vechtclub.

Wat bij herlezing meteen opvalt: hoe jong ze zijn. Negentien, twintig, adolescenten nog, geen mannen. Ze wonen waarschijnlijk nog gewoon thuis; de zolder van Kees, waar ze bij elkaar komen, lijkt de zolder van zijn ouderlijk huis te zijn: ‘De buren vonden ’t niks leuk iederen avond dat geloop op de trap. Kees z’n vader begreep er niks van.’ Het zijn net geen schooljongens meer, ze moeten serieus aan de slag maar kunnen het moment waarop ze zich volop aan de maatschappij moeten uitleveren nog even uitstellen, ze hebben voor zichzelf een capsule vol eeuwigheid geschapen waarin ze zich verschansen. Maar de tijd tikt door, het verhaal maakt een sprong: wanneer Koekebakker na een zesjarig verblijf in het buitenland zijn vrienden van vroeger opzoekt, zijn ze mannen, geen adolescenten meer. Toch nog erg jong, net geen dertig. Ingekapseld, getemd, behalve Bavink, die in een gesticht zit.

Dat is het tweede dat opvalt: hoe jong Nescio was toen hij dit verslag schreef van een ontgoocheling die ook zíjn ontgoocheling was. Het verhaal werd in 1915 gepubliceerd in het tijdschrift Groot-Nederland, maar hij was er al aan begonnen in 1911, zelf ook nog net geen dertig. Je hebt de indruk dat een ouwelijke man op zijn leven terugkijkt, en dat is ook zo, alleen is die ouwelijke man geen zestig, maar in de bloei van zijn leven. Het is onvoorstelbaar, want nu doen we veel langer over onze adolescentie, zeventig is het nieuwe veertig, op je dertigste word je voorzichtig uit de bakfiets van je moeder getild.

Wij hebben meer tijd, voor de titaantjes is de eeuwigheid snel voorbij. Ze hebben geen middelen om hun adolescentie te verlengen, geen studiebeurzen of uitkeringen. Ze studeren niet, ze zijn zonen uit de burgerij die de hogere burgerschool hebben doorlopen en daarna geacht worden het voorbeeld van hun vader te volgen en een betrekking te zoeken.

Ze hebben voor zichzelf een capsule vol eeuwigheid geschapen waarin ze zich verschansen

Wie hebben ze als voorbeelden in hun tijdelijke tijdloosheid? Ze lezen Zola en Dante, Prediker en Hooglied, en waarderen schilders als Jacob Maris. De mannen uit hun directe omgeving zijn de vaders, die niks van hen begrijpen, en hun bazen, die ze verachten. Ze staan ver boven ze, vooral op hun vrije zondagen.

Er is nog een rolmodel dat ze afwijzen, wanneer ze besluiten naar Walden te lopen, de idealistische commune die schrijver Frederik van Eeden bij Bussum was begonnen. Na een wandeling van vier uur komen ze in de buurt, en dan loopt daar een heer ‘in een boerenkiel, met dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds, in innige aanraking met de natuur, zooals dat toen genoemd werd, en z’n baard vol kruimels’. Meteen keren ze terug naar Amsterdam – maar geven ze hier niet erg snel op, grijpen ze de snoepende heer niet al te graag aan om zich te laten afschrikken? Aardige jongens zijn niet doortastend, geen doeners, dat maakt ze sympathiek, zonder dreiging. Daarom is het zo gemakkelijk identificeren met de titaantjes. Ze weten zelf ook wel dat hun ontsnappingspogingen niet serieus zijn, dat ze liever het tijdelijke van hun tijdloze capsule ontkennen dan dat ze zich erdoor tot actie laten verleiden.

Vrouwen zijn nog gevaarlijker dan mannen. Vaders en bazen zitten in hun eigen wereld, vooralsnog ver weg, vrouwen infiltreren in de capsule. De titaantjes waren allemaal verliefd, meldt Koekebakker. Bavink vrijt met Lien, soms komt ze mee naar Kees’ zolder, dan zet ze thee. ‘Eén keer heeft ze den grond geboend en alles afgestoft; maar dat was heel ongezellig.’ Bovendien verdenkt Bavink haar ervan dat ze flirt met Koekebakker. Kortom, vrouwen gaan meteen praktische dingen doen, als vooruitwijzing naar later, en zaaien tweedracht in de groep. Bekker heeft het beter bekeken: die houdt van een schoolmeisje van zeventien en loopt maandenlang de Sarphatistraat af om vanaf de overkant naar haar te kijken wanneer ze naar school loopt. Hij neemt er zelfs een middag vrij voor. Het is een volstrekt eenzijdige liefde. ‘Ik geloof niet dat zij ooit geweten heeft dat Bekker bestond.’ Later zal Koekebakker zich bij een van zijn overpeinzingen de velden van God voorstellen, vol bloemen die niet doodgaan, ‘en statige vrouwen wandelen er naakt, vele duizenden’. Vrouwen moeten in de verbeelding blijven; concrete liefde zorgt ervoor dat de tijd gaat lopen – en dat is het laatste wat de titaantjes in hun kleine eeuwigheid moet overkomen.

God is de enige autoriteit die ze aanvaarden. Hij is alomtegenwoordig, hij is de natuur, de wisseling en eeuwige terugkeer van de seizoenen. Ze vereenzelvigen zich met Hem, soms zijn ze Hem, uiteindelijk is God hun schepping, als de autoriteit die ze nodig hebben als tegenwicht van de andere, echt bestaande autoriteiten die om hun onderwerping vragen. God is ook de zon die Bavink gek maakt – Bavink is het offer dat de groep aan hun God brengt, om zich met Hem te verzoenen, om hun korte eeuwigheid van ernst te voorzien. Bavink heeft nooit begrepen dat het een spel was.

Aan het eind van het verhaal krijgt God het laatste woord, Hij ziet alweer nieuwe titaantjes opklimmen om hem van Zijn troon te stoten. Hij blijkt aan de kant van de bazen te staan omdat Hij niet almachtig is, maar Hij denkt: ‘Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan die mooie wijze heeren.’ Nu weten we wat ‘aardige jongens’ zijn: jongens in wie God aardigheid heeft.

Dat is het verbond dat ze met hun zelfontworpen God hebben gesmeed: we zullen ons uiteindelijk aan Uw wereld onderwerpen maar geef ons een periode waarin we aardig mogen zijn. Ze hebben hun plan zo ontworpen dat hun verlies al van tevoren vaststond, als geruststelling voor alle partijen. Het is een rite de passage die uiteindelijk ook door de vaders en bazen wordt gedoogd. De aardige jongens wisten dat ze niet lang goed zouden blijven, ze hebben zich vrijwillig door hun God van een houdbaarheidsdatum laten voorzien. Ze hebben het allemaal zelf geregisseerd, inclusief de ontgoocheling. De snoepjes etende heer bij Bussum is in hun regie de duivel. Ook hij vroeg om een keuze en was daarom net zo bedreigend als de vaders en de bazen en de vrouwen, bedreigender zelfs, omdat zijn keuze voor een alternatief communaal bestaan dicht bij de idealen van de titaantjes kwam; maar hij maakt een te suffe indruk, ook hij is uiteindelijk niet bedreigend, dit is een verhaal voor alle leeftijden, al te ingrijpende schokeffecten moeten voorkomen worden.

De anonymus die het Oosterpark-monumentje voorzag van de tekst ‘Wij willen wéér aardige jongens’ kan dus gerust zijn, er klimmen steeds weer andere aardige jongens die hun eigen tijdelijke eeuwigheid hebben geschapen omhoog naar Gods troon, om vervolgens, wanneer ze eenmaal met niet al te harde hand terug op aarde geworpen zijn, onder begeleiding van tikkende klokken zich gehaast naar hun uiteindelijke bestemmingen te begeven. Net als hun eeuwigheid was hun aardigheid tijdelijk, en vooral naar binnen gericht, de omgeving heeft er weinig aan gehad, weinig van gemerkt ook, alleen wat gestommel op de trap.