Christiaan Weijts, Art. 285b

Get a life

Christiaan Weijts
Art. 285b
De Arbeiderspers, 321 blz., e18,95

Jongen ontmoet meisje uit ander milieu. Christiaan Weijts pikte dit klassieke thema op en maakte er een merkwaardige toestand van waar ik regelmatig verbaasd tegenaan zat te kijken. De eerste zin is een gotspe: «Laat je niks wijsmaken, het begint allemaal heel onschuldig.»

Toen ik het boek uit had en nog eens naar het begin terugbladerde besefte ik dat juist dit boek ons van alles wijs probeert te maken over een geval van stalking en dat het begin zeker niet onschuldig is. Man, van beroep klassiek pianist, gaat naar een peepshow en valt voor een van de meisjes. Is dit een onschuldig begin? Veel banaler kan het natuurlijk niet, maar de vraag is of Weijts van dit gegeven iets moois of schrijnends wist te bakken. «Haar stem was even onschuldig als haar verschijning. Eigenlijk onderscheidde ze zich in niets van het gemiddelde blonde meisje dat je in een willekeurige provinciestad met een hockeystick, tennisracket of vioolkoffertje door de stad zag fietsen, en juist dat maakte haar zo tergend aantrekkelijk, ongeveer zoals meisjes die in pornofilms onverwacht Nederlands blijken te spreken.»

Hier spreekt dus een held die mensen (meisjes) «eigenlijk» als gemiddelde verschijningen ziet, je hebt hockeymeisjes en winkelmeisjes, je hebt huisvrouwen en andere vrouwen. Hij zoekt het in algemeenheden.

Deze held is ook verderop bijzonder sterk in het maken van eenvoudige en overzichtelijke indelingen die vooral een kijkje geven in zijn eigen laatdunkende opvattingen over anderen. Mensen die hun geld verdienen «door dagelijks stipt om negen uur een gebouw van staal en glas binnen te stappen» beschouwt hij als «volslagen krankzinnigen die je uit medelijden, piëteit en zelfbescherming probeerde te ontzien». Oudere dames waaraan de held pianoles geeft, doen dat als hobby «als hun mannen geld aan het verdienen waren». Door het hele boek laat Weijts zijn antiheld op deze wegwerpende toon oreren over vrouwen, over liefde, over seks, over mensen. Allerlei mannelijke borreltafelwijsheden neemt hij volstrekt serieus en dat leidt dan tot de merkwaardigste waarnemingen die hij in alle ernst uitserveert: «Je kunt de seksuele ervarenheid van het gezicht van een meisje aflezen. Rosetta had lustgevoelens, maar wist er nog niet goed mee om te gaan.»

Ook meent hij dat vrouwen ja bedoelen wanneer ze nee zeggen. Te pas en te onpas zet hij ons denigrerende meningen over anderen voor. Wanneer hij bijvoorbeeld voor de eerste keer door een politieagente wordt verhoord, weet hij meteen wat voor vlees hij in de kuip heeft. «Haar met charmes bespelen kwam al helemaal niet in aanmerking. Wanneer zou ze voor het laatst stevig geneukt (het cursief is van de schrijver – kth) hebben, deze ijzige, ongelukkige vrouw van eind dertig?»

Weijts laat er geen enkele twijfel over bestaan dat Sebastiaan in alle opzichten een eikel eersteklas is, een ijzige figuur die er vooral naar streeft «soeverein» te zijn. «Hij staarde uit het raam. Meeuwen vlogen voorbij in soevereine onverschilligheid.» Uiteraard ziet de held in die meeuwen zijn eigen gevoelens geprojecteerd, een bekende en veelbeproefde schrijverstruc. Verderop staat het zo: «Waarom lukte het hem niet om met vrouwen om te gaan zoals ze verwachtten dat je met hen omging, met soevereine minachting.» Soevereiniteit, onverschilligheid en minachting, dit zijn de sleutelwoorden van deze roman. Weijts benadrukt deze uitgangspunten nog in zijn regelmatig verbazingwekkend plechtige stijl. Een voorbeeld: «Zonder minimale consumptie waren gesprekken nu eenmaal onmogelijk en Jef had me geen automaatkoffie aangeboden, noch enige andere drank of spijs.»

Overigens probeert Weijts wel enig tegenwicht te bieden. Zijn held is klassiek pianist en vat een sterke fascinatie op voor het werk van Scarlatti, steeds probeert hij die fascinatie te verbinden met pogingen een reële verhouding met zijn peepshowvriendin van de grond te krijgen. Alles tevergeefs, die vriendin leeft zich uit in perverse seks en is niet in staat tot enig «normaal» relatiegedrag. Het merkwaardige is dat hij ook op deze vrouw neerkijkt, zoals op iedereen, maar toch geen afscheid kan nemen. Dat levert wel een paar schrijnende scènes op, maar erg lang bleven ze bij mij niet hangen, omdat de held zijn eigen rationalisaties zo verpletterend serieus neemt. Hij zwelgt in grootspraak en zelfmedelijden. Get a life, dacht ik regelmatig bij deze neerbuigende en megalomane pianist, die alles beter weet en iedereen doorheeft. Hij ziet zelfmedelijden als een filosofische verdienste en beschouwt zichzelf tot mijn stomme verbazing ook nog als een romanticus pur sang, die «slettenmeisjes» wil redden. «En dit verklaarde de aantrekkingskracht die ze hadden op de romanticus die hij was.» De romanticus die hij was? Hier heb ik echt om geschaterd. Weijts heeft het allemaal natuurlijk zo bedoeld, hij wilde geen fijne, rondborstige, bescheiden man creëren, maar een koele en denigrerende figuur. Een held van onze tijd zal ik maar zeggen.

Dit is een veelbelovende eerste roman, dat moet gezegd, vol wijsneuzerige statements over pornografie, de liefde en de mens, die overigens niet erg lang bij mij bleven hangen. Alles is opgelegd ernstig, cynisch en zwartgallig. Is dit de Nederlandse Houellebecq? Of een nieuwe Grunberg? Nog lang niet, daarvoor is er in de held te veel ijdelheid en te weinig wanhoop voelbaar.