Get them, Bill!

In Riding toward Everywhere (2008) beschrijft William T. Vollmann enkele illegale treinreizen die hij door Amerika ondernam. De titel is veelzeggend, het maakt hem niet uit waar de reis naartoe gaat, als hij maar op weg is.

Medium vollmann   kissingmask hc c

‘When I ride the rails, I don’t wish to go just anywhere; I demand to go Everywhere. I insist on being myself more than would please the neighbours.’ Zijn literair programma in een notendop: en de buren een lol doen, ja, dat is toch echt het minste. In dat boekje, het is verrassend dun voor Vollmanns doen, fungeren 'The Cold Mountains’ als een mythisch Amerikaans landschap waarheen de reizigers altijd op weg zijn. Romantiek dus in optima forma: 'I repeat: My Cold Mountain hides itself somewhere in America.’
Ook in Kissing the Mask onderneemt Vollmann een reis naar ongeveer alles, zie bijvoorbeeld de bizarre ondertitel van zijn boek die pontificaal op het omslag is afgedrukt: 'Beauty, Understatement and Femininity in Japanese Noh Theater. With Some Thoughts on Muses (Especially Helga Testorf), Transgender Women, Kabuki Goddessess, Porn Queens, Poets, Housewives, Makeup Artists, Geishas, Valkyries and Venus Figurines’. Zijn boek, het is een essay, geen fictie, is een weerslag van zijn reizen naar Japan, waar hij zich vooral onderdompelde in de wereld van het Noh-theater en de geisha’s. En weer is hij op zoek naar de Cold Mountains, deze keer zijn ze vermomd in de gedaante van 'vrouwelijke schoonheid’ en 'gratie’. 'What is a woman’ en 'what is grace’, dit zijn de vragen die als een mantra door het boek spoken. Wat is het geheim van vrouwelijke schoonheid en van bevalligheid? Hij had uiteraard allerlei vrouwen kunnen vragen naar de manieren waarop ze hun 'schoonheid’ en 'bevalligheid’ voelen en demonstreren en hoe ze daarin zijn opgevoed. Hij had ze dan ondervraagd over hun biologische en maatschappelijke geconditioneerdheid, voorzover die bestaan, en een nette studie geschreven waarin hij de antwoorden analyseerde en uiteindelijk terugbracht tot de een of andere kern. Een Koude Berg, zal ik maar zeggen, datgene wat alles verbindt, het onzichtbare en ware van de Schoonheid, waar we steeds ver van zijn verwijderd.
Vollmanns boek zit niet ver van dergelijk onderzoek, hij ondervraagt, hij onderzoekt en hij heeft het bijvoorbeeld over de mist die het landschap van de vrouwelijke schoonheid en bevalligheid systematisch aan het oog onttrekt. Hij werkt dus binnen een platonische traditie maar het eigenaardige is dat hij daar tegelijkertijd krachtig afstand van neemt. Zitten die zogenaamde schoonheid en bevalligheid niet gewoon in de manier waarop wij mannen geconditioneerd zijn vrouwen waar te nemen? Moeten we niet vooral kijken naar de dagelijkse platvloerse praktijken van de schoonheid? Dit soort vragen gaat hij niet uit de weg.
William Vollmann slaat originele wegen in. Hij legt zijn vragen niet aan vrouwen voor, juist niet, maar aan mannen die vrouwen spelen. En aan geisha’s waarbij het allemaal neerkomt op extreme gestileerdheid. In het klassieke Noh-theater worden vrouwen door mannen gespeeld en Vollmann ondervraagt mannelijke acteurs naar hun gevoelens tijdens en voor de voorstellingen. Wanneer voelen ze zich vrouw? En hoe gaat dat dan in zijn werk? Spelen ze alleen een rol of vormt zich daadwerkelijk iets vrouwelijks in hun gedrag en uitstraling?
Hij geeft mooie impressies van zijn gevoelens wanneer hij zo'n acteur op het kale podium van het Noh-theater een vrouw ziet uitbeelden en tragische liederen hoort zingen. Deze beschrijvingen vormen de hoogtepunten van dit hybride boek. Vollmann laat zich hier weer zien als een hoogst sentimentele schrijver die zijn eigen gevoelens (en dwarsigheid) bepaald niet onder stoelen of banken steekt. Hij gedraagt zich bovendien stelselmatig als de jonge en nieuwsgierige onderzoeker die zich niet met een kluitje in het riet laat sturen.
Wel schrijft hij iets te vaak dat hij als bijzonder lelijke Amerikaan weinig tot niets begrijpt van het Japanse theater en de samenleving. Dat geeft zijn beschouwingen iets kokets: 'And so once again I feel myself to be, as I often do when I try to comprehend the nuances of Noh, an ape in a cage.’ En wanneer hij zich als vrouw laat schminken, wat op zich een mooie scène oplevert, staat er: 'In Yukiko’s studio, an ape in a wig stares back at me with sad blue eyes.’
Geen zee gaat hem dus te hoog, dit alles met de typische ongegeneerde Vollmann-inzet en het daarbij horende enthousiasme. Vooral het verband dat men in de Noh- en geishacultuur legt tussen schoonheid en verval trekt hem sterk aan. Dat stuwt zijn gevraag en gewroet. Hij legt Noh-acteurs het vuur na aan de schenen, hij introduceert ons in een overstelpende hoeveelheid literatuur over deze uitermate droefgeestige en gestileerde theatervorm. Trekt interessante vergelijkingen met Noorse saga’s, vergelijkt het uiterlijk van een geisha met een moderne Japanse prostituee. Hij geeft handenvol geld uit aan geisha’s, gaat op bezoek bij transseksuelen en toont zoals gewoonlijk een enorme eruditie. En dat alles verteld in een hoogst persoonlijke verteltrant die het zoekt in die voor hem typische afwisseling van stijlen. Van journalistiek naar een hoge literaire stijl, soms op een bladzijde dwars door elkaar. Zo kennen we hem en zo willen we hem graag houden. Get them, Bill!
Juist de verbinding met het persoonlijke maakt Vollmanns boek de moeite waard, ik haakte bij de oeverloze uiteenzettingen over de Noh-traditie en de geishacultuur regelmatig af, al begrijp ik dat ze nodig waren. Zijn boek is als je het goed bekijkt een opsomming van honderden vragen zonder antwoorden, zoals dat hoort in de romantische traditie. Soms meer dan tien vragen op een bladzijde. 'What does a geisha dancer bring to my gaze? What does my perception add? What, indeed, constitutes understatement in a woman I desire?’ Goeie vragen, dat wel, maar omdat ik toch ook Droogstoppel ben: wat moet ik er precies mee? Zo mag je natuurlijk niet denken en ik verbied het mezelf, maar toch.
Ik kreeg al lezende het gelukkige idee dat Vollmann de antwoorden helemaal niet wil weten, uit angst te worden opgeslorpt in een soort blind en tot niets leidend platonisme. Hij wil geen platonist zijn en tegelijkertijd is hij het, daar helpt geen lieve moedertje aan. En juist deze paradox drijft hem voort en voort. Hij houdt van zijn gesprekspartners en neemt ze terecht serieus, maar af en toe wantrouwt hij met volle kracht het esoterische geklets dat ze op hem uitproberen. Hij haalt het platvloerse met kracht boven tafel. Een geisha bekent hem dat ze er goed in slaagt er bedroefd uit te zien wanneer ze met de rug naar de toeschouwer staat omdat ze op dat moment haar vagina strak trekt. 'The trick is to make the vagina tight.’ Laat dat een les voor ons zijn.

WILLIAM T. VOLLMANN
KISSING THE MASK
Harper Collins, 391 blz., $ 29.99