Meisjes kiezen voor bèta-onderwijs

‘Getallen die niet bestaan. Grappig toch?’

Op middelbare scholen en universiteiten is een stille revolutie gaande. Meisjes kiezen massaal voor exacte vakken. En ze zijn vaak nog beter ook. Grote vraag: zijn de meisjes veranderd of de vakken?

Medium hh 55175007

‘Zijn jullie er klaar voor?’ In het natuurkundelokaal van het Utrechtse St. Bonifatiuscollege geeft natuurkundedocent Kees Hooyman het startsein voor een robotwedstrijd. Havo 4-leerlingen Bowie, Veronica en Machteld hebben drie weken hard gewerkt om hun legorobot zo te programmeren dat hij de juiste route loopt over het wedstrijdparcours. De robot moet een deur openmaken, twee ringen van een standaard wippen, een balletje ophalen en dat op het juiste moment in de goal schieten. ‘Ik ga hier niet naar kijken’, zegt Bowie. Ze loopt naar de verste hoek van het lokaal. ‘Veel te spannend.’ ‘Tering, Bowie!’ roept Veronica. ‘Hij schiet het balletje net naast het doel!’ ‘Balen dat ons favoriete onderdeel is mislukt’, zegt Machteld. ‘Maar meiden, jullie hebben wel dertig punten gehaald’, prijst Hooyman. ‘Helemaal niet slecht.’

Geen van de drie haalde in de derde klas, toen ze hun profielkeuze moesten maken, achten en negens voor exacte vakken. Toch vinden ze het de normaalste zaak van de wereld dat ze voor een bètaprofiel hebben gekozen. Machteld wil bouwkunde studeren. ‘Ik vind bètavakken leuk en ben creatief. Een mooie combinatie voor die studie.’ Bowie droomt van een baan als vliegtuigtechnicus bij defensie. ‘Defensie is een interessant bedrijf. Je krijgt alle mogelijkheden om je te ontwikkelen.’ Veronica twijfelt tussen een opleiding voor forensisch onderzoek en de kunstacademie. ‘Ik heb exact gekozen omdat ik daarmee alles kan studeren wat ik wil.’

Op de havo van het St. Bonifatius kiest 35 procent van de meisjes tegenwoordig voor een bètaprofiel. Vijf jaar geleden was dat nog 22 procent. Op het vwo neemt zelfs al 55 procent van de meisjes zo’n profiel. ‘Vroeger kozen alleen meisjes die uitblonken in de exacte vakken daarvoor’, vertelt Hooyman. ‘Maar ook bij meisjes is tegenwoordig de houding: als je het kunt, waarom zou je het dan niet doen?’

De opmars van meisjes in bètavakken is niet uniek voor het St. Bonifatiuscollege. Afgelopen jaren is het aantal meisjes dat kiest voor een N-profiel op havo en vwo enorm gestegen, blijkt uit cijfers van het Platform Bètatechniek. In het schooljaar 2014-2015 koos 38 procent van de havo-meisjes en 58 procent van de vwo-meisjes een exact profiel: twee keer zo veel als in 2000. Op het vwo speelt de grote populariteit van de studie geneeskunde een belangrijke rol. Maar meisjes vinden bètavakken ook gewoon leuk, blijkt uit recent onderzoek van Qompas, een platform voor studie- en carrièrekeuze. En dat is ook terug te zien in hun schoolcijfers voor exacte vakken. Meisjes haalden in 2015 gemiddeld een zeven voor exacte vakken, jongens een 6,8.

Hoe is dat te verklaren? Vanaf de jaren tachtig zijn talloze campagnes gevoerd om meisjes naar exacte vakken te lokken. ‘Kies exact’. ‘Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’. ‘Thea studeert techniek’. De slogans zijn in het collectieve geheugen gegrift. Maar het keuzegedrag van meisjes veranderde er nauwelijks door. ‘Dat waren grote, massamediale campagnes, waarbij mensen die ver van meisjes af stonden vertelden wat ze moesten doen’, zegt Cocky Booij. Ze is directeur van het vhto, landelijk expertisebureau meisjes/vrouwen en bèta/techniek. Toch wil ze niet zeggen dat die campagnes mislukt zijn. ‘Ze hadden misschien niet zo veel invloed op meisjes, maar de mentaliteit van bètadocenten en -decanen is er wel door veranderd. Ze realiseerden zich dat bètavakken te veel op jongens waren gericht.’

Lange tijd kregen meisjes ook eerder een talenadvies dan jongens. Booij: ‘Niet onlogisch, want meisjes scoren in de onderbouw relatief hoog bij talen. Maar dat wil niet zeggen dat ze slecht zijn in bèta. Daarvoor halen ze ruime voldoendes.’ Meisjes moesten gemiddeld een ruime zeven staan om een bètaprofiel aangeraden te krijgen. Bij jongens was een zes genoeg. Booij: ‘Steeds meer decanen en docenten zeggen tegenwoordig ook tegen meisjes met zessen: kies een bètaprofiel, als je bereid bent om hard te werken. Ook al weet je nog niet precies wat je wilt worden. Dan houd je alle mogelijkheden open.’

dat slagen voor bètavakken niet alleen is weggelegd voor bollebozen dringt langzaam ook tot meisjes door. Ze zijn nog steeds onzeker over hun bètatalent. Zo denken ze met een zeven voor wiskunde op hun rapport dat ze het eigenlijk niet echt snappen, terwijl jongens dan al pochen dat ze een wiskundeknobbel hebben. ‘Wij meisjes zijn perfectionistisch’, zegt vwo 5-leerling Famke. ‘Die onzekerheid is er altijd.’ Door internet is het wel een stuk gemakkelijker geworden. Famke: ‘Er zijn zoveel filmpjes met extra uitleg. Als je het bij je eigen docent niet snapt, kun je altijd op internet kijken. Dan kom je er meestal wel uit.’

‘De stap van intensieve gebruiker naar maker van technologie is niet zo groot. Dat geeft meisjes vleugels’

‘Ik vertel leerlingen: voor de meesten is wiskunde niet een talent dat je wel of niet hebt. Het is juist iets waar je veel op moet oefenen’, zegt wiskundedocente Hester Vogels (23). Al tijdens haar wiskundestudie begon ze met lesgeven op het UniC, een middelbare school in Utrecht. Met name bij meisjes zag ze dat gebrek aan zelfvertrouwen grote invloed had op hun prestaties. Een van haar leerlingen, van wie ze zeker wist dat ze het kon, zat huilend op het eindexamen wiskunde en verknalde de toets. ‘Dat raakte me zo dat ik wiskunjeleren.nl ben gestart.’ Al drie jaar besteedt ze haar wekelijkse vrije vrijdag aan het maken van filmpjes en Prezi’s (een soort powerpointpresentaties) waarin ze per onderwerp uitlegt hoe het werkt. ‘Veel wiskundedocenten kunnen zich niet inleven in leerlingen die het niet direct begrijpen.’

Haar website wordt per dag door een paar duizend leerlingen bekeken en vlak voor het eindexamen had ze driehonderdduizend views op één dag. Iedere dag krijgt ze mailtjes van dankbare leerlingen: ‘Je bent een held, je hebt mijn leven gered.’ ‘Dankzij jou heb ik voor het eerst een voldoende gehaald.’ Vogels: ‘Mijn site is een soort reddingsboei geworden, leerlingen kunnen de filmpjes op hun gemak bekijken en terugspoelen, net zo lang tot ze het begrijpen.’

Er is meer veranderd. ‘De wereld van de technologie is veel dichterbij gekomen’, zegt Booij. Dankzij Apple, Microsoft, smartphones en tablets is ingewikkelde technologie overal om leerlingen heen. ‘Technologie maakt een groot deel uit van hun leven. De stap van intensieve gebruiker naar maker van technologie is niet zo groot. Dat geeft meisjes vleugels.’ Ze vertelt over Hacklabs van accountantskantoor Deloitte waar veel meisjes op afkomen. ‘Vaak doen ze het niet om te leren hoe ze een bank moeten hacken, maar om erachter te komen hoe je de beveiliging goed kunt regelen.’ Meisjes associeerden techniek lang met zware industriële banen. ‘Ze komen er steeds meer achter dat je met techniek een bijdrage kunt leveren aan allerlei maatschappelijke innovaties: op het terrein van duurzaamheid, gezondheid, een aangenamer leven.’

Medium hh 57149782

Wis- en natuurkundedocente Wies Beljaars, bètacoördinator op het Jan van Brabant College in Helmond, ziet als belangrijkste verandering dat meisjes een concreter beeld hebben gekregen van de carrièremogelijkheden van exacte vakken. ‘In vrijwel ieder technisch bedrijf vind je tegenwoordig leuke vrouwen die enthousiast kunnen vertellen over hun vak. Rolmodel is het toverwoord.’ Bij het Jan van Brabant College gaan meisjes in de eerste twee jaar op excursie naar een bedrijf in de regio. Ze krijgen een rondleiding en worden aan het werk gezet door vrouwelijke technici. In de derde klas kunnen ze speeddaten met vrouwen die een technisch beroep hebben gekozen. In de bovenbouw mogen ze een dag meelopen in een technisch bedrijf. Beljaars: ‘Juist meisjes vinden het belangrijk om te weten in wat voor omgeving ze terechtkomen.’

5 vwo-leerling Eline (17) wilde altijd al geneeskunde studeren, maar raakte pas echt begeesterd toen ze kon meelopen met medische technici die beenprotheses maken. ‘Na mijn studie geneeskunde ga ik nog een medisch-technische studie volgen. Zelf dingen ontwerpen waar mensen beter van worden, dat lijkt me het allerleukst.’ Famke (17) riep jarenlang dat ze de economische kant op wilde, net als haar oudere zus. Maar tijdens een meidenkamp op de TU Twente ontdekte ze dat ze de bètakant interessanter vond. ‘Bij informatica zag ik hoe je proefpersonen met sensoren op hun lichaam als een poppetje op een beeldscherm kunt laten bewegen. Zo cool.’ Lieke (16): ‘Ik ging naar de Tilburg Universiteit en voelde me tot mijn verbazing direct thuis bij econometrie. Daar zit veel wiskunde in. De studente die me rondleidde leek op mij. Een sociaal type dat het leuk vindt om moeilijke puzzeltjes op te lossen.’

Alle drie kozen NT (natuur en techniek), het meest exacte bètaprofiel. ‘Bètavakken hebben meer diepgang’, zegt Famke. ‘Ik heb ook economie, maar dat vind ik oppervlakkig.’ Eline: ‘Bij wiskunde zijn we nu bezig met complexe getallen. Dat zijn getallen die eigenlijk niet bestaan, maar je kunt er toch mee rekenen. Grappig toch?’ De drie praten bijna meewarig over klasgenoten die een maatschappijprofiel hebben gekozen. Famke: ‘Cultuur en maatschappij gold altijd al als pretpakket, maar ook met economie en maatschappij word je tot veel leuke studies niet toegelaten. En je krijgt op school niet die leuke excursies en projecten. Die zijn er alleen voor leerlingen die bèta hebben gekozen.’ Ook het vooruitzicht van een goede baan is belangrijk. Lieke: ‘Als econometriestudent krijg je vaak al tijdens je stage een mooie baan aangeboden.’

‘Zelf dingen ontwerpen waar mensen beter van worden, dat lijkt me het allerleukst’

De introductie van de twee bètaprofielen natuur en gezondheid (NG) en natuur en techniek (NT) op havo en vwo is volgens Marian Kollenveld, jarenlang voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Wiskundeleraren, een gouden greep geweest. ‘NG koppelde gezondheid aan bètavakken. In plaats van afstandelijke techniek ging het nu ook om mensen beter en gelukkiger maken. Dat heeft veel meisjes over de streep getrokken.’ Aanvankelijk was er veel kritiek op die lichtere variant van het bètaprofiel. NG zou rolbevestigend werken. Maar na een tijdje bleek dat veel meisjes die dachten dat ze NG kozen onbewust een zwaarder natuurprofiel hadden gekozen. Omdat ze er een extra vak als natuurkunde of wiskunde B bij namen.

Vanaf 2005 zijn ook honderden miljoenen geïnvesteerd in vernieuwing van het bètaonderwijs. Dat platform, waarin overheid en bedrijfsleven samenwerken, moet scholieren warm maken voor exacte studies. Er kwam geld vrij voor bijscholing van bètadocenten, voor smartboards en gadgets om leerlingen enthousiast te maken: infraroodcamera’s, robots, interactieve computerspellen. Ook alle bètavakken zijn grondig vernieuwd, op een manier die meisjes meer aanspreekt. Docenten laten leerlingen meer zien wat de toepassingsgebieden van hun vak zijn en wat je er later mee kunt.

‘De lessen zijn veel leuker geworden’, vertelt Hooyman. Zijn vakgroep was tien jaar geleden een van de voorlopers bij de vernieuwing van het natuurkundeonderwijs. De door Hooyman en collega’s ontwikkelde natuurkundemethode wordt tegenwoordig op twintig procent van de havo- en vwo-scholen gebruikt. Het klassieke natuurkundeboek stond vol met formules en ingewikkelde berekeningen, vertelt hij. ‘Natuurkunde was voor veel meisjes een angstvak.’ Al in de eerste les kregen ze een brij van formules over massa, volume en dichtheid voor hun kiezen. ‘Veel meisjes waren direct vertrokken, ze snapten niet wat ze aan het doen waren.’

Hij wil niet generaliseren, maar hij ziet bij meisjes van veertien, vijftien jaar veel ‘deelstrategen’. ‘Die moeten eerst een concrete voorstelling hebben van een onderwerp. Daarna maken ze zich stap voor stap de details eigen.’ Jongens van die leeftijd zijn vaker ‘geheelstrategen’: ze kunnen al beter abstract denken en grote lijnen zien. In de nieuwe methode begint ieder onderwerp met concrete voorbeelden uit de praktijk. Welke elektrische apparaten ken je? Wat doen die precies? Daardoor blijven meisjes beter bij de les. Vervolgens gaan ze aan de slag met proefjes, als voorbereiding op het onderdeel begrijpen: wat is elektrische stroom eigenlijk?

Hooyman: ‘Daarbij hoeft weinig gerekend te worden. Pas daarna wordt een beperkt aantal formules stap voor stap behandeld.’ Ook werken leerlingen vaker in groepjes bij het maken van opdrachten. Dat sluit aan bij de beroepspraktijk: samenwerken aan projecten is heel gebruikelijk in bètaberoepen. Leerlingen worden gestimuleerd om vragen te stellen en elkaar de stof uit te leggen. ‘Dat werkt zowel voor jongens als meisjes wonderbaarlijk goed’, vertelt hij. ‘Door hun slimme vragen over details blijkt dat meisjes minstens zo veel inzicht hebben als jongens. Dat geeft zelfvertrouwen. Jongens zien die details vaak over het hoofd en worden gedwongen om zich daar nu ook in te verdiepen. Bij beiden leidt dat tot betere cijfers.’

Wat ook meespeelt is dat meisjes ambitieuzer zijn geworden, zegt Hooyman. ‘Vroeger waren ze ijverig, maar niet prestatiegericht. Nu stappen ze zelfbewust de klas binnen. Al vanaf de tweede klas zijn ze bezig hun cv op te bouwen. Ze zijn meer carrièregericht dan jongens van hun leeftijd. Dat krijgen ze ook van hun ouders mee.’ Kollenveld: ‘Jarenlang bleven veel moeders op open dagen op de drempel van het wiskundelokaal staan. “Komt u toch ook even kijken”, moest ik altijd zeggen. Je hoorde ze als het ware tegen hun dochters zeggen: ach meid, maak je niet druk, ik kon het ook nooit.’

De toegenomen populariteit van exacte vakken bij meisjes is ook te zien bij vervolgstudies. Op het hbo steeg het percentage vrouwelijke studenten bij bètatechnische studies tussen 2005 en 2015 van 16 naar 24. Vooral biologie en medisch laboratoriumonderzoek zijn populair. Op de universiteiten was in 2015 al 39 procent van de eerstejaars bij bètatechnische studies vrouw. In 2005 was dat nog 32 procent. Geneeskunde is niet meegeteld in die cijfers.

‘Als een technische opleiding een gezondheidsaspect heeft, willen meisjes best techniek studeren’

Ook hier hebben initiatieven om studies mensgerichter te maken effect gehad. Een voorbeeld is kunstmatige intelligentie aan de VU in Amsterdam, dat werd omgedoopt tot Lifestyle Informatics. De helft van de studenten is nu vrouw. De website voor aankomende studenten begint met de kop ‘Mensen helpen’. ‘Bij Lifestyle Informatics leer je tools en programma’s te ontwikkelen om het dagelijks leven van mensen prettiger, veiliger en gezonder te maken’, luidt de eerste zin, en er worden allerlei voorbeelden gegeven: slimme trainingsprogramma’s tegen stress, zorgrobots, apps om depressieve mensen te ondersteunen.

‘De bachelor bestaat voor de helft uit psychologie en voor de helft uit technische vakken’, vertelt studente Laura van der Lubbe (23). Op de middelbare school was ze niet erg bètagericht, maar informatica lag haar wel. ‘Ik dacht aan een baan in het onderwijs. Toen ik bij de voorlichting van Lifestyle Informatics kwam, wist ik ineens: dit past beter bij mij. Het is maatschappelijk nuttig én het heeft de toekomst. Want ik wil ook gewoon een goede baan.’ Sinds ze de master doet, richt ze zich meer op de technische aspecten van de studie. ‘Juist de harde informatica blijkt me heel goed te liggen.’

Op de TU in Delft is het aandeel vrouwen in de afgelopen 25 jaar vervijfvoudigd: van vijf procent in 1980 tot bijna 25 in 2015. Op de faculteit bouwkunde knutselen jonge vrouwen en mannen bij de projecttafels in de grote hal aan hun maquettes van karton, hardboard en perspex. Vijftig procent van de studenten is vrouw. Ook industrieel ontwerpen geldt met veertig procent vrouwelijke studenten als ‘meisjesstudie’.

Klinische technologie, waarmee de TU in 2014 startte, trekt na twee jaar zelfs al 74 procent meisjes. Die studie leidt een nieuw soort medische professionals op: met een combinatie van medische en technische kennis kunnen ze een brug slaan tussen techniek en de patiënt. ‘Als een technische opleiding een gezondheidsaspect heeft, willen meisjes best techniek studeren’, zegt hoogleraar medische instrumenten Jenny Dankelman.

Bij een harde technische studie als werktuigbouwkunde steeg het aandeel meisjes tussen 2005 en 2015 van vier naar elf procent. ‘Ook daar begint het beeld te kantelen’, zegt Dankelman. In de werkplaats van werktuigbouwkunde ziet ze steeds meer ‘meisjes-meisjes’: studentes met make-up en lang haar, gekleed in modieuze truitjes en rokjes. ‘Dat is nieuw, lange tijd wilden meisjes bij werktuigbouwkunde absoluut niet opvallen. Nu zijn ze veel meer aanwezig.’

Neem Roos Klaassen (22), derdejaars werktuigbouwkunde. Op hoge hakken loopt ze al een tijdje niet meer, dat is het enige nadeel van een studie waar zoveel jongens rondlopen. ‘Ik werd gek van al die hoofden die me nastaarden als ze mijn hakken over de gang hoorden tikken.’ Ze laat de enorme werkplaats met draaibanken, metaalzagen en lasmachines zien. ‘Dat zijn toch prachtige speeltjes?’ Van opdrachten als ‘ontwerp een warmtewisselaar voor een olieplatform’ wordt ze helemaal blij. ‘Je maakt niet alleen ontwerpen en berekeningen, maar je voert ook veel zelf uit, van computersimulaties tot pootjes zagen, lassen en schroefdraden maken.’ In het eerste jaar zat ze in een projectgroep met alleen jongens. ‘Jij bent de chick, ga jij het planningsschema maar maken, dan doen wij de berekeningen wel’, zeiden ze. Dat liet ze één keer gebeuren. ‘Als je een goed plan hebt en de leiding neemt, wordt dat door jongens direct geaccepteerd. Als je dat bij meisjes doet, gaan ze mokken: zij wil de baas spelen, zeggen ze achter je rug.’

Roos wil zich specialiseren in duurzame energie. ‘Straks worden er voor miljarden windmolens gebouwd in de Noordzee. Het lijkt me zo gaaf om daar projectmanager te worden.’ Onlangs organiseerde ze een excursie met medestudentes. Siemens kwam direct met geld over de brug en een paar weken laten liepen ze met zeventien werktuigbouwkundestudentes door de fabriek in Berlijn. ‘Iedereen stopte met werken, ze vonden het allemaal even geweldig. Er was daar zelfs een recruiter vrijgemaakt om vrouwen te werven.’ Daarom durft ze met een gerust hart een tussenjaar te nemen om bestuurswerk te gaan doen. ‘Het maakt helemaal niet uit of ik wat langer over mijn studie doe. De banen liggen straks voor het oprapen.’


Beeld: (1) Geleen, april. Meiden van Gymnasium 2 van scholengemeenschap Trivianum in Sittard zijn bezig met verschillende experimenten bij chemisch concern Sabic (Roger Dohmen); (2) Leerlingen van het Stedelijk Gymnasium Schiedam presenteren zelfgebouwde robots, 21 mei 2016 ( Najib Nafid / HH)