Opkomst en ondergang van de ‘Dutch Serengeti’

Getemde wildernis

Vorige week begon Staatsbosbeheer met het afschieten van gezonde edelherten in de Oostvaardersplassen. Vanaf nu bepaalt de mens en niet de natuur wie er overleeft. Daarmee is een einde gekomen aan het levenswerk van ecoloog Frans Vera. Een reconstructie.

PLING! ‘Even kijken hoor, misschien hebben ze al wat gehoord.’ Bij ieder binnenkomend WhatsApp-bericht grijpt Frans Vera onmiddellijk naar zijn telefoon. Het is donderdagochtend 6 december en de rechter maakt zo bekend of 1830 gezonde edelherten in de Oostvaardersplassen mogen worden afgeschoten. Nee, nog geen nieuws. Zonder te haperen vervolgt Vera zijn verhaal. Hij vertelt hoe hij met zijn dwarse ideeën aan de wieg stond van het unieke stukje wildernis in de Flevopolder. Hoe hij, ondanks alle weerstand, een kanteling teweeg wist te brengen in het denken over natuurbeheer en hoe zijn levenswerk nu alsnog de nek omgedraaid dreigt te worden door ‘terroriserende’ actievoerders, ‘luie’ journalisten en ‘liegende’ politici.

Zijn eettafel is bezaaid met krantenknipsels, kaarten en stapels rapporten; om de haverklap beent hij naar zijn studeerkamer om nóg een boek uit de kast te trekken. Als hij vervolgens weer de woonkamer binnenstapt is hij vaak al halverwege een nieuwe zin. Een tijdlang heeft de eigenzinnige ecoloog de media gemeden vanwege de ernstige bedreigingen aan het adres van zijn gezin, maar nu wil hij zijn volledige verhaal kwijt. Om in ieder geval het achterliggende gedachtegoed veilig te stellen, ook al is het voor de Oostvaardersplassen waarschijnlijk te laat. Tegen het middaguur kan hij zijn ongeduld niet meer bedwingen en besluit hij zelf maar te bellen. ‘Het schieten mag doorgaan? Oké. Dus we hoeven ook niet naar de rechter te stappen om de natuur te beschermen. Nou ja, goed… Kennelijk doen inhoudelijke ecologische argumenten er niet toe. Dan weet ik het ook niet meer.’

Het moet ergens begin jaren zestig zijn geweest dat Vera op de Knardijk stond, verrekijker in de hand, zich verwonderend over de ongekende rijkdom aan zeldzame vogels. De roerdomp, grauwe ganzen, zelfs het baardmannetje kon je spotten in Oost-Flevoland. Het gebied tussen Almere en Lelystad, dat in 1968 werd ingepolderd, was eigenlijk bestemd voor industrie, maar doordat de ontginning langer duurde dan verwacht had de natuur vrij spel gekregen. Ook daar ontstond spontaan een ‘paradijs voor vogelaars’, al wist het grote publiek lange tijd van niets. ‘Vogelaars zijn eigenlijk vervelende mensen’, zegt Vera. ‘Als ze een mooi plekje hebben ontdekt, willen ze dat het liefst voor zichzelf houden.’ In 1979 kreeg de buitenwereld voor het eerst een inkijkje, toen in het tijdschrift De lepelaar een artikel verscheen van Ernst Poorter, een bioloog van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. Voor Vera was het een eyeopener.

De meeste indruk maakte de bijzondere rol van de troepen ‘niet-broedende, ruiende grauwe ganzen’, een fenomeen dat nergens anders in Nederland te zien was. Als ganzen ruien verliezen ze hun handpennen en kunnen ze een maand lang niet vliegen; het moeras biedt in die periode de perfecte bescherming. Doordat ze de rietstengels breken en de bladeren eten, voorkomen de ganzen dat het moeras dichtgroeit tot bos. De gans is een sleutelsoort, waarvan andere moerasvogels afhankelijk zijn. Een revolutionair inzicht, begreep Vera. Tijdens zijn opleiding ecologie had hij altijd te horen gekregen dat grazers ‘volgend’ zijn. Het type vegetatie zou bepalen welke diersoorten er voorkomen. Niet andersom. Maar in de Oostvaardersplassen, een gebied waar de mens zich niet mee bemoeide, bleek de gans het aangezicht van het landschap te bepalen.

Vera, die op dat moment net was afgestudeerd en werkloos thuis zat, besloot de stoute schoenen aan te trekken en belde Ernst Poorter op. Prachtig verhaal, maar waarom pleitte hij er niet voor om het gebied te beschermen? wilde Vera weten. Het antwoord van Poorter was even simpel als frustrerend: zijn bazen bij de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders zaten niet te wachten op pottenkijkers. Goed, dacht Vera, dan klim ik zelf wel in de pen.

‘Het Oostvaardersplassengebied: een uniek oecologisch experiment’, luidde de kop boven zijn stuk dat in 1979 in het tijdschrift Natuur & Milieu verscheen. ‘Een gebied met een allure als dit behoort een wettelijke status van beschermd natuurgebied te hebben’, schreef hij. De ‘traditionele’ natuurbeschermers waren sceptisch, volgens hen zou het onbegonnen werk zijn om zo’n moeras te beheren. Daarvoor heb je rietmaaiers nodig en voor zo’n groot oppervlakte is dat onbetaalbaar. Vera zag dat anders. Niet voor niets had Poorter de grauwe ganzen in zijn artikel ‘gratis beheerskrachten’ genoemd.

Alleen hebben die grauwe ganzen ook grasland nodig om te grazen en zich te verzamelen voordat ze het moeras ingaan om te ruien en naderhand om aan te sterken. Als we nou eens grote hoefdieren herintroduceren om die graslanden te ontwikkelen, opperde Vera. Zoals de ganzen de architecten zijn van het moerasgebied, zo zouden wilde paarden en runderen dat kunnen zijn voor het ‘droge’ deel. Onmogelijk! riepen wetenschappers in koor. ‘Binnen de kortste keren groeit het dan dicht met bos. Dat weten we uit het verleden.’

Hoe zag het Nederlandse landschap eruit voordat de mens het naar zijn hand begon te zetten? Lange tijd was de communis opinio onder ecologen dat Europa een aaneengesloten bos was. Eentonig en donker. Pas toen boeren het land begonnen te verbouwen, ontstond een afwisselend en aantrekkelijk landschap met open graslanden, bosschages en bloemen. Door in te grijpen zou de mens de natuur hebben verrijkt. Maar wat hij zag in de Oostvaardersplassen bracht Vera aan het twijfelen en hoe meer hij zich in de dominante theorie verdiepte, hoe meer die twijfel groeide. Waarom waren er in de bodem dan botten aangetroffen van grazers die grasland nodig hebben? En hoe verklaar je de aanwezigheid van eiken en hazelaars, bomen die niet gedijen in een donker woud? Nee, concludeerde hij, Nederland kende zo’n achtduizend jaar geleden eerder een parkachtig landschap, met bosweides, struikgewas en her en der groepjes bomen.

Met zijn stelling dat de graslanden in het verre verleden werden opengehouden door wilde paarden en oerrunderen zette Vera het paradigma op z’n kop: niet de vegetatie, maar de grazers waren sturend. Als dat klopte, moesten ook de gangbare opvattingen over natuurbeheer op de schop. De mens was helemaal niet nodig om een gevarieerd landschap te vormen; als we de natuur weer in de benen hielpen, regelde ze dat zelf wel.

Dat was precies wat hij voor ogen had in de Oostvaardersplassen. Het grootste obstakel was de spoorlijn van Almere naar Lelystad die dwars door het gebied was gepland. Samen met een kompaan bij Stichting Natuur & Milieu en een vriend bij het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (crm), wist Vera de beleidsmakers uiteindelijk te overtuigen om het tracé te verleggen, waardoor er een natuurgebied ontstond van 56 vierkante kilometer, waarvan 3600 hectare ‘nat’ moeras en tweeduizend hectare ‘droog’ grasland.

Gesteund door het ministerie van crm en Staatsbosbeheer ging Vera op reis door Europa, op zoek naar paarden en runderen. Het Europese oerrund was al in de zeventiende eeuw uitgestorven, maar de Duitse gebroeders Heck hadden een runderras gefokt dat in veel opzichten op hun wilde voorouder leek. En in Polen liepen konikpaarden rond, een gefokte afstammeling van de Tarpan, het wilde paard waarvan het laatste exemplaar in 1887 in een dierentuin in Moskou stierf. Zo werden in 1983 34 heckrunderen losgelaten in de Oostvaardersplassen. Een jaar later volgden twintig konikpaarden, en om te voorkomen dat het gebied overwoekerd zou raken met vlier kwamen er in 1992 tientallen edelherten bij.

Het had de nodige inspanning gekost, maar eindelijk schaarden mensen zich achter Vera’s ideeën. Zowel bij Staatsbosbeheer als later bij het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (lnv), waar hij in 1982 begon als hoofd natuurontwikkeling, kreeg hij alle steun om zijn visie in de praktijk te brengen. Zijn opvattingen over ‘oernatuur’ vonden weerklank onder een groeiend aantal ecologen. In 1996 ontving hij de prestigieuze Edgar Doncker Natuurprijs voor zijn ‘baanbrekende en verstrekkende visie op natuurontwikkeling’ en ook internationale collega’s kwamen in groten getale naar Flevoland om de ‘Dutch Serengeti’ met eigen ogen te aanschouwen. Zijn idee om verdwenen soorten te herintroduceren, zodat de natuur zelfstandig tot bloei kan komen, was de basis van de later ontstane rewilding-beweging. Zo werden er lynxen uitgezet in de Eiffel, kwamen er wisenten in Slowakije en keerden bevers terug in Schotland. De Oostvaardersplassen waren een voorbeeld voor natuurbeheer wereldwijd.

Jonge, tweede-kalender-zeearend met edelhert in 2009 © Buiten-Beeld / HH

Melkveehouder en akkerbouwer Piet Kostelijk woonde vlakbij. Hij had zich in 1969 als een van de eerste bewoners in de net ontgonnen polder gevestigd in de buurt van Lelystad. De eerste jaren had hij geen idee wat zich in het aanpalende natuurgebied afspeelde, totdat hij in het voorjaar van 1996 door een vriend die jachtopziener was werd meegenomen. Wat hij zag, schokte hem. Drie paarden waren tijdens die winter door het ijs gezakt, hij zag hoe hun kadavers boven kwamen drijven. Hij zag een half geboren kalf bungelend tussen de achterpoten van een rund, kalveren van nog geen jaar oud die werden ‘dood gedekt’, zoals Kostelijk het nu zegt, doordat er volgens hem te veel stieren in de kudde waren. Verontwaardigd over dit dierenleed schreef hij een ingezonden stuk voor het vakblad Boerderij.

De gepensioneerde boer bladert aan een kleine, rechthoekige eettafel in zijn nieuwbouwwoning in Swifterbant door een gifgroene multomap vol met krantenknipsels. Zijn ingezonden stuk zorgde direct voor veel aandacht in de pers. Hij pakt een knipsel uit De Telegraaf – ‘Moet je wild aan lot overlaten?’, augustus 1996 – waarin hij uitgebreid aan het woord was. Hij was daarmee de eerste actievoerder tegen het beleid in de Oostvaardersplassen, velen zouden hem in de twintig jaar daarna volgen.

In de winter die volgde trommelde Kostelijk een paar jonge veeboeren op. Het was januari 1997. Hij vist een ander knipsel uit de map, ‘Geen strooivoer voor runderen’, kopt Dagblad Flevoland. Op de krantenfoto staat hij in discussie met een boswachter van Staatsbosbeheer, op de achtergrond een cameraman van de televisie. Kostelijk grinnikt. Het liep uit op een fiasco, maar de media-aandacht was er niet minder om, en dat was precies wat hij wilde. Het oorspronkelijke plan was om met een helikopter hooi te droppen in de Oostvaardersplassen, maar Staatsbosbeheer blokkeerde dat. Toen besloten ze met twintig auto’s met hooi in de achterbak naar het gebied te rijden. Een jachtopziener probeerde hen bij de poort nog tegen te houden door zijn auto dwars op de weg te zetten, maar de boeren dreigden die met een kabel weg te slepen. Toen ze echter verderop een politieauto zagen staan, keerden ze alsnog onverrichter zake terug. ‘Ik was geen ervaren actievoerder’, zegt Kostelijk nu. ‘Ik zag dat drama en vond dat er wat moest gebeuren.’

Er werden lynxen uitgezet in de Eiffel, er kwamen wisenten in Slowakije en bevers keerden terug in Schotland. De Oostvaarders­plassen waren een voorbeeld voor natuurbeheer wereldwijd

Later ging hij een keer met Frans Vera in discussie op de televisie. ‘Viel niet mee te praten’, zegt hij nu en schudt zijn hoofd. ‘Vera zette die paarden en koeien in het gebied, daarna deed hij er niets meer aan. En hij verkocht het idee alsof het een wereldwonder was.’

Het ministerie van lnv steunde op dat moment Vera’s ‘wilde’ natuurbeleid en dat vond Kostelijk schrijnend. Boeren kregen van datzelfde ministerie strenge regels opgelegd over hoe zij de dieren moesten behandelen. ‘Als wij als boeren zo met onze dieren omgingen, dan zouden ze direct in beslag worden genomen’, zegt hij nog steeds verontwaardigd. Hij laat een foto zien die hij destijds maakte van een door gevechten gewonde hengst: een stuk vlees bungelt los bij de keel. ‘Die ging natuurlijk dood.’

Voor boerderijdieren geldt een individuele zorgplicht, mishandeling of verwaarlozing is wettelijk strafbaar, terwijl voor wilde beesten juist een ‘afblijfplicht’ geldt, die moeten zo veel mogelijk met rust gelaten worden. De hamvraag: tot welke categorie behoren de grazers in de Oostvaardersplassen? Voor de actievoerders is het simpel: de runderen en paarden werden door de mens neergezet in een omheind gebied, daarom zijn dit gehouden dieren waarvoor we goed moeten zorgen. Maar zo eenvoudig ligt het niet, oordeelden milieufilosofen van de Landbouwuniversiteit Wageningen in 1998. Nadat het protest van boer Kostelijk had geleid tot Kamervragen kregen zij de opdracht om hun licht te laten schijnen op de ‘ethiek rondom grote grazers’. Hun conclusie: de konikpaarden en heckrunderen vormen een soort tussencategorie. Ze maken een proces van ‘de-domesticatie’ door en hoeven niet te worden verzorgd of bijgevoerd. Wel moest ‘onnodig lijden’ worden voorkomen.

Frans Vera © Ruben Smit / Buiten-Beeld / HH

De botsing tussen ‘dier-ethiek’ en ‘eco-ethiek’ is een terugkerend strijdpunt in de discussie rondom de Oostvaardersplassen. Na nieuwe protesten in 2005 schakelde landbouwminister Cees Veerman een commissie van internationale deskundigen in om het beleid van Staatsbosbeheer te evalueren. Die adviseerde om, uit het oogpunt van dierenwelzijn, ernstig verzwakte dieren met een genadeschot uit hun lijden te verlossen. Verder zou de natuur zo veel mogelijk de vrije loop moeten krijgen. Het plan van Vera bleef grotendeels intact en minister Veerman was tevreden: ‘Het laat zien dat het voor de Oostvaardersplassen wel degelijk mogelijk is onnodig lijden te voorkomen en tegelijkertijd natuurlijke processen de ruimte te geven.’

Maar tijdens de strenge winter in 2010 was het opnieuw raak. cda-Kamerlid Henk Jan Ormel vroeg een spoeddebat aan over de situatie in ‘ons “jurassic park” op de bodem van de voormalige Zuiderzee’, waar volgens hem sprake was van ‘ernstig dierenleed’. Er kwam een tweede rapport van dezelfde internationale commissie, die aanraadde om dieren die de winter hoogstwaarschijnlijk niet zouden overleven eerder af te schieten. Ook constateerden de onderzoekers dat het minder goed ging met een aantal vogelsoorten. Zorgwekkend, want de Oostvaardersplassen waren volgens Natura 2000 in de eerste plaats een beschermd vogelgebied. Maar de experts benadrukten ook dat bijvoeren of ‘pro-actief’ beheer niet wenselijk was. Wat wél zou helpen was het creëren van beschuttingsplekken voor de grote hoefdieren, door de aangrenzende bossen open te stellen en een corridor aan te leggen naar het nabijgelegen Horsterwold. Met een beetje doorzettingsvermogen konden de herten dan zelfs de Veluwe bereiken.

Lange tijd leek het erop dat die verbinding er inderdaad zou komen: de plannen lagen klaar en het grootste deel van het boerenland was al aangekocht. Totdat Henk Bleker in 2010 aantrad als staatssecretaris voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De cda’er hervormde het Nederlandse natuurbeleid met een botte bijl: hij ontnam 63 natuurgebieden hun beschermde status, versoepelde Europese Natura 2000-regels en hevelde het natuurbeheer over naar de provincie. Het budget voor natuurbeleid kromp met zestig procent.

Tot overmaat van ramp zette Bleker, onder druk van boeren en in weerwil van het wetenschappelijk advies, een streep door de plannen om natuurgebieden met elkaar te verbinden. ‘Het gaat om goede landbouwgrond die we in de toekomst nog nodig hebben’, lichtte hij zijn beslissing toe in een interview met Down to Earth Magazine.

Ecoloog Frank Berendse is absoluut geen fan van Bleker, maar hij gelooft niet dat een corridor de Oostvaardersplassen had kunnen redden. ‘Dan had je hetzelfde probleem op veel grotere schaal gehad’, zegt hij in zijn huis in de Wageningse bossen. De toekomst van de Oostvaardersplassen gaat hem aan het hart, vandaar dat hij zich nadrukkelijk mengt in het verhitte debat. Hij was jarenlang lid van de wetenschappelijke adviescommissie voor het gebied en begeleidde het promotieonderzoek van Frans Vera dat korte metten maakte met de ‘mythe’ van het oerbos. ‘Frans was niet de makkelijkste, maar hij had ontzettend interessante ideeën’, zegt Berendse. ‘Die vormden ook de basis voor het beleid in de Oostvaardersplassen.’ Door de introductie van de paarden, herten en runderen zou daar na verloop van tijd een parkachtig landschap moeten ontstaan.

Aanvankelijk vond Berendse het geen gek idee, maar 35 jaar na de introductie van de eerste heckrunderen moet hij concluderen dat Vera’s theorie niet uitkomt, of in ieder geval niet op de vruchtbare poldergrond. Vera geloofde dat het een kwestie van tijd was voordat er doornachtige struiken zouden groeien die als een soort natuurlijk prikkeldraad jonge boomscheuten konden beschermen tegen de hongerige grazers. Maar daarvan is niets terechtgekomen, constateert Berendse: in plaats van een parkachtig landschap zijn de Oostvaardersplassen een kale vlakte geworden.

Vooral het effect op het vogelleven baart hem zorgen. Net als zijn promovendus was Berendse als jonge jongen regelmatig op de Knardijk te vinden om vogels te spotten. Toen was het bijzonder om vluchten grauwe ganzen te zien, inmiddels zijn de ganzen te dominant geworden, vindt hij. Ze vreten veel riet, waardoor kleine poeltjes met helder water zijn veranderd in grote, troebele plassen. Met als gevolg dat een kwetsbare moerasvogel als de roerdomp het zwaar heeft. De woudaap is zelfs helemaal verdwenen. Als het aantal grote grazers wordt teruggebracht, blijft er minder grasland over en neemt ook het aantal ganzen af. Dat levert mooiere natuur en een betere vogelhabitat op, hoopt hij.

Uit zijn studeerkamer haalt hij het proefschrift van zijn meest recente promovendus: Perry Cornelissen, ecoloog bij Staatsbosbeheer. Zijn onderzoek was voor Berendse de definitieve bevestiging dat het zo niet langer kan doorgaan. Dertig jaar lang verzamelde Cornelissen gegevens over de populatie grote herbivoren in de Oostvaardersplassen en hun effect op het ecosysteem. De resultaten stemmen weinig hoopvol. Het landschap gaat steeds verder achteruit, concludeert hij, als we niet ingrijpen staat er straks geen boom of struik meer overeind. Sommige ecologen, waaronder Vera, blijven volhouden dat dit in de toekomst alsnog kan veranderen, maar Berendse gelooft er niet meer in.

Net als veel actievoerders pleit hij daarom voor een forse reductie van de populatie herten, paarden en runderen, al is voor hem het dierenleed niet doorslaggevend. ‘Als er nou boeiende natuur was ontstaan, had ik honderd procent achter Vera gestaan, maar dat is gewoon niet het geval.’ Bovendien kun je de maatschappelijke consternatie ook niet zomaar negeren, vindt hij. ‘Afgelopen winter reden vrachtwagens af en aan om duizenden rottende lijken af te voeren, dan is het begrijpelijk dat mensen geëmotioneerd raken. Ik heb eens een meisje aan de telefoon gehad dat helemaal in tranen was. Ik heb zelf niets met paarden, maar voor zo’n meid doet dat echt pijn.’

Lepelaars © Sijmen Hendriks / HH

‘De waarheid zal uiteindelijk boven tafel komen’, zegt Annemieke van Straaten, eigenaar van Horse Events in het Gooi en medeoprichter van de Stichting Cynthia en Annemieke. Ze loopt door het Oostervaardersveld, op zoek naar de konikpaarden. Het Oostvaardersveld ligt aan de rand van de Oostvaardersplassen en is openbaar toegankelijk. ‘Daar, dat hoge bruine gras dat overal in het veld staat, dat is zwarte mosterd. Giftig voor paarden’, wijst ze en stapt verder.

Pas in februari 2018 kwam ze voor het eerst in de Oostvaardersplassen. Ze werd meegenomen door een vriend om hooi te voeren bij de hekken. ‘Die dag vergeet ik nooit meer’, verklaart Van Straaten. Het sneeuwde, er woei een ijskoude wind. Ze trof een stuk of honderd paarden aan die, volgens haar, stonden dood te gaan. ‘Ze hadden geen eten, geen drinken, liepen niet weg.’ Ze filmde alles en zette die beelden op Facebook. Vanaf dat moment stroomden de reacties binnen en hield ze zich nergens anders meer mee bezig.

‘Afgelopen winter reden vrachtwagens af en aan om duizenden rottende lijken af te voeren, dan is het begrijpelijk dat mensen geëmotioneerd raken’

Van Straaten gaat op een picknicktafel staan om beter te kunnen zien of de konikpaarden in de buurt zijn. Ze roept, klapt in haar handen. Dan komen de eerste uit de bosjes lopen, langzaam richting het pad, daarna volgen er steeds meer. Samen met haar vriendin Cynthia Danvers, die ze al dertig jaar kent en die een manege met dressuur- en springpaarden runt, richtte ze een stichting op met als doel alle grote grazers uit het gebied te krijgen. ‘Dat is de enige oplossing, gewoon ophouden hiermee’, stelt Van Straaten.

Van Straaten en Danvers worden ook wel de ‘paardenmeisjes’ genoemd in de wereld van de actievoerders rondom de Oostvaardersplassen. Die wereld is divers. Er zijn boeren en dierenliefhebbers, ze maken zich allemaal zorgen over het dierenleed, maar de oplossingen die ze voor ogen hebben verschillen per actiegroep. Sommigen zijn voor het bijvoeren in de winter, anderen voor het verwijderen van alle grote grazers uit het gebied, sommigen zijn tegen het schieten van de herten, anderen voor. Ze zijn echter bijna allemaal tegen de rewilding-gedachte. ‘Het is een sprookje’, zegt Van Straaten.

‘Cynthia en Annemieke’ willen de wereld laten zien wat er gebeurt in deze ‘zwaar verwaarloosde dierentuin’, zoals Van Straaten het noemt. Een vaste groep rapporteurs post dagelijks in het gebied en legt vast wat ze zien. Hun acties sloegen snel aan. In een paar maanden tijd hadden ze meer dan negentigduizend volgers op hun Facebookgroep en haalden uit donaties naar eigen zeggen een ton euro op. Ze begonnen een mediacampagne, kochten een pagina in De Telegraaf en maakten twee televisiecommercials, waarin Hans Klok en Anky van Grunsven hun steun betuigden.

Van Straaten wordt omringd door de grijswitte konikpaarden. Een stuk of zeventig, schat ze en wijst op de bossen klitten die in hun manen, staarten, op hun vel zitten. ‘En kijk hoeveel hengsten er zijn, die verkrachten de veulens. Echt, ik lieg niet.’ De paarden duwen hun neuzen tegen haar dikke donzen jas van Kingsland, een ruiterkledingmerk dat de stichting sponsort. ‘Het is iedereen zijn burgerplicht om deze beesten te redden’, zegt Van Straaten. ‘Dit wordt al 25 jaar in stand gehouden door een kleine groep mensen.’ Ze is nog samen met de pvv-Statenleden hier geweest. ‘Die waren ook verontwaardigd.’

In maart 2018 besloot de provincie Flevoland onder druk van de actievoerders de grote grazers bij te voeren. Het was tegen de zin van Staatsbosbeheer en tegen de adviezen van deskundigen die unaniem benadrukten dat het juist slecht was voor de dieren, maar de ‘maatschappelijke onrust’ was voor de provinciale politici te groot.

Leonie Vestering, fractievoorzitter van de Partij voor de Dieren in de Provinciale Staten Flevoland, vindt dat de provincie wel erg makkelijk zwichtte onder druk van bedreigingen en onrust. ‘Onacceptabel’, noemt Vestering hun gedrag. Met name de bedreigingen aan het adres van politici en boswachters. ‘Als je het beste met de dieren voor hebt, ga je geen onrust scheppen. Er vinden dagelijks misstanden plaats in de bio-industrie, maar daar wil de politiek niet over praten.’

Achter de schermen werd al gewerkt aan een nieuw beleid voor de Oostvaardersplassen, dat definitief een eind zou maken aan het plan van Vera. In 2015 werd in de Tweede Kamer na een motie van vvd/cda bepaald dat na het natuurbeleid nu ook de verantwoordelijkheid voor het dierenwelzijn van de grote grazers in de Oostvaardersplassen naar de provincie Flevoland ging. Op 1 januari 2017 werd dit geëffectueerd en een week later lag er op het provinciehuis al een initiatiefvoorstel van sgp/vvd voor een nieuw beheerplan; het aantal grote grazers moest ‘drastisch’ omlaag, er moest meer ruimte komen voor recreatie en toerisme en er moest rekening worden gehouden met de uitbreidingsplannen van luchthaven Lelystad. ‘De kaalgevreten bende was me al jaren een doorn in het oog’, zegt Jan de Reus, de initiatiefnemer en destijds fractievoorzitter van VVD Flevoland. ‘Ik was blij dat ik er eindelijk wat aan kon doen.’ 36 van de 41 Statenleden steunden het voorstel.

In november 2017 kreeg een commissie onder leiding van oud-staatssecretaris Pieter van Geel (cda) de opdracht te adviseren over de manier waarop de provinciale plannen konden worden uitgevoerd. De commissie sprak met dierenwelzijnexperts, ecologen, restaurantuitbaters en andere betrokkenen. Het advies dat in april 2018 op tafel lag, zal vanaf dat moment de basis vormen voor het natuurbeleid in de Oostvaardersplassen. De nadruk ligt daarin niet meer bij de ‘intrinsieke’ waarde van de natuur, maar eerder bij het vergroten van de ‘beleefbaarheid’. Het aantal grote grazers moet worden verminderd tot zo’n elfhonderd waarvan vijfhonderd edelherten, 450 konikpaarden en 160 heckrunderen. Wat met de huidige populatie betekent dat zo’n 180 paarden moeten worden verplaatst naar elders en ruim achttienhonderd herten moeten worden afgeschoten – regulering zoals ook op de Hoge Veluwe jaarlijks gebeurt. Niet langer bepaalt de natuur wie er overleeft, vanaf nu is het de mens die de populatie grote grazers op peil gaat houden. Precies zoals vvd’er De Reus het graag ziet: ‘Vera’s vorm van natuurbeheer is mislukt.’

Leonie Vestering van de Partij voor de Dieren noemt het advies van de commissie-Van Geel een barbaars en wreed plan. ‘Hoe kun je zeggen dat je het beste voor hebt met dieren als je gezonde herten gaat afschieten?’ zegt ze aan een tafeltje in het bezoekerscentrum Oostvaardersplassen Almere. Nu de dieren er zitten, vindt ze dat je ‘als mens de plicht hebt om onnodig lijden te voorkomen’. Maar de dierenpartij staat nog steeds achter het standpunt dat de natuur zo veel mogelijk met rust moet worden gelaten. En, het lijkt misschien een onmogelijke missie, maar Vestering gelooft ook nog steeds dat de oplossing ligt in de corridor naar de Veluwe. ‘Dan kan ook de wolf komen, die is al om de hoek.’

Nu, door het afschot van de edelherten, vreest Vestering dat er minder ganzen naar de Oostvaardersplassen zullen komen. ‘Al komt dat de voorstanders van uitbreiding van Lelystad Airport misschien helemaal niet zo slecht uit’, zegt ze. Een landingsbaan voor vliegtuigen naast een vogelreservaat is immers vragen om problemen. ‘Bij Schiphol worden nu al veel ganzen vergast.’

Bij de stichting Cynthia en Annemieke vinden ze het nieuwe beleidskader van Van Geel juist lang niet ver genoeg gaan. ‘Onze strijd begint nu pas’, zegt Annemieke van Straaten. Zij willen alle grote grazers laten verwijderen, op vijfhonderd edelherten na. Om dat te bereiken spande de stichting een rechtszaak aan, als onderdeel van een bodemprocedure, tegen de Staat der Nederlanden, de provincie Flevoland en Staatsbosbeheer, die diende begin december. Het zou de 37ste rechtszaak worden die tot nu toe om de Oostvaardersplassen is gevoerd. ‘De overheid heeft het er zelf naar gemaakt’, pleitten de twee advocaten die de stichting kosteloos bijstonden, ‘door jaren geleden, zonder enig beleid, zonder enige steekhoudende visie, het Frans Vera toe te staan een dierenpopulatie te plaatsen.’

Konik paarden © Frans Lemmens / HH

‘Er komt meer ruimte voor sport en spel in een deel van het Kotterbos’, wijst boswachter Hans-Erik Kuypers van Staatsbosbeheer terwijl de terreinwagen over de kale vlakte van de plassen stuitert. Bijvoorbeeld een mountainbikeparcours en hardlooproutes. Maar niet in het kerngebied. Daar gaat het om de 31 vogelsoorten die zijn aangewezen in Natura 2000. Langs het pad staan drie grote zilverreigers in het veld, in de verte graast een kudde heckrunderen. De provincie zal vanaf nu bepalen hoeveel dieren er mogen rondlopen. ‘Het idee is dat er meer nat grasland komt, en meer struweel, meer beschutting, en op termijn meer bos’, zo schetst Kuypers het landschap dat moet ontstaan – parkachtig, bijna. ‘Dat zal bijvoorbeeld klapeksters trekken.’

Met grote trucks worden beveiligingscamera’s in het gebied geplaatst, Staatsbosbeheer bereidt zich voor op mogelijke actievoerders die protesteren tegen het afschieten van de herten. Draagvlak is belangrijk, vindt de boswachter, daarom is hij ook voorstander van beter toegankelijke randzones. ‘Een sperwer’, zegt hij wijzend in de lucht en pakt zijn verrekijker. Spreeuwen vliegen op tussen de paarden. ‘Ze zitten altijd in de buurt om uit de poep te eten’, zegt hij enthousiast. De boswachter rijdt zijn terreinwagen van het pad af om iets dichter bij een kudde runderen te komen. Hij vond het jammer dat destijds die verbinding van de natuurgebieden is afgeblazen, nog steeds denkt hij dat dat een goed plan is. Maar hij gelooft ook in het toekomstperspectief zoals dat er nu ligt op basis van het plan van Van Geel. ‘Over een paar jaar gaan we het zien.’

Op donderdagochtend 29 november 2018 zat Frans Vera naast twee natuurorganisaties in de rechtbank in Lelystad tegenover Staatsbosbeheer en de Provinciale Staten van Flevoland. Hij hoopte in deze spoedprocedure bij de voorzieningenrechter het afschieten van de edelherten alsnog te kunnen voorkomen. Hij was goed voorbereid, stapels papieren lagen om hem heen, teksten waren onderstreept of geel gemarkeerd. ‘Het schieten leidt tot verstoring bij de vogels’, zei hij tegen de rechter. ‘De niet-broedende ruiende grauwe gans is niet meegenomen in het rapport van de provincie, wegvluchtende edelherten in het moeras, heel ongunstig…’ Hij vocht. ‘… de kemphaan, krakeend, fuut…’ Hij wist al dat hij ten onder ging. ‘De zeearenden, als die weg zijn, zijn ze weg…’, riep hij nog.

Precies een week later zit Vera aan de eettafel in zijn woning in Wijk bij Duurstede. Het nieuwsbericht over de uitspraak van de rechter heeft hij net vluchtig op zijn telefoon gelezen. Verrast is hij niet. Gefrustreerd wel, want het heersende beeld is nu dat de Oostvaardersplassen ‘mislukt’ zijn en dat is onzin. Oké, er is geen parkachtig landschap ontstaan, maar wat dan nog? Zijn stelling was dat grote grazers zouden voorkomen dat het moeras zou dichtgroeien tot bos. Nou, dat klopt. En dat het slecht gaat met sommige moerasvogels komt volgens hem door het beheer van het waterpeil, niet doordat er te veel hoefdieren rondlopen.

Hij loopt naar de boekenkast en komt terug met een dikke pil. Geen ecologisch rapport deze keer, maar een luxe uitgave van Niccolò Machiavelli’s Il Principe. Hij slaat het open bij een van de gele post-its en begint te lezen.

‘Laat men goed beseffen dat niets zo lastig, zo onzeker en zo gevaarlijk is als de onderneming van iemand die het initiatief neemt om ergens een nieuwe orde te vestigen. Want degene die deze vestigen wil vindt tegenstanders in al degenen die gebaat zijn bij de oude orde en weifelende medestanders in degenen die gebaat zouden zijn bij de nieuwe. Deze twijfel wortelt ten dele in de angst voor de tegenpartij die de wet aan haar kant heeft en ten dele in ongeloof, omdat mensen geen enkel vertrouwen in nieuwe dingen koesteren zolang die zich niet bewezen hebben. En daarom zullen je tegenstanders zodra ze de kans krijgen vastberaden ten aanval trekken en je medestanders weifelend weerstand bieden, met als gevolg dat je samen met hen ten onder gaat.’

‘Machiavelli. 1532.’ Voor Frans Vera zijn de woorden actueler dan ooit.