Getouwtrek om de flex-werkers

Hoe ver mag de flexibilisering van de arbeidsmarkt gaan? Dat is de vraag die liberalen en sociaal-democraten in het kabinet verdeeld houdt. Het liberale smaldeel, D66 en de VVD, vindt bij monde van de ministers Wijers en Zalm dat de overheid zoveel mogelijk regels die een flexibeler inzet van werknemers bemoeilijken, moet schrappen. De PvdA wil wel flexibiliseren maar tegelijk proberen de werknemers in kwestie meer rechten te geven. In zijn flexibiliseringsnota zoekt Melkert naar een balans.

Zo mogen de beperkende voorwaarden voor uitzendcontracten wel vervallen, maar moeten uitzendbureaus tegelijk worden verplicht hun werknemers in vaste dienst te nemen. Daarmee krijgen ze in perioden zonder werk doorbetaald, zijn ze verzekerd bij ziekte en kan er sprake zijn van pensioenopbouw. De proeftijd mag worden verlengd van twee naar zes maanden en een werkgever mag een werknemer twee in plaats van een jaar aanstellen op tijdelijke contracten. Maar dan moet er ook een vast contract komen.
De liberalen roepen dat de bescherming van de ene werknemer de drempel is voor de andere. De sociaal- democraten roepen dat er geen enkele analyse is die aantoont dat evenwicht tussen flexibilisering en bescherming banen kost. Maar de discussie gaat niet over aantallen banen, maar over de voorwaarden die aan banen worden gekoppeld. Wat de liberalen in feite voorstaan is een zo groot mogelijke uitwisselbaarheid van werknemers en werklozen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De sociaal-democraten op hun beurt bepleiten traditiegetrouw een zekere bescherming van degenen met banen. Maar zij kunnen, gegeven het structurele gebrek aan werk, niet ontsnappen aan het liberale verwijt dat die bescherming tegelijk werkt als afscherming tegen buitenstaanders.
De sociaal-democraten staan dus niet sterk. Temeer omdat ook voor hen flexibilisering naast loonmatiging het middel is ter bevordering van de werkgelegenheid. Die zwakte weerspiegelt zich in de - voorlopige - uitkomst van het kabinetsconflict: de flexibilisering is geregeld, over de zekerheid mogen werkgevers en werknemers het zien eens te worden.
De vraag is of die zekerheid te regelen is zoals Melkert denkt. Neem de beperkingen aan tijdelijke contracten; iedereen weet hoe werkgevers mensen jarenlang op tijdelijke contracten kunnen houden door telkens kleine onderbrekingen in te bouwen, of telkens de functieomschrijving te veranderen. Melkert wil dat flexibele werknemers meer gaan lijken op reguliere, terwijl de ontwikkeling juist omgekeerd is.
De zekerheid zoals Melkert die wil zal dus gezien de zwakke marktpositie van werknemers en de schier onuitputtelijke hoeveelheid juridische trucs slechts een zeer beperkte waarde blijken te hebben. De vraag is dan of de zekerheid aan de rafelrand van de arbeidsmarkt niet veeleer moet komen van nieuwe vormen van sociale zekerheid. Zoals het kabinet een vangnet-Ziektewet voorstelt voor onder meer flexibele werknemers, zou het ook een vangnet-WW kunnen ontwerpen in plaats van de huidige regeling die flexibele werknemers juist uitsluit.