FILM

Getransformeerde gettokinderen

Captain America

Eind jaren veertig werden Joe Simon en Jack Kirby vrijwel overnacht supersterren in de Amerikaanse comicsindustrie dankzij hun creatie Captain America, een held met slechts de suggestie van bovennatuurlijkheid die gekleed in de motieven van de Amerikaanse vlag en gewapend met een bijzonder schild vecht tegen de boze machten van het Derde Rijk. Binnen de kortste keren vlogen er maandelijks miljoenen exemplaren van het stripverhaal over de toonbank. In zijn baanbrekende boek Men of Tomorrow: The True Story of the Birth of the Superheroes (2004) schrijft Gerard Jones dit succes toe aan de ‘passie van de immigrant’.

Deze lezing van de betekenis van 'Cap’, een op het oog hoogblonde, oer-Amerikaanse held, is relevant, juist nu met een nieuwe verfilming van het verhaal door regisseur Joe Johnston, getiteld: Captain America: The First Avenger. De film ademt de charme van de oude matinee-serials, maar wel met een boeiende subtekst: als Cap het product van de verbeelding van immigranten en daardoor eigenlijk een subversief figuur is, dan verhoudt hij zich op het oog tamelijk moeilijk tot moderne, 'traditioneel’ Amerikaanse waarden, bijvoorbeeld over het nobele van het vechten in een oorlog waarvan het nut niet voor iedereen duidelijk is.

The First Avenger volgt de klassieke plot van het superheldverhaal Marvel-stijl: een volledig verhaal met veel tekst waarin politiek, humor en het menselijke centraal staan. Steve Rogers, een magere tiener uit Brooklyn die almaar wordt afgewezen voor dienst in het leger, transformeert zich tot een gespierde supersoldaat dankzij een experiment van een naar Amerika gevluchte Duitse wetenschapper. Zo krijgt hij eindelijk de kans in Europa tegen de nazi’s te vechten. Maar daar komt hij oog in oog te staan met Red Skull, gespeeld door de voortreffelijke Hugo Weaving, bekend als de enge Agent Smith uit The Matrix. Red Skull is een losgeslagen nazi die door occulte handelingen onoverwinnelijk wordt en uit is op wereldheerschappij.

Mooi aan het personage van Cap is dat hij nauwelijks superkrachten lijkt te hebben, behalve dat hij goed kan vechten. Zo is de identificatie met de lezers/kijkers sterk: om Cap te zijn lijkt niet zo moeilijk. Wanneer iemand aan hem vraagt wie hij nu eigenlijk is, luidt zijn antwoord: 'Gewoon een jongen uit Brooklyn.’ Dit moment van zelfbewustzijn vormt het hart van de film; het plaatst Captain America in dezelfde categorie als Watchmen (comics: het Britse enfant terrible Alan Moore, film: het Amerikaanse wonderkind Zack Snyder) waarin de klassieke helden mensen van vlees en bloed zijn die het moeilijk hebben in een duistere, postmoderne wereld. Toch slaagt regisseur Johnston erin de mooreske ironie goed te doseren en tezelfdertijd het accent op de klassieke helden uit de jaren veertig te leggen. Het gaat tenslotte doorgaans om het mysterie van een man in een masker, om de creatie van Joe Simon en Jack Kirby. Zoals Gerard Jones schrijft in Men of Tomorrow: 'Verhalen over geheime identiteiten vonden weerklank bij de kinderen van joodse immigranten, want ze lieten zien dat je juist door het dragen van een masker een Amerikaan kon zijn, een Moderne burger, een seculaire consument. En toch was je nog altijd deel van een eeuwenoude gemeenschap, een schakel in een ketting, en je was veilig in een groep die je geheim kende.’

Wie kon beter deze getransformeerde, 'ondervoede kinderen uit de getto’s’ tekenen dan Jack 'King’ Kirby, wiens werk geen dubieuze ophemeling van bovenmenselijkheid representeerde, aldus Jones, maar een viering van het mannelijke lichaam, compleet met zweet en spieren en doorspekt met 'barbaars genot’.

Dat is ook een mooie beschrijving van Johnstons film: een puur geëngageerd, menselijk werk over de ontwijkende betekenis van het motief 'identiteit’. Want als de volmaakte immigrant slaagt juist Cap erin 'identiteit’ opnieuw in te vullen. Jones: ’(…) de vermoeide overlevende van de Oude Wereld herboren als de nieuwe, vechtende jood door middel van de Amerikaanse smeltkroes van vrijheid en geweld’.

Nu te zien