Robbert Dijkgraaf hoopt op betere tijden

Getrimde wetenschap

Robbert Dijkgraaf maakt zich zorgen over de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland. ‘Een stevig innovatiebeleid is onmisbaar.’

HET ROMMELT op de Nederlandse universiteiten. Toen het kabinet-Rutte in maart zijn bezuinigingsplannen op onderzoek en onderwijs bekendmaakte, trokken de Nederlandse hoogleraren in cortège naar het Binnenhof. Studenten vrezen een ‘langstudeerboete’ die ze vanaf 2012 gaan betalen als ze meer dan een jaar uitlopen. De Vereniging van Universiteiten (VSNU) kwam met sombere cijfers voor het wetenschappelijk personeel. Zij rekende uit dat er in totaal vijfduizend arbeidsplaatsen zullen verdwijnen aan de universiteiten. Met name de aanwas van jonge onderzoekers komt in het gedrang.
Dit soort problemen houden ook Robbert Dijkgraaf, president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), bezig. 'Er wordt weleens gesproken over “dor hout” aan de universiteiten, maar dat zit er echt niet meer bij. De Nederlandse wetenschap is behoorlijk getrimd. Bezuinigingen gaan dus invloed hebben op de kwaliteit van het onderzoek’, zegt Dijkgraaf in de monumentale bestuurskamer van het Trippenhuis aan de Amsterdamse Kloveniersburgwal. Een gesprek over de opkomst van Azië, de waarde van wetenschap en de visie van het kabinet-Rutte op onderzoek en innovatie.
Dit kabinet bezuinigt netto op wetenschappelijk onderzoek. De hamvraag is: blijft de sterke positie van de Nederlandse universiteiten gehandhaafd bij ongewijzigd beleid?
'Nee, natuurlijk niet. Andere landen trappen op het gaspedaal en zullen ons voorbijstreven. Sommige zijn bezig met een inhaalrace, zoals China. Andere verbeteren hun voorsprong. Duitsland en Denemarken zijn een goed voorbeeld. Die twee landen zitten economisch in een vergelijkbare situatie, maar toch zorgen ze ervoor dat het wetenschappelijk onderzoek blijft groeien. Dan vraag ik me af: waarom kan dat hier niet? Nederland is kwalitatief een groot wetenschappelijk land. We zijn tweede in de wereld als het gaat om productiviteit per wetenschapper en in absolute getallen staan we negende in de wereldwijde citatie-index. Maar behalve je tuintje aanharken, moet je er ook af en toe mest op gooien. En daar komen we niet of nauwelijks meer aan toe. Dat vertaalt zich uiteindelijk ook in de resultaten. Het wordt dunnetjes.’
Ter illustratie vertelt de KNAW-president over de Internationale Wiskunde Olympiade voor middelbare scholieren die onlangs in Nederland werd gehouden. 'China eindigde op de eerste plaats, met een team van zes, gekozen uit 1,5 miljoen kandidaten. Tweede werden de Verenigde Staten, derde was Singapore. Het Nederlandse team eindigde op plaats 28. Maar dat was wel de beste score in lange tijd. Veelzeggend als je weet dat stimulerend onderwijs met aandacht voor talentontwikkeling de basis vormt voor de bloei van wetenschap’, aldus Dijkgraaf, die zichzelf als 'een geboren optimist’ omschrijft.

OP DE DAG van ons gesprek is Dijkgraaf bezig een reis naar China voor te bereiden. Hij maakt deel uit van een delegatie die samen met de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een onderzoeksovereenkomst gaat sluiten met een aantal Chinese partners. Het bewijs dat de wetenschappelijke toekomst in het Verre Oosten ligt? Dijkgraaf meent van wel. 'Men is wel eens sceptisch over de groei van China, maar ga daar kijken en je ziet de ontwikkeling. Zowel de wetenschappelijke kwaliteit als de kwantiteit groeit enorm. Eerst draaide het in China vooral om technologische ontwikkelingen, maar inmiddels leggen Chinese onderzoekers zich ook toe op de theoretische fundamenten van de wetenschap.’
Kan Nederland überhaupt de competitie met reuzen als China en de VS aangaan?
'Je moet natuurlijk wel kijken naar de schaal van een land. China, een land met 1,3 miljard mensen, is bezig twee echte topuniversiteiten te ontwikkelen, Tsinghua University en Peking University. Ze kiezen voor een concentratie van talent. Datzelfde zie je in de Verenigde Staten. Kleinere landen, zoals Nederland en ook de Scandinavische landen, zijn beter te vergelijken met stedelijke regio’s binnen die grotere landen. Wat dat betreft zitten we in een luxe positie. We kunnen de gemiddelde kwaliteit van de universiteiten hoog houden én meedoen aan die internationale markt. We hebben dertien onderzoeksuniversiteiten die in kwaliteit erg op elkaar lijken. Het is ondenkbaar om er één aan te wijzen als topuniversiteit, en de rest te degraderen. Dat zou een enorme verkwisting van kennis en traditie zijn.’
Sijbolt Noorda, voorzitter van de VSNU, zegt: Nederland dreigt af te glijden tot een tweederangs onderzoeksland.
'Nogmaals, de kwaliteit van de mensen die de huidige Nederlandse wetenschap vertegenwoordigen, is hoog. Maar het is heel demotiverend dat onderzoekers desondanks in een moeilijke positie terecht zijn gekomen. Ik geloof in de kracht van de Nederlandse wetenschap, maar als ik praat met wetenschappers hoor ik veel sombere verhalen. Die komen niet alleen van decanen of van bestuursvoorzitters, maar juist ook van de onderzoekers zelf. En dan gaat het niet eens zozeer over hun eigen positie, maar over de toekomst. Voor de volgende generatie lijken er steeds minder vooruitzichten te komen.’
Dus als u met de staatssecretaris in het vliegtuig naar China zit, zegt u: er moet meer geld bij, anders helpen we ons wetenschappelijke klimaat om zeep.
'Ja, maar dit kabinet heeft gezegd: we zitten in een economische crisis en dat betekent dat we scherp moeten bezuinigen. Met dat uitgangspunt is het al heel wat als de onderzoeksbudgetten niet gekort worden. Je kunt ook beargumenteren dat we de opbrengsten op lange termijn in het oog moeten houden. Nederland moet het echt hebben van wetenschappelijk onderzoek, niet van ruwe grondstoffen of van goedkope handarbeid. Dus als het politiek weer denkbaar is om extra investeringen te doen, dan zou ik zeggen: kies voor investeren in onderwijs over de volle breedte, in onderzoek en innovatie.’
Ik zou zeggen: er klopt iets niet aan de bezuinigingslogica. Investeren in onderwijs en wetenschap levert juist geld op.
'De korte termijn en lange termijn moeten met elkaar in balans worden gebracht. Het kabinet kiest ervoor om vooral te laten zien dat we op een verstandige manier met ons geld kunnen omgaan. Dat is een politieke afweging. Ik heb echt wel begrip voor het idee dat de staatsfinanciën op orde moeten worden gebracht, maar voor de lange termijn mag het ambitieniveau echt wel een paar stappen hoger. Nederlandse wetenschappers verdienen dat.’

EEN VAN DE manieren waarop het kabinet-Rutte wetenschappelijk onderzoek toch wat leven probeert in te blazen, is door het aanwijzen van zogenaamde 'topsectoren’. Tien onderzoeksgebieden, zoals de chemie en de hightech industrie, worden ruimer gesubsidieerd op voorwaarde dat bedrijven en onderzoeksinstellingen nauwer gaan samenwerken. In een gezamenlijke reactie toonden de KNAW, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek en de VSNU zich voorzichtig enthousiast over de plannen. Ze onderschrijven het belang van onderwijs en onderzoek om de topsectoren, en daarmee de Nederlandse economie, te versterken. Tegelijk kraakten de drie wetenschappelijke organisaties een harde noot over de financiering. De 1,5 miljard euro die de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie toezegde, was sowieso al gereserveerd voor het stimuleren van de kenniseconomie. Een sigaar uit eigen doos, kortom.
Toch wil Dijkgraaf de topsectoren een kans geven. 'Er wordt te gemakkelijk gedacht: als ik maar investeer in wetenschap komt die bedrijvigheid vanzelf wel. Nee, je moet een klimaat krijgen waarbij mensen nieuwe ideeën daadwerkelijk in bedrijvigheid en diensten gaan omzetten. Daarom is het belangrijk dat er een vruchtbare uitwisseling is tussen de wetenschap en het bedrijfsleven. Dat heeft aandacht en geld nodig. Het is een misvatting dat de kennisontwikkeling in het bedrijfsleven alleen door het bedrijfsleven zelf gedragen kan worden. De eerste stappen richting financieel rendement zijn vaak heel kwetsbaar. Een stevig innovatiebeleid is daarom onmisbaar.’
Maar de onderzoeksgroep oude geschiedenis, om een voorbeeld te nemen, is daar weinig mee geholpen.
'Helemaal mee eens. Wat we zien is dat we in de wetenschap al jarenlang de winkel proberen open te houden met hetzelfde budget. Nederland heeft als enig Europees land de afgelopen jaren nul procent groei gehad. En nogmaals, er zijn landen waar het er echt anders aan toegaat. Dat is lastig. Gelukkig komt er met Europese fondsen af en toe wat ruimte. Maar we moeten ook vaststellen dat de enige bronnen voor extra financiering, zoals de aardgasbaten, nu net de programma’s zijn die worden stopgezet. Het dreigt daarom de komende jaren echt minder te worden.’
Uw collega’s van De Jonge Akademie maken zich zorgen over de bekostiging van fundamenteel, ongebonden onderzoek.
'Die zorgen zijn heel invoelbaar. Die heb ik zelf ook geuit. Het beeld dat ik gebruik: we hebben een glanzende auto van de wetenschap, met weinig benzine in de tank. En we hebben een andere auto, die wat rammelt. Dat is de innovatie. We moeten niet onderdelen uit de ene auto gaan slopen om de andere beter te laten lopen.’
Het kabinet heeft zijn visie op innovatie verpakt in een slogan: 'Kennis, kunde, kassa.’ Werkt de wetenschap zo?
'Nee, zo lineair werkt dat niet. De wegen van de wetenschap zijn redelijk ondoorgrondelijk. We weten dat onderzoek tot grote doorbraken en veranderingen kan leiden, maar dat gaat soms met een omweg. Je kunt er wel een euro in doen, maar het is soms lang wachten voordat de kassa gaat rinkelen. En soms gebeurt dat op een heel andere plek dan je verwacht. Uiteindelijk is de ultieme rechtvaardiging voor investeren in wetenschap dat het onze samenleving verandert en verbetert. Het leidt tot meer productiviteit en hoger welzijn. Daar hoort ook een belangrijke culturele component bij: het begrijpen van de wereld waarin je leeft.’
Staat het hele idee 'rendement’ niet op gespannen voet met de aard van de wetenschap?
'Hangt ervan af wat je onder rendement verstaat. Rendement wordt vaak rechtstreeks vertaald naar technologie, naar toepassingen vanuit de natuurwetenschappen. Maar die natuurwetenschappen konden mede ontstaan op basis van kritische bijbelstudies uit de zestiende eeuw. Wetenschap is daarnaast ook een sociale motor. Honderd jaar geleden zou ik nooit op deze positie zijn gekomen omdat ik niet uit de goede familie kom, bijvoorbeeld. Kennis verandert ook individuele levens. Dat hoeven we al die jonge Chinezen niet uit te leggen. Kennis hebben van historische wortels, inzichten in waar de samenleving naartoe gaat. Dat zie ik allemaal als rendement van de wetenschap.’
Samengevat: zowel van binnenuit als van buitenaf staat de Nederlandse wetenschap onder druk. Wat is uw strategie?
'Ik gebruik graag de uitspraak friendraising before fundraising. Het begint en eindigt met een breed gedragen gevoel voor de waarde van wetenschap. Daar zit een opvoedkundige kant aan. In deze tijd, waarin het gezag van de wetenschap minder vanzelfsprekend is, moeten we het belang van wetenschap meer en meer etaleren. We stoppen veel creativiteit in het onderzoek. De vraag is: stoppen we dezelfde creativiteit in het presenteren van de resultaten aan een breder publiek? Wat mij betreft kan dat wel wat beter. De wereld wordt bedreigd door klimaatverandering, door gezondheidsproblemen, door voedselproblematiek. Het is geen vanzelfsprekendheid dat we straks met negen miljard mensen op aangename wijze kunnen samenleven. De boodschap naar de samenleving is dat wetenschap, kennis en technologie een cruciale rol spelen om antwoorden te vinden op fundamentele vragen rond onze toekomst.’

IS DIT KABINET een vriend van de wetenschap?
(Dijkgraaf lacht) 'Ik denk dat er mooie woorden zijn gesproken over het belang van kennis en innovatie. Maar uiteindelijk moet ik nog zien wat de concrete maatregelen zijn. We leven nog steeds een beetje in onzekerheid. De komende maanden zullen uitwijzen waar we precies staan.’
We kennen het regeerakkoord. Verwacht u verrassingen?
'Dit gesprek heeft wel laten zien dat ik vooral hoop dat er geen ongelukken gebeuren. Maar een grote stap voorwaarts, daar moeten we nog een tijdje op wachten denk ik. Ik hoop op betere tijden.’