Getroebleerde cynici

WANNEER MARCUS Fabius Quintilianus aan het eind van de eerste eeuw na Christus voor studenten in de retorica een synopsis van de Griekse en Latijnse literatuur schrijft, constateert hij dat er eigenlijk maar twee Griekse geschiedschrijvers zijn die je echt moet lezen. De Athener Thoukydides is ‘gedrongen en bondig en gunt zichzelf geen rust’, de uit West-Turkije afkomstige Herodotos is ‘innemend, transparant en vloeiend. In het oproepen van heftige emoties is Thoukydides sterker, terwijl Herodotos de ontspannen gemoedstoestanden beter beheerst. De eerste blinkt uit in redevoeringen, de laatste in dialogen, de eerste in kracht, de laatste in plezier.’

Ook de Romeinse historiografie kent volgens Quintilianus slechts twee onverbiddelijke hoogtepunten: Sallustius (zie De Groene van 8 september) is vergelijkbaar met Thoukydides, Titus Livius staat op één lijn met Herodotos. Livius’ verteltrant is buitengewoon aangenaam en transparant, in zijn redevoeringen is hij onbeschrijflijk welsprekend, zo goed zijn al zijn woorden afgestemd op de omstandigheden en karakters. Geen geschiedschrijver heeft met meer succes emoties bespeeld, vooral de prettige. Zo heeft hij met kwaliteiten die ongeveer het tegendeel vormen, de onsterfelijke vaart van Sallustius weten te evenaren.’
DAT QUINTILIANUS om de vier auteurs te beoordelen geen historische, maar puur literaire criteria hanteerde, ligt niet uitsluitend aan het feit dat zijn lezerspubliek uit redenaars bestond. In de Oudheid gold historiografie als literatuur, niet als harde wetenschap. Het zal een lezer van Thoukydides weliswaar niet koud gelaten hebben of hem feit dan wel fictie werd voorgeschoteld, toch was hij in de allereerste plaats geïnteresseerd in de dramatische opbouw van het verhaal, in de karaktertekening van de personages en in de stijl.
Toen Cornelius Tacitus (ca. 56-120) in het jaar 98 zijn eerste werk publiceerde, was Quintilianus al overleden. Het is jammer dat we niet weten hoe de grote retor op dit nieuwe fenomeen gereageerd zou hebben, want vreemder proza dan dat van Tacitus is in de gehele klassieke Oudheid niet geschreven. Vijf van zijn werken zijn in meer of minder geschonden staat tot ons gekomen, maar voor de meeste lezers blijft hij toch vooral de schrijver van de Annales, Jaarboeken of Kronieken. Van de zestien hoofdstukken (‘boeken’) zijn er in de achterlijke Middeleeuwen vijf zoekgemaakt, iets waarover ik me nog steeds mateloos kan opwinden. Dat slecht opgeleide christenhonden met de Annales niet uit de voeten konden, is overigens niet helemaal onbegrijpelijk, want Tacitus’ proza is niet alleen vreemd, maar ook heel erg moeilijk.
De eerste zes boeken, die de jaren beschrijven waarin keizer Tiberius aan de macht was (14-37), zijn door de Groningse oud-historicus M.A. Wes in een fraaie editie vertaald, toegelicht en uitvoerig ingeleid. De tweede helft, waarin de keizers Claudius en Nero optreden, zal later verschijnen.
Tiberius was in 42 voor Christus geboren als eerste zoon van de republikeinse politicus Claudianus en diens vrouw Livia, die pas zestien jaar oud was. Drie jaar later werd de nieuwe machthebber Octavianus (de latere keizer Augustus) smoorverliefd op Livia, die hij, zwanger van haar tweede kind, zonder scrupules zijn hol insleepte. Zo groeide Tiberius op als stiefzoon van de bloeddorstige, maar geniale dictator, zonder overigens voor diens opvolging in aanmerking te komen, omdat Augustus uit een eerder huwelijk een dochter had die hem van kleinzoons moest voorzien.
Deze Julia baarde inderdaad drie jongens, van wie er één een niet al te slimme driftkop was, terwijl de twee andere jong overleden. Toen Julia, die uit alle bronnen als een valse bitch naar voren komt, in 12 voor Christus weduwe werd, dwong Augustus Tiberius, toch al niet het zonnetje in huis, van zijn geliefde Vipsania te scheiden en met zijn stiefzuster te trouwen.
Dat huwelijk werd een verschrikking. Na zes jaar trok Tiberius zich uit het openbare leven terug om op het eiland Rhodos te gaan studeren. Tien jaar later werd hij alsnog tot opvolger van zijn stiefvader aangewezen, niet omdat Augustus hem zo graag mocht, maar omdat de andere kandidaten of al dood, of nog te jong waren. Augustus stelde wel de eis dat Tiberius zijn immens populaire neef Germanicus als zoon zou adopteren. Kennelijk hoopte de keizer dat Tiberius, die afgezien van dermatologische problemen een ijzeren gezondheid had, vroeg zou overlijden, zodat Germanicus de fakkel kon overnemen.
Daarin vergiste Augustus zich. Toen hij in het jaar 14 overleed, nam de door en door gefrustreerde Tiberius met grote tegenzin de macht over, die hij echter bijna een kwart eeuw in handen zou houden. Het eerste wat hij deed, was de enige nog levende kleinzoon van Augustus vermoorden. Vijf jaar later overleed Germanicus onder uiterst verdachte omstandigheden. Dat betekende niet dat Tiberius nu het rijk alleen had, want tot zijn grote ergernis bemoeide zijn bazige moeder zich met alles.
VANAF HET JAAR 23 begon de sluwe militair Seianus invloed op Tiberius te krijgen. Tacitus beschrijft de opkomst van Tiberius’ kwade genius, die met zijn veelzijdige vaardigheden Tiberius dermate aan zich wist te binden, dat hij deze tegenover anderen zo gesloten man ertoe wist te bewerken alleen tegenover hem zijn reserves te laten varen en zich bloot te geven.
Deze gewetenloze schurk besluit eerst de argeloze kroonprins Drusus uit de weg te ruimen. Om toegang tot diens huis te krijgen verleidt hij niet alleen Drusus’ vrouw, maar ook diens lievelingseunuch. Wanneer de tijd rijp is, wordt Drusus een geleidelijk werkend vergif toegediend, zodat zijn dood natuurlijk lijkt. Na Drusus’ dood duurt het nog jaren voordat Tiberius in de gaten krijgt wat Seianus werkelijk van plan is. In 31 wordt de intrigant ontmaskerd en ter dood veroordeeld. Tiberius, die zich overigens al in het jaar 26 op het eiland Capri had teruggetrokken, waar hij zich aan onsmakelijke uitspattingen overgaf, regeerde daarna, op afstand, nog zes jaar.
HET WERD HOOG TIJD dat dit psychologisch meesterwerk in een vlotte vertaling beschikbaar kwam. De vermaarde versie van J.W. Meijer uit 1959 was echt verouderd, bovendien heeft de geschiedwetenschap de afgelopen decennia niet stilgestaan.
Wes’ inleiding bevat veel informatie die ook voor menige classicus nieuw zal zijn. Opmerkelijk is dat Wes met geen woord rept over de dramatische structuur van de Annalen, nog opmerkelijker dat hij helemaal niets zegt over Tacitus’ tamelijk gestoorde stijl, en dus ook niets over de manier waarop hij die in het Nederlands heeft willen weergeven. Omdat vrijwel iedere alinea interpretatieproblemen oplevert, is het ontbreken van zo'n verantwoording een serieuze omissie.
Persoonlijk bijt ik graag mijn tanden stuk op de weerbarstigheid van Tacitus’ grimmige Latijn. Wie daarvoor geen geduld heeft, maar zich toch in de zieke geest van Tiberius wil verdiepen, moet onmiddellijk dit boek kopen.