Reportage uit Treme-stad New Orleans

Getting it right

Nu op dvd verschenen: Treme, van de makers van The Wire, over New Orleans ten tijde van orkaan Katrina. In een achterafstraatje downtown New Orleans zetelt scriptschrijver Lolis Eric Elie. ‘Bij HBO hoef je de dingen niet te simplificeren.’

‘THERE’S HONOUR left on Bourbon Street.’ Wanneer je overdag door Bourbon Street loopt, de bekendste uitgaansstraat van New Orleans, en misschien wel van de hele VS, zie je ze her en der sjokken: de jongens en de meisjes. Amerikaanse studenten zien er doorgaans uit als soldaten op verlof, kortgeschoren haar, hoekig gezicht, vormeloos T-shirt. De meisjes zijn blond en zongebruind en dragen korte broeken. Ze hebben iets verveelds, iets nep-onschuldigs. Ze doen aan Natalee Holloway denken.
Elk weekend stroomt Bourbon Street vol met jongeren uit het hele land. Er zijn talloze barretjes waar je voor een dollar een shotje tequila kunt krijgen en er zijn stripclubs, de Hustler, de Lipstickxx, waar het ene na het andere brallerige vrijgezellenfeestje aanschuift. Op straat flashen meisjes naar jongens en krijgen daarvoor als bedankje een kralenketting, die je zo ongeveer per kilo bij elke toeristenshop kunt kopen. Wie de meeste kettingen krijgt wint, al blijft de vraag wat je precies wint onbeantwoord (een soa, vermoedelijk). Agenten staan op elke straathoek, maar grijpen niet in. Openbare dronkenschap, naaktlopen - in Bourbon Street is het toegestaan.
Maar als je overdag over Bourbon Street loopt, ruikt het er vooral naar verschaalde kots. In deze straat belandt trombonespeler Antoine Batiste, misschien het meest onweerstaanbare personage uit Treme, de HBO-serie van de The Wire-makers David Simon en Eric Overmeyer, over New Orleans in de maanden na orkaan Katrina. Batiste probeert een inkomen bij elkaar te blazen, terwijl hij breed lachend allerlei taxichauffeurs half oplicht - die dat even lachend accepteren, omdat hij het is - en allerlei vriendinnetjes voor zijn vrouw geheim probeert te houden.
Er valt best nog wat eer te behalen op Bourbon Street, zeggen zijn collega’s troostend tegen hem, als hij nooddruftig optredens aanneemt in de ordinaire zuipsaloons. Maar Batiste (gespeeld door New Orleaniaan Wendell Pierce, bekend als detective Bunk in The Wire) weet beter, hij probeert zijn trombone half onder zijn jas te verschuilen als hij over straat loopt. Hij weet, zoals alle personages in Treme dat weten, dat Bourbon Street niet het echte New Orleans is: het echte New Orleans is Tremé (met accent), de zwarte wijk waar alle jazzlegendes vandaan komen, een arbeiderswijk waar je als toerist niet zo veel te zoeken hebt, tenzij je de juiste adresjes weet.
In de serie Treme ouwehoeren twee personages continu over wat 'echt’ New Orleans is en wat niet, alsof ze een redactioneel commentaar bij hun eigen levens geven. David MacAlary (Steve Zahn) is een wiet rokende, muziekverslaafde radiodeejay die de cultuur van New Orleans in zijn totaliteit omhelst; Creighton Bernette (John Goodman) is de professionele New Orleaniaan, de geschiedenisprofessor die werkt aan een moloch van een roman over de overstroming van 1927 en die een hit op internet wordt met video rants tegen de regering-Bush.
Het zijn de blanke personages, zoals Bernette en MacAlary, die de uniciteit van New Orleans inzien; zoals straatmuzikanten Annie & Sonny (gespeeld door Michiel Huisman, in Nederland hoofdzakelijk bekend van publieksfilms; ik stond te kijken van zijn spel in Treme, als een verslaafde jongen die op zijn uiterlijk moet scoren omdat hij op muzikaal gebied tekortschiet), die in de toeristische straten de makkelijke liedjes spelen omdat de toeristen die willen horen. De zwarte personages zien die abstractie niet. Ze ondergaan de cultuur, het is hun leven. Ze spelen jazz zoals kinderen in Nederland sinterklaasliedjes kennen, ze kennen alle varianten en improviseren naar hartelust. Niemand eet hamburgers, iedereen eet po'boys en battered gumbo’s. Als Treme één ding is, dan is het een viering van de geest van de stad, een portret van een groep burgers die zich vastgrijpen in hun eigen cultuur om zo het leven weer op te bouwen.
Ter verdediging van het toeristische French Quarter: Bourbon Street is overdag prachtig, de oude huizen zijn gebouwd in een unieke Frans koloniale stijl. En zodra je één straat parallel aan Bourbon Street loopt, kom je langs de ene geweldige antiekzaak na de volgende (oké: vreselijk kitscherige) galerie. Ondraaglijk hippe jongeren - opgerolde broekspijpen, shirts zonder kraag, tweed vest, geruite sokken, newsboy-petjes - zitten op straat en spelen het uitgebreide New Orleans-repertoire. Zowel Hemingway als Faulkner woonde hier een tijdje, Tennessee Williams schreef hier A Streetcar Named Desire en de parel in de aanzienlijke verzameling boekwinkels is de Faulkner House Bookstore, een van de mooiste boekwinkels waar ik ooit ben geweest, een aanslag op het banksaldo van iedereen die een zwak heeft voor eerste drukken.
Hier volgen meteen nog een aantal toeristenopmerkingen over New Orleans: de straten zijn schoon en pittoresk, in het centrum is nauwelijks sprake van filialisering (de grote winkelketens die andere steden domineren zie je hier niet), de mensen zijn ontspannen, beleefd, overal klinkt muziek en bij vrijwel elk cafeetje kun je moddervette maar heerlijke po'boys, eten, poor boys, overdreven dik belegde warme broodjes.

AAN DE RAND van het zakendistrict, in het hart van de stad (New Orleans heeft een van de grootste congrescentra van de VS) bevindt zich het plaatselijke kantoor van HBO. Het is gevestigd in een onopvallend kantoorpand in een straatje achteraf. Twee geüniformeerde bewakers vragen als je binnenkomt je naam en sturen je door lange, grauwe gangen waar niets aan de muur hangt. Als je met de lift bij de verdieping van HBO komt, wordt de omgeving ook niet glamorous. Lage plafonds, oude meubels. Alleen de mensen zijn jong. Er wordt gelachen. Een meisje hangt verbouwereerd de telefoon op en zegt tegen haar bureaugenoot: 'Je zou geen betere schurk kunnen verzinnen. That mayor is sooo fucking evil.’
Het is de researchafdeling, zegt Lolis Eric Elie, een van de belangrijkste scriptschrijvers van de serie - die houden zich het meest bezig met de ruwe realiteit.
Elie is een vriendelijke man met een zachte stem en een paar vleugjes grijs in zijn donkere haar. Hij groeide op in New Orleans (hij zat bij Wendell Pierce in de klas), zijn vader is een bekende burgerrechtenadvocaat. Na zijn studie journalistiek aan Columbia University in New York werkte hij een tijdje als road manager voor een jazzband, voordat hij columnist werd bij The Times-Picayune, de regionale krant die een Pulitzer won voor zijn verslaggeving tijdens en na Katrina. Elie schreef en regisseerde een documentaire, Fauburg Tremé: The Untold Story of Black New Orleans, over de wijk Tremé. De documentaire viel David Simon en Eric Overmeyer op. Met tv-series had Elie, behalve als kijker, geen enkele ervaring toen Simon en Overmeyer hem benaderden om mee te denken over een dramaserie over New Orleans: 'Maar dat maakte David en Eric niets uit. Zij hebben de filosofie dat het makkelijker is om mensen die iets weten van de stad iets over televisie te leren, dan andersom.’
Simon en Overmeyer gaven hem het script van de pilot en vroegen hem het van commentaar te voorzien. Er werd heen en weer gemaild, veel gebeld, 'kijk maar of je ook eens een script zou willen schrijven, als je zin hebt’, en zonder dat een van de partijen het verlangen hardop uitsprak werd Elie’s naam toegevoegd aan het scriptschrijversteam. 'De producers bepalen de parameters van het verhaal voor dat seizoen, en dan is het aan ons om dat verhaal in te vullen. Antoine Batiste wil een band beginnen; dan moet hij in aflevering één op het idee komen, in aflevering twee wat muzikanten bij elkaar scharrelen, in aflevering drie repeteren en in aflevering vier voor het eerst een optreden hebben.’
Het is een heerlijke verhaallijn: de vrijbuiter Antoine Batiste, met zijn dikke buik en zijn hese lachje, die nooit eens niet in de spotlights kan staan, moet ineens zijn vrienden en collega’s discipline opleggen. Het is nog eens een excuus voor de makers om wat extra muziek in de serie te stoppen. Elie: 'Mensen zeggen wel eens dat ze de muziekscènes doorspoelen, omdat het afleidt van waar de show om draait. Maar de muziek, daar draait het juist om, dat is de kern.’
Het is eigenlijk heel simpel, zo'n plot uitwerken. Waar de echte tijd in gaat zitten is de achtergrondruis, zegt Elie. 'Vlak voordat de eerste aflevering op tv kwam, schreef Simon een artikel in The Times-Picayune waarin hij de lezers van New Orleans voorhield: “Mijn belangrijkste doel is getting it right.” Dan is de achtergrond essentieel, niet alleen hoe mensen eruitzien, maar ook hoe ze praten, waar ze elkaar treffen, noem maar op. We hebben twee research-assistenten die fulltime met de overheid bellen, onderzoek doen naar hoe de politie, de pro bono-advocaten, de jeugdinstellingen en de ziekenhuizen te werk gaan.’

Hij snapt dat Treme gemaakt wordt in de schaduw van het legendarische The Wire, dat nu al gezien wordt als een van de absolute hoogtepunten van alle tv-series ooit - maar daar is hij niet bang voor. 'Sowieso geeft HBO televisiemakers een unieke kans. Omdat je er als kijker op geabonneerd moet zijn, hoeven de verschillende series niet met elkaar te concurreren. Dat betekent dat je niet van cliffhanger naar cliffhanger hoeft te gaan om de kijker vast te houden. Je hoeft de dingen niet te simplificeren, niet haastig af te maken. We kunnen onze thema’s en onderwerpen uitdiepen. En dat werkt. When you’re not speaking too loudly, people will listen more carefully.’
Toch moet Treme niet gezien worden als een New Orleans-pendant van The Wire. Die show was uiteindelijk wat je een procedural noemt; de plot komt tot stand doordat je de procedures en werkzaamheden van de politie en de drugsdealers volgt. Treme heeft een paar procedurals (het opsporingswerk van de optimistische, breekbare advocate Toni Creighton, gespeeld door Melissa Leo die dit jaar een Oscar won voor haar bijrol in The Fighter), maar uiteindelijk leer je de personages kennen door hun dagelijkse leven, hun ad hoc beslissingen, hun onderlinge contacten. De meerwaarde van The Wire was dat het bereik van de procedures werden opgerekt, van de misdaad naar de lokale politiek en de journalistiek. Iets soortgelijks lijkt in Treme te gebeuren. Waar het eerste seizoen gaat over muzikanten, koks, leraren, bareigenaren (Elie: 'We wilden dit verhaal bottom-up vertellen’), komen in het tweede seizoen ook de hogere echelons in beeld, zoals de grotere projectontwikkelaars. Een van hen maakt precies de Naomi Klein-Shock Doctrine-achtige opmerking waar zoveel personages voor vrezen: 'De stad is grotendeels vernietigd. Dit is een unieke kans hem op te bouwen zoals wij willen.’
Lolis Eric Elie: 'Wat essentieel is om New Orleans te begrijpen, is dat de stad continu vecht tegen zijn eigen cultuur. Dat is deels racisme en deels politiek. Politici proberen al honderd jaar de stad te maken als andere steden, efficiënter, commerciëler, zodat het economisch aantrekkelijker wordt. En voor de blanke ruling class was het altijd pijnlijk dat New Orleans beroemd en geliefd was om zijn zwarte cultuur. Nog steeds. Veel inwoners vertrouwen het niet dat toen de arme wijken wegens Katrina moesten evacueren, niet is geregistreerd waar ze naartoe vertrokken, en dat veel zwarte wijken tot op de dag van vandaag niet heropend zijn. Hele wijken staan leeg, te verrotten.’
Van het racisme heeft hij een duidelijk voorbeeld: 'De staat Louisiana mocht een aantal jaren terug zelf een gezicht aandragen voor de kopzijde van een kwartje. Ik schreef in een column dat we Louis Armstrong moesten voordragen. Onze bekendste burger, iemand die de jazz volledig vernieuwde, die ongelooflijk veel heeft betekend voor zwarte burgerrechten. Ik heb nog nooit zoveel boze brieven gehad. Jazz zou geen kunst zijn maar slechts improvisatie, die niet eens in serieuze concertzalen wordt gespeeld.’

TIJDENS ons gesprek komt Eric Overmeyer binnen. Hij is in New Orleans om de puntjes op de i te zetten van het script van de eerste aflevering van seizoen drie. Hij is klein, met een rond buikje. Hij is bijna kaal en draagt zijn resterende grijze haar in een staartje. Een soort Youp van ’t Hek, met een gezichtsuitdrukking alsof-ie iets geks ruikt. Hij werkte als scriptschrijver aan The Wire en hij was het die David Simon aanspoorde om mee te denken over een serie over post-Katrina New Orleans.
Aan de muur hangt een plattegrond van de stad met vlaggetjes erin geprikt op plekken waar de personages wonen en waar hun scènes opgenomen moeten worden. Overmeyer is op zoek naar Albert Lambreaux, de 'Big Chief’ van de Mardi Gras Indians die in seizoen twee gedwongen wordt zijn huis te verlaten en in opstand komt. Lambreaux (gespeeld door The Wire-veteraan Clarke Peters, een man met een gezicht strak als een inheems masker) is trots, moedig, stoïcijns in zijn afzien als een heilige - en tegelijk broeit er iets in hem, wat tot uiting komt als iemand hem van zijn gereedschap berooft, hij de dief opspoort en op een haar na doodslaat met een inbussleutel.
Overmeyer wil weten wat ik van de serie vind. Kan ik het volgen? Had ik bijvoorbeeld wel eens van de Indians gehoord? Never, zeg ik. Hij lacht: 'Er zijn volop mensen in New Orleans, zelfs zwarten, die ze nog nooit gezien hebben. Die denken dat ze een mythe zijn. Niet lang geleden kwam er een vrouw op me af, ze woonde al haar hele leven in New Orleans, en pas in Treme zag ze voor het eerst Indians, zei ze.’
De Indians zijn Afro-Amerikanen die het hele jaar zitten te naaien aan felgekleurde, rijk uitgevoerde kostuums die het midden houden tussen de verentooien van opperhoofden en de pluimage van Las Vegas-showgirls (onrespectvol gezegd). In de eerste aflevering, als Big Chief Lambreaux een van zijn 'clanleden’ wil imponeren om hem te helpen met de wederopbouw van zijn kroeg, verschijnt hij ’s nachts zingend voor zijn huis, dansend in vol ornaat, als een kanariegele kip van driehonderd kilo.
Gek genoeg blijken deze clans (die in het carnavalseizoen parades houden in de zwarte wijken) in de serie steeds aanvaringen te hebben met de politie. Overmeyer: 'Het gaat terug naar de tijd van de slavernij toen zwarten in New Orleans geholpen werden door indianen. De vrije slaven ging zich kleden zoals zij, namen tradities over. Halverwege de twintigste eeuw gingen de clans zich steeds meer als bendes gedragen en eindigden hun parades steeds vaker in gevechten onderling en met de politie. Carnaval was de dag waarop ze rekeningen vereffenden. Pas de laatste tien jaar neemt dat af, nu de focus meer op de kostuums komt te liggen. Je vecht niet zo lekker in vijftien kilo veren.’

DE BESTE VRIEND van de luie journalist is de taxichauffeur, een beroepsgroep die als geen ander de stad kent. Niet alleen de geografie, maar ook de mensen - hun passagiers. Doorgaans een beroepsgroep met een mening, die je in de onvermijdelijke ritjes zo gepresenteerd krijgt, klaar om geciteerd te worden. In New Orleans negeren alle taxichauffeurs (in mijn bescheiden steekproef) mij volledig. Ze zitten continu te bellen (niet handsfree) terwijl ze in een taaltje praten dat Frans is maar niet helemaal. Als ik een vrouw veertig dollar aanreik voor een rit van 33 dollar, roept ze 'thank you honey’ en rijdt weg voordat ik naar wisselgeld kan vragen.
Pas op de terugweg naar het vliegveld praat een chauffeur tegen me. Hij wil maar één ding weten: 'You seen them tittie-bars, son?’ Om ervan af te zijn zeg ik dat ik Bourbon Street links heb laten liggen. Hij begrijpt er niets van.