Het smalle pad van de Marokkaan

Getto Saints

Telkens weer duiken berichten op over ontspoorde Marokkaanse jongeren. Waarom gaat het mis met zoveel jonge Marokkanen? En belangrijker: waarom gaat het met een aantal wél goed? Komende week verschijnt het boek Staatssecretaris of seriecrimineel van Paul Andersson Toussaint. Hij liep jaren rond in de Amsterdamse wijk Slotervaart, volgde stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch en probeerde te begrijpen waarom de toestand van de buurt zo somber is.

DE BEWONERS binnen de ring zien Slotervaart, Osdorp en Geuzenveld niet eens als Amsterdam. Dit zijn de buitengewesten van de republiek Amsterdam. Zelfs het weer is hier anders. Zodra je onder de ringweg door rijdt, dreigen ruk- en valwinden je uit je broek te waaien. Dan zie je meteen Overtoomse Veld liggen, waar die ringweg dwars doorheen is getrokken, vol met foeilelijke flats uit de jaren zestig met veel groen ertussen. Het zou net zo goed Heerhugowaard of Alexanderpolder kunnen wezen, dacht ik vroeger. Dat was een grote vergissing. Dit was geen Alexanderpolder of Heerhugowaard.
Op zondagmorgen 14 oktober 2007 stormde een man omstreeks half twaalf het politiebureau op het August Allebéplein in Overtoomse Veld binnen en stak onmiddellijk met een mes in op de agente die achter de balie stond. De agente probeerde weg te komen, maar de aanvaller die later bekend zou worden als de 22-jarige Bilal B. sprong over de balie, stak nog een paar keer op haar rug in en bracht haar bijna fatale verwondingen toe. Een jonge Hollandse agent die zijn collega te hulp schoot, werd eveneens gestoken en raakte zwaar gewond. De vrouwelijke agent schoot hierop Bilal B. neer, die korte tijd daarna overleed aan zijn verwondingen. Onmiddellijk startte een rechercheonderzoek. Maar het zou nog tot ’s avonds elf uur duren voordat de identiteit van de dader van de aanslag officieel was vastgesteld. De volgende middag om twaalf uur werd die tijdens een persconferentie bekendgemaakt.
Bilal B., de dader van de tweevoudige poging tot moord, woonde en groeide op in Overtoomse Veld-Noord en was van Nederlands-Marokkaanse afkomst. Later bleek dat hij in de Valeriuskliniek in Amsterdam al enige tijd onder behandeling was voor schizofrenie. Bilal B. was een aantal malen veroordeeld voor gewelds- en vermogensmisdrijven en zat verschillende keren een gevangenisstraf uit.

DRIE UUR NA DE AANSLAG ben ik op het Allebéplein. De omgeving van het politiebureau is afgezet met rood-witte linten. De ingang van het bureau wordt aan het zicht onttrokken door zwarte schermen. In de directe omgeving staan tientallen agenten. Een half dozijn reportagewagens en cameraploegen staat paraat. Daarnaast scharrelen er ook veel schrijvende journalisten rond op zoek naar snippertjes nieuws. Tientallen buurtbewoners en ook een hele groep Marokkanen die ik ken, hangen rond bij de plaats delict. De sfeer is onwezenlijk. Er worden handen geschud, er wordt gebabbeld en gelachen. De oktoberzon zet het tafereel in een gouden licht.
De maandag na de aanslag was er een haastig belegde bijeenkomst in buurthuis De Atlas georganiseerd. Er waren een handjevol vrouwen en een paar ambtenaren van het stadsdeel. De zaal was verder gevuld met Marokkaanse mannen, waarvan de meerderheid boven de vijftig was en gebrekkig Nederlands sprak. Ab van Vliet, de tweede man van de politie in het district, en stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch gaven uitleg over de gebeurtenissen. Een deel van de Marokkaanse bewoners was namelijk aan het morren. ‘Waarom was Bilal B. neergeschoten? Hij was toch ongewapend? Hij had alleen maar een mes bij zich.’ Ik bezocht in totaal vier bijeenkomsten, waar ik steeds datzelfde wantrouwen tegenover de politie en het lokale bestuur zag.
Dat was ook het beeld op de vrouwenbijeenkomst in de raadszaal van het stadsdeel op 14 oktober 2007, waar zo’n vijftig Marokkaanse moeders uit de buurt aanwezig waren. Marcouch zat de bijeenkomst voor, samen met de imam uit de wijk. ‘De hele wijk is in rouw en geschokt’, zei Marcouch. ‘Daarom is het des te pijnlijker dat Marokkaanse ouders toelaten dat hun kinderen ’s avonds de ruiten ingooien van het politiebureau en auto’s in brand steken. Ons geduld is op. We tolereren niks meer.’

EEN VRAAG van een vrouw met rood hoofddoekje: ‘Wat gebeurde er vooraf? Wij hebben gehoord dat Bilal eigenlijk aangifte wilde doen van belediging?’
Marcouch: ‘Allemaal onzin.’
‘Ik heb uit betrouwbare bron vernomen’, zei een jong Marokkaans meisje, ‘dat Bilal een identiteitsbewijs op zak had. Hoe kan het dan dat de identificatie toch zo lang geduurd heeft?’
‘Wat nou betrouwbare bron?’ zei Marcouch. ‘Heb jij met een politieman gesproken die dat onderzoek verrichtte?’
‘Nee.’
Ik kende dat meisje. Ze was goed opgeleid, werkte als lerares en was actief als vrijwilligster, maar toch ging ze mee met de groepsparanoia. Ik merkte dat ze de verklaring van Marcouch gewoon niet accepteerde.
Een geheel ingepakte Marokkaanse mevrouw hield een verhaal in het Marokkaans. Ze zei onder meer: ‘We zitten hier met een aantal moeders die ook zulke zonen hebben als Bilal B. Wil de imam daarbij helpen?’ Een oudere vrouw met hoofddoek en bril zei vervolgens: ‘De jongeren worden vaak als crimineel aangesproken en dan worden ze vanzelf crimineel. Maar eigenlijk zijn die jongens heel aardig en beleefd. Waarom worden ze niet geholpen?’
‘Ik ben apetrots op een deel van de bewoners hier’, zei Marcouch, ‘Maar we hebben hier ook opslagplaatsen in de flats gevonden die vol lagen met gestolen spullen. Die ouders weten dat of kunnen dat weten. Dus die zijn medeplichtig. Die jongens zijn ’s nachts aan het zuipen en slapen overdag. Dat zien die ouders. Het gaat om een groep gewetenloze raddraaiers die straatroven en auto-inbraken plegen. Dat weten die ouders, want ze worden nog wel eens opgepakt. Deze jongens deinzen er niet voor terug om hun moeder een hengst te geven. Deze raddraaiers beperken ook de vrijheden van de fatsoenlijke en welwillende bewoners in Slotervaart. Die durven hun kinderen bijvoorbeeld niet meer op straat te laten lopen en dat pik ik gewoon niet. Ik hoor vaak ouders zeggen: “Als mijn zoon zich misdraagt, is het mijn zoon niet meer.” Dat klopt niet. Je zoon blijft altijd je zoon en je blijft altijd verantwoordelijk voor hem. We helpen al. Wij zijn het eerste stadsdeel dat ouders ondersteuning aanbiedt bij de opvoeding. Dus waar heeft u het over?’
Procesmanager Mourad Taimounti die bij de Stichting Aanpak Overlast Amsterdam (SAOA) werkt, weet hoe die mentaliteit is ontstaan: ‘Je hebt het hier over een wijk waar echt heel veel jongens het slechte pad op zijn gegaan. Een groot deel van die jongens zijn ongelooflijke leugenaars en roepen steeds dat ze onschuldig zijn opgepakt. Dat verhaal horen de bewoners vaak in de buurt en er is bij hen het beeld ontstaan dat de politie voortdurend onschuldige Marokkanen oppakt.’
Na afloop van de eerste bijeenkomst in De Atlas fietste ik met twee ambtenaren van het stadsdeel door Overtoomse Veld om te kijken naar de flat waar Bilal woonde. Tijdens onze rit zagen we tweemaal de beruchte Mondriaangroep staan, op de hoek van de Tooropstraat en de Mondriaanstraat. De overlastgroepen en criminele groepen worden door de professionals vernoemd naar de buurt of straat waar ze vandaan komen of veel rondhangen. De Mondriaangroep is een hardcore-groep die drie, vier jaar lang een groot deel van de bewoners van de Karel Klinkenbergstraat en omgeving terroriseerde, intimideerde, soms kinderen bedreigde en mishandelde en zich verder dagelijks met berovingen bezighield, onder meer op het naburige station Lelylaan. Vier jaar lang greep de politie niet in. Een paar uur later zou niet ver daar vandaan de eerste auto in de fik gaan en die avond werden de ruiten van het politiebureau ingegooid tijdens een rappe hit and run-actie van een grote groep Marokkaanse jongens uit de buurt.

OP DE DINSDAG na de aanslag hing ik weer uren rond op het Allebéplein. Ik werd door de jongens op het Allebéplein inmiddels voor hangoudere uitgemaakt. Achter de moskee op het grote grasveld waren de sportbuurtwerkers van Sciandri Sportmanagement aan het werk. Buurtjongetjes waren een potje aan het voetballen.
Een oudere Marokkaan kwam bij ons groepje op het Allebé-grasveld staan. Hij woonde in de Willem Nakkenstraat, tussen het Allebéplein en de Piet Mondriaanstraat in Overtoomse Veld-Noord. We spraken over de ‘relletjes’. De oude Marokkaan zei: ‘Ik snap niet hoe het kan gebeuren. Mijn kinderen mogen ’s avonds niet op straat komen. Ik verbied het ze gewoon.’ Deze vaders heb je hier ook, maar heel veel jongens groeien wel op straat op. De straatgroep is het tweede gezin en vervangt het echte gezin.
Een Marokkaanse jongen die erbij stond, begon tegen me te praten. Ik kende hem niet. Hij was aanvankelijk wantrouwend tegenover mij. De politie wordt hier gehaat als de duivel, maar op de haatlijst komen de journalisten direct daarna. Hij begon te reppen over de drie Mustapha’s, actieve sleutelfiguren in de buurt. Of ik die kende? En de buurtvaders? Hij kankerde over hoe waardeloos ze wel niet waren, wat voor een ongelooflijke zakkenvullers. Hij kende allemaal Marokkaanse jongens die wilden werken, maar gewoon de kans niet kregen. Hoe kon dat nou? Hij wist ook het antwoord. Ze werden gediscrimineerd. Dit soort jongens ontmoet ik hier vaak. Ze zijn achterdochtig, altijd aan het kankeren, de problemen aan het ontkennen en steken enorm veel energie in het naar beneden trekken van andere Marokkanen.
Ik vroeg hem of hij een keer uitgebreider wilde praten en of ik zijn telefoonnummer mocht hebben. ‘Nou misschien de volgende keer. Je komt me hier wel tegen.’ Ook dat was een patroon. Weinig Marokkanen wilden praten als het erop aankwam. Journalisten kon je toch niet echt vertrouwen. Die schreven toch altijd alleen negatieve verhalen en verdraaiden de werkelijkheid.

MAAR ER ZIJN OOK heel andere Marokkaanse jongens en mannen. Mourad Ezzoubaa bijvoorbeeld, een van de sportbuurtwerkers van Sciandri die daar op het voetbalveldje van het Allebéplein de sportmiddag had georganiseerd. Hij is een tengere jongeman van 28 jaar oud en met een vriendelijke oogopslag. Mourad groeide op in Marokko en verschillende buurten in Amsterdam-West. Mourad vertelde dat hij een aantal jaren én studeerde én verschillende vrijwilligersbaantjes had en daarnaast ook nog eens bij Sciandri werkte. Ik kom jongens als Mourad ook voortdurend tegen. Jongens die studeren, hard werken, vrijwilligerswerk doen, een bijna mateloze ambitie bezitten en die ongelooflijk aardig zijn.
‘Je kunt twee hoofdpaden volgen als Marokkaan’, vertelde hij. ‘Op het ene pad heb je schijt aan iedereen, omdat je vindt dat de maatschappij schijt aan jou heeft. Je leeft van dag tot dag, laat de rest stikken en je doet gewoon waar je zin in hebt en gaat misschien het criminele pad op. Op het tweede pad ga je studeren, werken aan je toekomst en je denkt in jaren.’
In het gezelschap bevond zich ook een forse Marokkaanse jongeman gekleed in een donkerbruine djellaba, die veel op een middeleeuwse monnikspij leek. Hij en Mourad kenden elkaar van de studie informatiekunde aan de universiteit. De jongeman in djellaba woonde in Overtoomse Veld, sprak perfect Nederlands en vertelde dat hij een jaar Arabisch had gestudeerd in Caïro. ‘Ik heb veel geleerd van dat jaar in Caïro. Ik merkte dat ik een enorme heimwee naar Nederland en Amsterdam had. Daar drong het besef tot me door dat ik hier hard moest studeren om wat van het leven te maken.’

SAFOAN MOHKTARI (1984) heeft net als Mourad Ezzoubaa een mateloze ambitie en inzet. Hij is rijzig en slank, heeft lichte ogen en ziet er eigenlijk nauwelijks Marokkaans uit. Safoan groeide op in stadsdeel Geuzenveld. Tijdens zijn puberteit zat hij een paar jaar in ‘een foute vriendengroep’ en dreigde hij het foute pad op te gaan. Maar nu studeert hij cultureel maatschappelijke vorming op een hbo, werkt daarnaast parttime als overblijfmeester in de naschoolse opvang en als rapdocent op middelbare scholen. Daarnaast treedt hij op als rapper onder de naam Kami-Kazi en heeft hij voorjaar 2008 zijn tweede cd uitgebracht. Bovendien runt hij de stichting 24-karaat met Moufid Farah en nog een paar andere Marokkaanse jongeren en is hij actief lid van de PVDA-jongerenraad. Hij is een zeer druk baasje en leeft met volle teugen. Als je je met positieve en leuke dingen bezighoudt, dan gaat de tijd zo snel als de BMW cabrio waar hij in rijdt.
Ik sprak Safoan Mohktari de eerste keer uitgebreid samen met zijn maat Moufid Farah (30), die beveiliger van beroep is, en onderwijzeres Meriem Ameriane (27) in een rumoerige shoarmatent aan de Bos en Lommerweg. Ze groeiden alledrie op in Geuzenveld en popelden om hun verhaal te vertellen over 24-karaat, een organisatie voor en door voornamelijk Marokkaanse jongeren die een heel ander geluid laten horen dan gebruikelijk is. Ze hebben vijfhonderd jongeren op hun mailinglijst, hun achterban. Ze organiseren debatten, alternatieve Suikerfeesten, geven sollicitatietraining, zetten modeshows op, ontwerpen internetsites. Safoan geeft Nederlandse rapcursussen. Ze zijn ook op straat actief. Toen jonge Marokkaantjes in de zomer van 2006 hun eigen school in Geuzenveld in de fik hadden gestoken, waren ze naar de jonge boeven toe gegaan: ‘Waar zijn jullie mee bezig? Hoe is het toch mogelijk dat je je eigen school en je eigen toekomst vernietigt?’ Ze zetten met die jongetjes een buurtsurveillance op.
‘We moeten die jongens uit hun slachtofferrol trekken’, zei Moufid. ‘Je moet in jezelf geloven. Wij volgen Marcouch al een tijdje. Hij slaat een harde toon aan en wij vinden dat goed.’
‘Wij likken niemands reet’, voegde Safoan eraan toe. Hij sprak als Brugman, ritmisch, ongeduldig en half rappend: ‘Je moet in de jeugd investere, anders gaat hun toekomst naar de kolere. Allochtone jongeren hebben nul komma nul belangstelling voor politiek. Wij vragen niet wat de overheid voor ons kan doen, maar wat wij zelf voor de buurt en de gemeenschap kunnen doen. We gaan binnenkort ons eigen politieke beweging opzetten en al die grijze hoofden aflossen. Stem Lijst 24-karaat! Ha, haaah…!’ Safoan brulde van het lachen.

SAFOANS LACH en aanstekelijke vrolijkheid bleven me bij. Ik kwam bijna nooit Marokkaanse jongens tegen die lachten. Daarom intrigeerden jongens als sportbuurtwerker Mourad, rapper Safoan en de djellabajongen me ook zo. Ze zijn onzichtbaar voor de meeste Amsterdammers. Je ziet ze niet op tv, in Nova of Pauw & Witteman. Daar zie je altijd de werkelijkheidsontkenners en de geschiften. Hoe komt het dat deze jongens wél het goede pad op gegaan zijn? Terwijl een deel van deze jongens uit precies dezelfde achterstandswijken komt? Hoe komt het dat ze niet behept zijn met die haat tegen de politie, de Nederlanders, de Nederlandse samenleving en de andere geslaagde Marokkanen?
Safoan Mohktari was altijd al een heel slimme jongen, ook al kwam die schranderheid tijdens zijn schoolloopbaan nu niet bepaald tot uitdrukking in glorieuze schoolcijfers. Bovendien is hij straatwijs, je kunt bij wijze van spreken niet méér van de straat zijn dan Safoan. Hij heeft een jonge vader, die hem zeer religieus opvoedde, waardoor hij het verschil leerde tussen goed en slecht. Zelf is hij ook zeer gelovig geworden. Allah is zijn God en meester, Allah houdt hem op het goede pad. Zijn rap-alter ego heet Kami-Kazi en in zijn rapteksten noemt hij zichzelf de Getto Saint. Maar toen hij in de puberleeftijd kwam, leidde juist zijn straatervaring tot een ‘identiteitscrisis’, zoals hij het nu zelf deftig formuleert. Hij zat in een foute vriendengroep. Hij keek naar zijn straatvrienden, die net een paar jaar ouder waren dan hij en hij zag dat ze dure auto’s hadden en een goed leven. Dat goede leven werd mogelijk gemaakt doordat die vrienden drugsdealers waren. Safoan wilde dat ook, maar omdat hij een slimme jongen was, bleef dat uiteindelijk slechts bij een verlangen en een gedachte, zei hij.
De controle thuis, met maar twee jongens, was sterk. Safoan heeft één broer van twintig, die al uit huis is en nu in het derde jaar van zijn studie economie zit. Met z’n vieren bewoonden de Mohktari’s een vierkamerwoning in Geuzenveld. Dat was zeker voor een Marokkaans gezin behoorlijk ruim. Safoan Mohktari werd in 1984 in de Hudsonstraat in het Amsterdamse stadsdeel De Baarsjes geboren. Zijn ouders kwamen beiden uit Tetouan in Marokko. Ze vertrokken in 1981 naar Nederland en leefden hier illegaal. Zijn vader kreeg uiteindelijk via zijn werkgever een verblijfsvergunning.
Toen Safoan vier jaar oud was, verhuisde het gezin naar de wijk Bos en Lommer in Amsterdam-West en vier jaar later naar stadsdeel Geuzenveld. Zijn buurt was op dat moment nog redelijk etnisch gemengd. Er woonden nog veel Hollanders en Surinamers. Hij bezocht een etnisch gemengde basisschool. Maar de Hollanders trokken weg en ook zijn buurtje werd een allochtonenwijk, ook al ervoer hij zijn buurt nimmer als een probleemwijk.
Hij had en heeft de beste ouders van de wereld. Zijn vader spendeerde al zijn vrije tijd aan zijn twee zonen. Maar vader Mohktari was tegelijkertijd ook streng. Doordeweeks moest Safoan, ook toen hij ouder was, om tien uur ’s avonds thuis zijn en in het weekend om elf uur. Hij moest zich aan een hele reeks huisregels houden. ‘Jij bent mijn oudste zoon. Ik zal er niet mee kunnen leven als je in de gevangenis terechtkomt of dat je wordt neergestoken’, zei zijn vader tegen hem. Zijn ouders gedroegen zich zelf ook altijd voorbeeldig.
Zijn vader had geen formele opleiding genoten. Hij is nu arbeidsongeschikt. Hij begon zijn loopbaan als schoonmaker en werkte zich op tot hoofdbeheerder van een schoonmaakbedrijf en gaf leiding aan dertig mensen. Daarom was zijn vader een voorbeeld en een inspiratiebron voor Safoan. Als een illegaal zich kon opwerken tot een goede positie, dan moest het voor hem echt een fluitje van een cent zijn.
Safoans vader sprak goed Nederlands en ging altijd mee naar ouderavonden, naar de rapportavonden, en paste ook sancties toe als dat nodig was. Safoan werd beloond als hij het goed deed. Hij kreeg bijvoorbeeld een nieuwe fiets of anders gewoon een echt compliment. Als hij het slecht deed, mocht hij een week lang niet naar zijn favoriete televisieserie Beverly Hills 90210 kijken. Dus straffen én belonen. Maar hij voerde ook diepe en intensieve gesprekken met zijn vader, waarin zijn vader hem ervan overtuigde dat hij aan zijn toekomst moest werken en dat hij dat zelf moest doen.
‘Als je jong bent, snap je dat wel, maar het gaat ook zo weer je oren uit. School is saai, school is niet stoer. Een jongen wil chillen, leuke dingen doen en achter de meiden aan.’ Maar het had op de een of andere manier wel effect. Safoan zorgde er in ieder geval voor dat hij niet bleef zitten. ‘Dat was vooral om mijn ouders niet teleur te stellen. Zo simpel werkte het.’
‘Ik ben zelf financieel onafhankelijk, ik rijd in een heel dure auto en ik heb al verschillende van mijn dromen verwezenlijkt. Maar ik hing ook ooit op straat rond met foute jongens. Ik laat zien dat het mogelijk is om eruit te stappen. Als kind stotterde ik, nu ben ik rapdocent. Maar dat succes komt niet vanzelf, weet je? Daar moet je je stinkende best voor doen.’

STADSDEEL SLOTERVAART is een wijk met grote tegenstellingen. Mensen die er nooit komen denken aan relletjes, brandende auto’s en Marokkaanse jongens die cameraploegen bekogelen, en niet aan jachthavens, grote kantoren of de bungalowwijk waar ex-premier Wim Kok en zijn buurman, de voormalige burgemeester van Leeuwarden, Geert Dales wonen. ‘Slotervaart is een groen paradijs met veel mogelijkheden tot recreatie en enorm goede vervoersverbindingen, waar veel hoge ambtenaren en bekende Nederlanders wonen. Met een paar Marokkaanse en allochtone enclaves’, aldus stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch.
Het park de Oeverlanden aan het Nieuwe Meer, het watersportcentrum aan de Sloterplas, het Sloterpark en het Rembrandtpark horen ook tot het stadsdeel. Slotervaart als geheel staat wat gemiddeld inkomen betreft in Amsterdam op de vierde plaats. Dat komt ongetwijfeld doordat de wijk een groot welvarend Hollands, autochtoon en bovenmodaal verdienend bevolkingsdeel heeft, dat onder meer in de overwegend blanke wijk Nieuw-Sloten leeft. In het stadsdeel is daarnaast een concentratie van hoge kantoorgebouwen, waar zich allerlei bekende internationals, advocatenkantoren en ook het World Fashion Center hebben gevestigd. Iedere dag komen er tienduizenden werknemers naar Slotervaart. Maar in het stadsdeel is ook het overgrote deel van de zogeheten ‘zwarte’ vmbo- en mbo-scholen van Amsterdam gevestigd. Waardoor elke dag zo’n vijftienduizend merendeels allochtone leerlingen uit andere Amsterdamse buurten naar Slotervaart komen.
Op straat krijg je de indruk dat er alleen Marokkanen en andere allochtonen wonen. Als je de statistieken bestudeert, blijkt dat niet te kloppen. In 2008 was 16,6 procent van de bewoners van Marokkaanse afkomst. Ook in de concentratiewijken Overtoomse Veld, Delflandplein- en Staalmanpleinbuurt is de meerderheid niet van Marokkaanse afkomst. In Overtoomse Veld-Noord, met de grootste concentratie, was 43,97 procent in 2008 Marokkaans en in het zuidelijke deel van deze buurt 30,87 procent. Ook in de Staalmanpleinbuurt is 34 procent van Marokkaanse afkomst. Maar een paar honderd meter verderop, langs het noordelijke deel van het Rembrandtpark, wonen maar zeven Marokkanen en dat is slechts 1,25 procent van de gehele populatie.
In concentratiewijken als Overtoomse Veld en de Staalmanpleinbuurt komen veel problemen voor. Er is sprake van een opeenhoping van uitkeringstrekkers, lage inkomens, werkloze jongeren, werkloze vaders, relatief grote gezinnen in kleine woningen, ouderen die geen of gebrekkig Nederlands spreken, kinderen met een taalachterstand, vroegtijdige schoolverlaters en er staan een paar van de slechtste scholen van Amsterdam.
‘Het is een enorm zootje’, vertelde een ambtenaar van het stadsdeel in de zomer van 2006. ‘Naast agressieve jongeren zit hier in Overtoomse Veld-Noord een groep religieus radicaliserende jongeren. Zes van de acht leden van de Hofstadgroep komen hier vandaan, zoals Samir A. Ook de familie van Mohammed B. woont hier. Ze wonen in of bij de Hart Nibbrigstraat. De flats in die straat staan al acht jaar op de nominatie om gesloopt te worden. Sinds die tijd doet woningcorporatie Rochdale er niks meer aan. De ramen tochten, er zit schimmel in de douche, de deuren sluiten niet goed en de portiekverlichting doet het niet. Er wonen soms wel veertig kinderen aan één trappenhuis. Het zijn vier- tot vijfkamerwoningen met een oppervlakte van 55 vierkante meter, die werden toegewezen aan gezinnen in de tijd dat alleen het aantal kamers telde. Een deel van de kinderen is nu boven de twintig en woont nog steeds thuis. De testosteron druipt van de muren en het vuil wandelt van de trappen. Rochdale heeft hier alleen Marokkanen in gezet, althans voor negentig procent.’
Er staan tweehonderd jongens op de zogeheten shortlist. De shortlist, die in Slotervaart beter longlist had kunnen heten, is een methodiek die bedacht is door de criminoloog H. Ferwerda waarmee probleemjongeren worden onderscheiden in drie categorieën: hindergroepen, overlastgroepen en criminele groepen. De jongens op die shortlist zijn, één Turk uitgezonderd, allemaal van Marokkaanse afkomst. Verschillende professionals die ik over de lijst sprak, vonden het onderscheid tussen die drie categorieën nogal kunstmatig, aangezien de jongens in alle categorieën zich in een bepaalde mate met misdaad bezighouden.
Eén bron gaf aan dat de groep in werkelijkheid veel groter is dan het officiële aantal en waarschijnlijk rond de vijfhonderd jongens telt. Dat getal komt aardig in de buurt van de cijfers die de Amsterdamse politiecommissaris Hans Schönfeld verstrekte in een interview in Het Parool van 18 oktober 2007. Hij vertelde dat er in 2006 in deze wijk 2200 verdachten van misdrijven werden opgepakt. Volgens Schönfeld waren er 157 beginnende criminelen van tussen de twaalf en zeventien jaar en 379 criminelen van achttien tot 24 jaar. In totaal dus 536 criminelen. Maar de groep is natuurlijk groter, want een groot deel van de criminelen houdt niet na zijn 24ste verjaardag ineens op met het plegen van strafbare feiten als mishandeling, bedreiging en ander geweld, straatroof, winkelovervallen en autokraken.
Volgens de officiële criminaliteitscijfers is circa dertig procent van de Marokkaanse jongens crimineel. Dat betekent dat ze door de strafrechter zijn veroordeeld. Dat officiële cijfer is al ongehoord hoog, maar volgens een bron op het stadhuis heeft zelfs zeventig procent van alle Marokkaanse jongens onder de 24 jaar in Amsterdam antecedenten. Dat houdt in dat ze één of meer keren door de politie voor een stafbaar feit zijn aangehouden.
‘Er wonen hier een kleine 45.000 mensen. Van die 45.000 zijn er maar zevenduizend van Marokkaanse afkomst, maar bij die groep zitten wel de meeste problemen’, zegt stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch: ‘Een deel daarvan bestaat uit echt tuig. Ik gebruik dat woord om deze groep juist te onderscheiden van de Marokkanen die zich wél gedragen. Ik heb hier een groep jongeren die niet willen werken, die geen respect hebben voor hun ouders. We hebben het over honderden jongens die talloze misdaden plegen. Dat is eigenlijk nog een geflatteerd beeld. Want in Nederland moet je honderd strafbare feiten plegen om er voor één gepakt te worden.’

‘HET BEELD is heel somber en niet te begrijpen voor buitenstaanders’, vindt rapper Safoan Mohktari. Vooral omdat een grote groep Marokkanen en ook autochtone Hollanders die dramatische realiteit nog steeds niet wil zien. Op 2 november 2007 vond er een zogeheten stadsdebat plaats in het jongerencentrum Oportuna, Overtoomse Veld-Noord. Het werd door het radioprogramma BNN Today georganiseerd en live op Radio 1 uitgezonden.
Safoan Mohktari was die avond ook aanwezig, maar hij sprak geen woord. Het was bijna drie weken na de aanslag van Bilal B. De kleine L-vormige ruimte was voor het grootste deel bezet door Marokkaanse jongens uit de buurt en elders uit West, een stuk of vijftien meisjes langs de wand. Het was precies drie jaar geleden dat Theo van Gogh werd vermoord door Mohammed Bouyeri, een buurtgenoot uit Overtoomse Veld. Maar daar had helemaal niemand het over die avond. Er waren eigenlijk helemaal geen problemen in Overtoomse Veld. Als er al problemen waren, dan werden die veroorzaakt door de media, want als je die jongens tuig bleef noemen, dan gingen ze zich vanzelf ook als tuig gedragen.
Het ‘debat’ kantelde toen een Marokkaanse veertiger in de zaal enorm kwaad werd: ‘Dat jullie hier het drama lopen te ontkennen, is echt ongelooflijk. Ik hoor niemand Bilal B. veroordelen. Ik vind dat echt schandalig. Deze jongen heeft geprobeerd twee agenten te vermoorden. Er zijn hier enorm veel problemen in Slotervaart.’
Na zijn felle woorden ontstond er ophef en rumoer in de zaal. Toen vroeg Ricardo, een Surinamer die in Overtoomse Veld opgroeide, aan de zaal: ‘Wie is hier voor een beter Slotervaart?’ De helft van de handen ging omhoog. ‘Dan moeten jullie bij jezelf beginnen. We zijn hier al twintig jaar bezig, weet je. Ik zie nu al jongetjes van elf, twaalf jaar auto’s kraken. Pak je verantwoordelijkheid.’

Dit is een voorpublicatie uit Staatssecretaris of seriecrimineel: Het smalle pad van de Marokkaan van Paul Andersson Toussaint (Bert Bakker/Prometheus, € 17,95). Het boek werd geschreven in opdracht van Politie en Wetenschap.
Op 11 juni van 20.00 tot 22.00 uur vindt in De Rode Hoed een debat plaats over het boek. Onder leiding van Felix Rottenberg discussiëren onder anderen Ahmed Marcouch, Tofik Dibi, Fatima Elatik en buurtwerkers over het smalle pad van de Marokkaan.

Eind juni komt het album Kami-Kazi uit
bij 24-karaat entertainment en V/d Ende.
Deze week is Kami-Kazi, Rocks & Casablanca Connect (met Neem een kijkje in mijn wereld) te zien op muziekzender TMF.
www.kami-kazi.nl