Gettovlecht

Karlijn Stoffels, Mosje en Reizele. Uitgeverij Querido, 158 blz., 329,90
Het jeugdliteraire debuut van Karlijn Stoffels (1947) Mosje en Reizele speelt tijdens de Tweede Wereldoorlog in Polen. In zijn omslagtekening heeft Peter van Poppel de hoofdpersonen mooi getroffen: twee doodernstige, een beetje treurige kinderen, met elkaar verbonden door de indrukwekkende vlecht van Reizele die Mosje tussen zijn vingers geklemd houdt. Op het moment dat de Duitsers Polen binnenvallen, zijn ze ongeveer veertien en wonen ze in Warschau, in het joodse weeshuis van de toen beroemde arts/pedagoog Janus Korczak. Ze zijn verliefd op elkaar, maar de omstandigheden maken het onmogelijk daar vorm aan te geven. Reizele is dokter Korczak en zijn kinderen toegewijd en verhuist mee naar het getto. Mosje duikt als Marek onder in het verzet.

Om uit handen van de Duitsers te blijven, is hij tijdelijk knecht bij een katholieke keuterboer. Daar wordt hij geconfronteerd met de vijandigheid van de Poolse bevolking. Het levert bizarre situaties op. Wanneer de geile boerendochter Mosje hardhandig wil inwijden in sexualibus, realiseert hij zich nog net op tijd hoe zijn besneden geslacht hem zal verraden.
Gruwelijk is de scène van een hongerige joodse jongen tussen spek, worst en balkenbrij: ‘Je hele leven gewaarschuwd voor varkensvlees en dan boerenknecht spelen in de slachtmaand.’ Iedereen dankt God voor de overvloed, maar 'ik dank God als de vloedgolf er ’s avonds laat weer uit komt’.
Naast haar zachte vlecht is er nog een ander lijntje dat Mosje met Reizele verbonden houdt. In het weeshuis zongen ze de liedjes van de populaire componist Mordechai Gebirtig. Verbeten blijft de jongen op zoek naar de onbekende tekst van het lied dat de naam van zijn verre geliefde draagt. Zo heeft Mosje een doel, dat eenmaal bereikt, voor niets blijkt nagestreefd. Het liedje is inmiddels gemeengoed geworden, terwijl de oorlogservaringen Mosje en Reizele onbereikbaar voor elkaar hebben gemaakt.
Pas vijftig jaar later zullen ze elkaar in Tel Aviv weer terugvinden tijdens een Korczak-herdenking. Een hoopvolle afronding, die enigszins geforceerd aandoet na alle voorafgaande realistisch opgediste narigheid.
Stoffels schreef een belangwekkend en bij vlagen aangrijpend verhaal, dat vooral tot leven komt in de sterke dialogen. Documentair getinte gedeelten over Korczaks weeshuis en het lot van de Poolse joden verweeft ze met de omzwervingen van haar - naar ik aanneem - fictieve held.
Soms zitten beide elementen elkaar enigszins in de weg. Wie nog nooit van Korczak of zijn jeugdboek Koning Matthijsje de Eerste (1928) heeft gehoord, zal waarschijnlijk behoefte hebben aan uitgebreidere informatie over Korczaks uitzonderlijke pedagogische opvattingen en over het tragisch einde van zijn kindertehuis in Treblinka. Om op te gaan in Mosjes persoonlijke verhaal had ik wel wat meer over hem willen weten. Nu zie ik voornamelijk een vroegwijze puber die zich profileert via cynische, te volwassen grappen. Wanneer het getto wordt afgezet, vraagt Mosje zich af hoeveel kilometer prikkeldraad er voor alle Europese getto’s samen nodig zal zijn: 'Nieuwe rekensommen voor Duitse scholieren.’
De vergelijking met Uri Orlevs Eiland in de Vogelstraat verheldert Stoffels’ positie. Zij vond een knappe vorm voor het verslag van haar onderzoek naar Korczak en zijn weeskinderen, hij schreef een onuitwisbaar, op eigen ervaringen gebaseerd portret van een jongen die het getto moederziel alleen weet te overleven.