‘Gevaar maakt je superscherp’ - Jeroen Oerlemans wil de geschiedenis op de huid zitten

In de persfotografie is de concurrentie moordend, ook vanwege amateurs die met iPhones boven op het nieuws zitten. Waarom ga je toch naar levensgevaarlijke oorlogsgebieden? ‘Ik wíl getuige zijn’, zegt fotograaf Jeroen Oerlemans, die in de zomer in Syrië werd ontvoerd en zelf uitgroeide tot wereldnieuws.

Medium rc20121118jeroenoerlemans07

Vorige week viel opeens zijn naam weer in de pers. De politie in Londen had op luchthaven Heathrow een 24-jarige man aangehouden die mogelijk betrokken was bij de ontvoering in Syrië tussen 19 en 26 juli van de fotograaf Jeroen Oerlemans en zijn Britse collega John Cantlie. Drie weken daarvoor was om dezelfde reden al een 26-jarige Brit gearresteerd.

Jeroen Oerlemans (1970) lijkt van dit nieuws niet warm of koud te worden. Ja, natuurlijk is het geweldig dat MI5 hen heeft getraceerd. En als er een rechtszaak in Londen komt, zal hij zeker een getuigenis afleggen. Maar over Shajul Islam, de eerste man die werd gepakt, oordeelt hij genuanceerd: ‘Hij is in Engeland opgeleid als dokter en was degene die óók mijn leven heeft gered. Nadat ik gewond was geraakt heeft hij mij goed behandeld. Tijdens onze gesprekken kreeg ik van hem de indruk dat hij nooit had willen deelnemen aan een ontvoering, maar naar Syrië was gekomen om te strijden door gewonden te helpen.’ Hij voegt er snel aan toe dat hij écht niet lijdt aan een Stockholmsyndroom.

Ruim drie maanden na zijn bevrijding praat Oerlemans net zo rustig over zijn extreme ervaring in de zomer als over zijn beroep als oorlogsfotograaf. De vraag is: waarom trek je naar levensgevaarlijke gebieden? Of eigenlijk: wat bezielt je om ver van huis als vader van drie jonge kinderen zo veel risico te nemen? Helemaal als je die overweging afzet tegen de toenemende concurrentie van amateurs die ter plaatse met hun neus op het nieuws zitten en verse beelden vanaf iPhones over de wereld verspreiden.

Hij denkt hier al veel langer over na, wat de toegevoegde waarde is van zijn vak. ‘Aan de ene kant wordt het nieuws sneller, waarbij bewegend beeld steeds dominanter is geworden. Terwijl je je als fotograaf logistiek nog aan het voorbereiden bent om naar een conflict te gaan, vliegen de foto’s van burgers al over het internet. Aan de andere kant wil je juist dit soort foto’s verifiëren. Uit welke bron komen ze, zijn ze geënsceneerd? Objectiviteit blijft belangrijk. Goed fotograaf zijn betekende vroeger dat je er al eerste was en als laatste weer wegging. Oorlogsfotografie was bij uitstek _bangbang-_journalistiek, een echte mannenwereld. Dat is nog steeds wel zo, maar minder. Er zitten inmiddels veel vrouwen tussen, hele stoere, en die weten hun zaakje slim te organiseren. Vaak veel beter dan mannen. Ik denk ook dat goed netwerken op locatie belangrijker is geworden.’

Ruim tien jaar geleden begon hij aan zijn journalistieke carrière. Na zijn studie politicologie in Amsterdam volgde hij een opleiding aan de London College of Printing. ‘Ik wilde vanaf het prille begin de oorlogsjournalistiek in. Mijn grote voorbeeld is de Amerikaan James Nachtwey, die tientallen gewapende conflicten – Noord-Ierland, Irak, de Balkan, Afghanistan – heeft gefotografeerd. Het gaat hem om het vastleggen van nieuws maar ook om de esthetiek. Hij leerde me dat oorlogsfoto’s geen kitsch kunnen zijn als je de ballen hebt om tussen de kogels te staan. Het wordt wél kitsch als je een situatie gaat bestuderen en de werkelijkheid naar je hand probeert te zetten. Als oorlogsfotografen fotomachines zijn – puur een doorgeefluik van beelden – dan voegt dat ook niks toe. Je moet een visie hebben. Ik ben hem zo’n beetje op elk strijdtoneel tegengekomen.’

Medium rc20121118jeroenoerlemans01

Voor zijn eerste ervaring met een gewapend conflict koos Oerlemans voor de Palestijnse gebieden in Israël waar in 2000 de Tweede Intifadah was uitgebroken. ‘Een jongetje dat met een steen gooide werd vlak naast me neergeschoten. Ik raakte niet in paniek, ik schoot in de werkmodus. Maar mijn hart klopte in mijn keel. Door die ervaring is dat veranderd. Als ik op weg ben naar een oorlog ben ik nerveus maar als ik ergens eenmaal ben valt dat weg.’

In 2002 keerde hij terug naar Nederland en ging portretten fotograferen. Ondertussen knaagde de behoefte aan ‘iets zinnigs’. En toen kruiste Joeri Boom, in die tijd redacteur bij De Groene Amsterdammer, zijn pad: ‘Hij bleek dezelfde drang te hebben. We maakten meteen een afspraak om naar Irak af te reizen.’

De samenwerking kreeg een vervolg. Ze gingen onder meer naar Libanon, Darfur en vele malen naar Afghanistan. Oerlemans ging ook vaak alleen op pad. ‘Joeri is de schrijvende variant van mij. Je zoekt elkaar uit omdat je elkaar mag en elkaar blind kunt vertrouwen. Professioneel zitten we op dezelfde lijn. Ik wilde oorlogen en grote omwentelingen visualiseren, vanuit een behoefte om de geschiedenis op de huid te zitten. Oorlog is gek genoeg relatief makkelijk. Je komt snel ter zake. Daar staat uiteraard tegenover dat er grote risico’s zijn. Alleen, je denkt altijd: het overkomt mij natuurlijk niet. Irak was heel gevaarlijk, ja. Tijdens mijn eerste bezoek kon je nog redelijk rondtrekken. De tweede keer was het land veel sektarischer geworden. Pure anarchie. Later vonden er gruwelijke incidenten, zoals onthoofding, met buitenlanders plaats. Bijna de hele internationale pers trok zich terug. Anders dan voor grote persbureaus is het voor een eenling niet meer mogelijk om je werk daar te kunnen doen.’

Samen met journalist Boom ging hij elf keer naar Afghanistan, waarvan drie keer embedded. ‘Afghanistan is een mythisch land. Iedereen is erop stukgelopen, de Britten, de Russen, de Amerikanen. Het is middeleeuws en ook weer niet. De bevolking is apart – een soort gekleurde westerlingen. De “edele wilde”. Als ik vertrok, wilde ik altijd weer weten hoe het verderging. Met dat land ben ik nog steeds niet klaar.’

Wat die drang is? Hij hangt scheef op zijn stoel, een lange jongensachtige man die inmiddels is hersteld van zijn verwondingen in Syrië. ‘Gevaar maakt je superscherp. Als je weer in veiligheid bent, ervaar je een gevoel van euforie. Je rookt, drinkt, lacht net iets te veel – het is een licht extatisch gevoel. Pathetisch gezegd, alsof je pijn lijdt om te weten dat je leeft. Iedereen herkent dat in zekere zin.’ Dat heet ook wel verslaving, toch? ‘Maar dát is niet mijn motivatie. Het is eerder vanwege de urgentie om er met je neus bovenop te zitten. Branie, in combinatie met de drang om getuige te zijn. Soms kan dat niet gezond zijn. Dat zie je wel eens bij collega’s die aan lager wal raken. Zij betalen emotioneel de prijs voor de wreedheden die ze hebben gezien en kunnen er ook niet van wegblijven.’

Waarom de een daar wel last van heeft en de ander niet – hij weet het niet. Ook hij zag vreselijke dingen. Een keer in een zuidelijk dorpje in Libanon. Daar stond een koelwagen. ‘Ik deed de deur open, er lag een stapel lijken. Het stonk enorm. Of verminkte kinderen die ik ben tegengekomen. In Irak zag ik een kind met beide benen eraf. Vreselijk.’

En hij ging wel eens over de rand van het aanvaardbare risico, mompelt hij. ‘In Libanon werden we al rijdend langs de kust vanaf zee door een marineschip beschoten, waarbij onze auto zo’n beetje doorzeefd werd. Bij een andere gelegenheid moesten we plankgas gevend vallende bommen ontwijken. Dat geeft een enorme kick. Een andere keer zaten we midden op het platteland in Libanon zonder benzine. We gingen op weg naar brandstof terwijl in die dagen de Israëlische luchtmacht op alles schoot wat bewoog. Onderweg kwamen we alleen maar autowrakken vol kogelgaten tegen. Mét een witte vlag – onschuldige auto’s zoals wij. Maar ik ben géén edgeseeker.’

Waar ligt de grens? ‘In 2007 werd mijn eerste kind geboren. Toen kreeg ik een “nog één keer en dan nooit meer”-gevoel. Wat later maakte ik in Afghanistan mee dat er een bom op een wandelpad lag – een nieuwe manier van guerrilla voeren. Ik hoorde een plof toen iemand de lucht in ging bij een patrouille iets verder weg. Ik dacht: shit, nu kan het overal gebeuren. Toen vroeg ik me af waar ik eigenlijk mee bezig was. Ik had ook uitgerekend hoeveel ik eigenlijk verdiende: ongeveer tien euro per dag. Dus de twijfel nam toe.’

Maar de verleiding om te gaan bleef. Eind 2010 braken in de Arabische wereld revoluties uit. In die tijd zag Oerlemans de massaprotesten die de anciens régimes omver brachten op de televisie vanaf de bank. Hij zat thuis te revalideren van een knieoperatie. ‘History making, en ik was er niet bij. Vreselijk.’

En hup, zodra hij weer op de been was, ging hij twee keer naar Libië om de strijd tegen Kadhafi te kunnen meemaken. ‘De tweede keer kwam ik in de achterhoede van de eindstrijd. Eigenlijk te laat, het ging allemaal ook heel snel. Behoorlijk frustrerend.’ Maar hij won met zijn fotoserie wél de Zilveren Camera 2011 in de categorie buitenlands nieuws, dé Nederlandse prijs voor fotojournalistiek. Bovendien, het ‘te laat arriveren’ was het gevolg geweest van een verstandige afweging: wanneer durf je het aan om je in het geweld te storten? Hij beschrijft hoe zoiets gaat. Eerst wachtte hij, samen met een heel persleger, dagenlang in Tunesië op ‘het juiste moment’. Iedereen laat zich informeren, door redacties aan het thuisfront, lokale informanten, door nieuws via het internet. ‘Alle grote jongens zitten bijeen in enkele hotels. Wachten betekent hangen, drinken, roken, eten, ervaringen uitwisselen. Een heel eigen circus, net een apenrots. Iedereen kijkt naar elkaar: wie gaat het eerst de grens over?’

De teleurstelling over het goeddeels missen van de Arabische Lente bleef na Libië zeuren. De nieuwe kans om het toch te kunnen meemaken lag in de bloederige burgeroorlog in Syrië, een strijd vol onduidelijkheden en tegenstrijdigheden. ‘Waarom ik ging? Het was nodig. Er waren nauwelijks westerse journalisten, er waren schaarse beelden uit Aleppo, maar er kon weinig worden geverifieerd. Er waren nauwelijks onafhankelijke bronnen. De martelkamers zag je niet, maar ze zijn er hoogstwaarschijnlijk wel. Als je hier niet bij wilde zijn, waar dan wel?’

Net als in Tunesië zat Oerlemans in Turkije aan de grens te wachten, deze keer zonder het bekende persleger. Op donderdag 19 juli besloot hij om samen met zijn, eveneens zeer ervaren, Britse collega John Cantlie ’s nachts Syrië illegaal binnen te trekken. Ze lieten zich begeleiden door een gids, Daham, die Cantlie al eerder vanaf dezelfde locatie bij Bab al Hawa met succes het land had binnengeloodst. Ze kropen door een gat in het grenshek en liepen gedrieën het duister in.

‘We klommen een heuvel op, achter de gids aan terwijl hij steeds aan het bellen was. Omdat hij geen Engels sprak kon hij onze vragen niet beantwoorden. Na ongeveer drie kilometer liepen we recht een cirkel van licht binnen. We dachten eerst: een vluchtelingenkamp. Er kwamen mannen op ons af. Ik zag het meteen: gasten met baarden, foute boel. In de eerste seconde gebeurt er heel veel. We werden met het gezicht op de grond geduwd, wapens boven ons hoofd werden ontgrendeld. Ze schreeuwden dat we van de cia waren. Ik dacht nog dat het wel goed zou komen als we konden uitleggen dat we journalisten waren. Onze gegevens gingen ze op het internet checken, maar ze lieten ons niet gaan. Toen kreeg ik pas echt stress. Ze gaan ons onthoofden en dat op het internet zetten. Of losgeld eisen. In een tent van het kamp werden we op de grond met handboeien vastgeklonken. Dat werd mijn eerste nacht in Syrië. Ja, waar denk je dan aan? Aan van alles. Je probeert angst zo min mogelijk toe te laten, want anders word je gek.

We merkten, meestal geblinddoekt, de dagen daarna dat die lui enorm met hun geloof bezig waren. Ze staken religieuze preken tegen ons af, en zeiden dat we beter als moslim dood konden gaan. Duidelijk was dat er naast het Vrije Syrische Leger ook dit type geïmporteerde jihadisten strijdt tegen de regering-Assad. Er zat van alles tussen. Afrikanen, Tsjetsjenen, Pakistani, en veel ven hen spraken, zo merkte John, met een onvervalst Zuid-Londens accent. Ze zeiden steeds onder leiding te staan van “een emir”.’

Later bleek dat Oerlemans en Cantlie in handen waren gevallen van een jihadistische strijdgroep waarvan de leider, Abo Mohamad Al-Shami, Britse moslims ronselt om te strijden in de Heilige Oorlog tegen Assad. Deze groep zou onder de vlag van noodhulpbureautjes Europese strijders over de Turkse grens naar Syrië smokkelen. Het vermoeden is dat er duizenden buitenlandse moslims meevechten met de Syrische oppositiegroepen. Hoe de relaties precies lagen, was op dat moment nog niet duidelijk. ‘In die zin heeft onze ontvoering nut gehad. Het bevestigt de vermoedens’, zegt Oerlemans met een wrange grijns.

Hij had het bijna niet na kunnen vertellen. Al op de tweede dag zagen ze de uitzichtloosheid van hun situatie in en besloten te ontsnappen. Ze kozen een rustig moment in het kamp, kropen met handboeien om door een gat in de tent en begonnen te rennen. ‘Alleen, we hadden niet gezien dat er een plateau was waarop strijders net bezig waren wapens uit vrachtwagens te laden. Ze zagen ons en begonnen meteen te schieten. Wij renden voor ons leven terwijl de kogels om onze oren vlogen. Even dachten we nog dat we het gingen redden. Toen werden we geraakt. John in zijn arm, ik in mijn lies. De gids liep een andere kant op, en verdween. Achteraf begrepen we dat hij meteen heeft gemeld dat we vast zaten en gewond waren.’

Later is hem vaak gevraagd of hij geen trauma heeft. ‘Nee, dus’, zegt hij zonder aarzeling. ‘Ik lig niet te zweten in mijn bed. Toen ik thuiskwam werd mij psychische hulp aangeboden. Het amc heeft een traumateam op de afdeling psychologie. Ik ben er geweest en heb zowel met een psycholoog als een psychiater gesproken. Zij constateerden dat ik geen symptomen vertoonde van een posttraumatisch stresssyndroom. Het strookte met hoe ik me voelde.’

Hij keert tijdens het gesprek een paar keer terug: als hij de ellende ziet, raakt het hem diep, maar het worden thuis geen spoken. En zijn Syrische avontuur, dat verwerkt hij heus wel. Hij zegt het zonder dat je aan zijn woorden gaat twijfelen. Oerlemans oogt niet anders dan vóór Syrië. De vriendelijkheid en mildheid zelve, zoals de redactie van De Groene hem al jaren als freelance medewerker kent.

‘Ja, oké. Ik heb in één uur tijd een paar keer het gevoel gehad dat ik ging sterven. Toen ik werd geraakt bloedde ik meteen flink, dus ik wist zeker dat het een slagader was. Ik dacht aan mijn kinderen en dat ik, als ik het zou overleven, nooit meer naar de frontlinie zou gaan. Dat is het allemaal niet waard. Ik merkte dat het bloeden minder hard ging. Er was dus niet een slagader geraakt, ik kreeg weer veerkracht. Maar daarna boog een man zich over me heen met een steen in de hand. Hij schreeuwde dat hij me ging stenigen. Ik ben tegen de mannen gaan praten, over hun geloof, dat ik een gezin heb. Ik praatte maar door, dat het afmaken van een gewonde tegen het geloof is. In de tent werd ik vervolgens behandeld door de arts uit Engeland. Met een zakdoek om zijn gezicht en een bril op probeerde hij onherkenbaar te blijven. Hij was heel erg religieus en toch de enige die we min of meer konden vertrouwen. Hij probeerde onze vrijlating te bepleiten. Op een gegeven moment meldde hij dat hij terug moest naar Damascus. Het is out of my hands, zei hij, hij kon niks voor ons doen. Mijn wereld stortte in. Ik zat met een slecht genezende wond in een snikhete tent, het was meer dan veertig graden. Heel smerig, overal zaten vliegen. Als we niet waren bevrijd was ik waarschijnlijk in een week dood geweest. De arts naaide de boel dicht en propte me vol antibiotica. Ik had daar toen al mixed feelings over. In het amc bleek later dat het niet goed was. Vol smerig lekkend vocht, ik heb de wond een maand moeten openhouden.’ De dagen kropen voort, ze leefden op antibiotica, dadels en water. Ze kregen te horen dat er een tribunaal zou komen en een keer werd het daadwerkelijk opgezet. Hun leider, die verder onzichtbaar bleef, zou dan hun lot bepalen. Als ze geblinddoekt op de grond lagen dreigden de mannen, rammelend met hun geweren, hen te executeren of te onthoofden, terwijl ze de messen hoorden slijpen. ‘Dat was zeer beangstigend, kan ik je verzekeren.’

Oerlemans heeft al die tijd uiteraard niet geweten wat er intussen gebeurde aan het thuisfront en of er diplomatieke activiteit in gang was gezet. Britse journalisten hadden een kettingmail onder collega’s opgezet om druk op de ketel te houden en Joeri Boom was afgereisd naar Turkije om mee te helpen de connecties te bewerken. Dé angst was dat ze tussen de wal en het schip zouden komen van de vele betrokken partijen. Oerlemans’ vriendin werd in Nederland ondertussen bestookt met telefoontjes en mails maar kreeg hulp van experts om haar daarin te begeleiden. Bij een ontvoering komt een heel circuit los van particuliere bemiddelaars, gespecialiseerde veiligheidsagenten, verzekeringsadviseurs en diplomaten. Al die tijd mocht de pers de ontvoering niet laten uitlekken. Die afspraak schenden is een doodzonde onder journalisten.

De bevrijding kwam plotseling. ‘Op donderdag 26 juli liepen vier mannen met getrokken geweren het kamp binnen. Ze waren van het Vrije Syrische Leger en namen ons als Rambo’s schreeuwend en in de lucht schietend mee in hun auto’s. Enkele uren later waren we op Turkse grond. We gingen naar Antakya, een soort overgangshuis.’ Daar werden ze eerst onderzocht door een medicus van The New York Times. Daarna zouden ze eindelijk vertrekken. Maar dat ging zomaar niet. De politieke vleugel van de Syrische oppositie, de Syrian National Council, wilde het succes van de vrijlating claimen en inzetten voor eigen belangen, door de buitenlandse journalisten voor de camera te halen. De Turkse veiligheidsdienst hielp mee en hield het vertrek tegen. ‘Een enorm gedoe. Door bemiddeling van de medicus van The New York Times die ook fungeerde als troubleshooter konden we uiteindelijk weg.’

Anderhalf uur nadat de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Uri Rosenthal in een uitzending van Nieuwsuur had gemeld dat ze bevrijd waren, waren ze pas officieel veilig. Rosenthal bracht het grote nieuws, gebaseerd op voorlopige berichten, te voorbarig. Hij zei ook in de uitzending ‘dat het beleid van het Nederlandse ministerie bij ontvoeringen wordt gekenmerkt door nooit losgeld te betalen en niet te onderhandelen met ontvoerders’. Met Rosenthal heeft Oerlemans nooit gesproken. Wel stond een paar keer premier Rutte op de voicemail van zijn vriendin. Ze heeft hem later ook gesproken.

Hoe de bevrijding precies is gegaan, weet Oerlemans niet zeker. ‘Het lijkt waarschijnlijk dat de Turkse veiligheidsdienst nauw contact had met lokale commandanten van het Vrije Syrische Leger en dat de Turken een cruciale rol hebben gespeeld bij onze bevrijding. Je weet niet wat er allemaal heeft meegewogen. Hillary Clinton had bijvoorbeeld net een speech gehouden waarin ze de oppositie opriep om in hun strijd niet in zee te gaan met allerlei jihadistische figuren. Misschien wilde het Vrije Syrische Leger met onze bevrijding schoon schip maken.’

Ontvoerd worden door jihadisten – dat is het nachtmerriescenario van iedere oorlogsjournalist. Het kreeg een spectaculaire, goede afloop. Het relaas ging de hele wereld over. Op de voorpagina van NRC Handelsblad stond een week later een reconstructie met een grote foto: een snapshot gemaakt met de telefoon door Joeri Boom van Oerlemans die wordt omhelsd door de Amerikaanse journalist James Foley als hij net is gearriveerd in het Turkse opvanghuis Antakya. Het vage beeld van twee figuren in omhelzing had nieuwswaarde vanwege het bijzondere moment. De oorlogsfotograaf zelf was inmiddels wereldnieuws geworden. Wekenlang bestookten media – van de Russische pers tot Playboy – hem met aanvragen voor interviews. ‘Ik had er geen zin in, telkens weer je verhaal vertellen.’ Maar zijn Britse collega wist er wel raad mee. John Cantlie verkocht zijn verhaal exclusief ‘voor heel veel geld’ een week later aan The Sunday Times (Are you ready to die?) en twee weken later nog eens aan The Sun. Daarin zei hij onder meer: ‘It was every Englishman’s duty to try and escape if captured.’

‘We hebben ontzettend geluk gehad’, zegt Oerlemans nuchter. Hij doet niet stoer en kent geen rancune. ‘Ik hoorde dat de leider van de ontvoerders, die ze de “emir” noemden, is opgepakt. Hij zou een oud-tandarts zijn geweest en is op een gruwelijke manier in de bergen omgebracht: in de buik gestoken en doodgebloed. Het is een abstract gegeven voor me.’

Het tentenkamp werd meteen na de afloop ontruimd, de strijders namen de benen. Veel zullen nooit gepakt worden, hoewel de Britse jihadisten kunnen rekenen op de hete adem van de Engelse inlichtingendiensten. ‘Wat Nederland doet? Geen idee, we staan een beetje aan de zijlijn.’ Oerlemans heeft de draad weer opgepakt, werkt hard aan allerlei klussen. Maar de ambivalentie blijft. ‘In Syrië ben ik tot het inzicht gekomen dat ik een andere vorm van fotografie moet zoeken. Meer een groter verhaal vertellen. Bangbang-journalistiek is het voor mij waarschijnlijk niet meer. Ik hikte er al lang tegenaan. Alleen, als Damascus valt, wil ik er wel bij zijn. Het zijn dan andere omstandigheden. Van vreugde en opluchting.’