Profiel: Audre Lorde

Gevaarlijk en krachtig

Het werk van de Caribisch-Amerikaanse dichter en essayist Audre Lorde is actueler dan ooit en verplichte lectuur voor wie de woede na de dood van George Floyd wil begrijpen. Ze streed tegen racisme, seksisme en homofobie en gaf woorden aan wat onzichtbaar was voor anderen.

Op een vroege lenteochtend in Queens worden een tienjarige zwarte jongen, Clifford Glover, en zijn stiefvader tegengehouden door een witte undercover-politieagent, Thomas Shea, op verdenking van autodiefstal. Het onschuldige tweetal denkt echter zelf beroofd te worden en vlucht. Het kind wordt twee keer in de rug geschoten en sterft. Het is 1973, ver voor de intrede van de alles filmende smartphones en viraal gaande hashtags, zoals bij de dood van Trayvon Martin, Eric Garner, Michael Brown en Tamir Rice, die veertig jaar later Black Lives Matter in beweging zouden zetten.

Vandaag rouwt en protesteert de wereld om het lot van George Floyd, de 46-jarige man die stierf nadat een witte politieagent, Derek Chauvin, minutenlang zijn knie op zijn nek hield, tot hij stikte. ‘I can’t breathe’ waren – net als van Eric Garner – zijn laatste woorden. Floyd is het zoveelste slachtoffer van systematisch politiegeweld op Afro-Amerikanen in de VS, waar agenten profiteren van een cultuur waarbij ze beschermd worden. Chauvin had maar liefst achttien aanklachten achter zijn naam staan, maar kon nog steeds ongestraft doorwerken.

Thomas Shea wordt in 1973 vrijgesproken. Het nieuws over de vrijspraak bereikt de Caribisch-Amerikaanse dichter, essayist en activist Audre Lorde terwijl ze in haar auto naar de radio luistert. Woedend rijdt ze naar de kant, neemt pen en papier en doet wat ze het best kan: ze schrijft haar emoties van zich af in de vorm van poëzie. De tekst zou een van haar bekendste gedichten worden: ‘Power’. Het is een donker, pijnlijk en brutaal expliciet gedicht, waarin ze verdwaald in een – niet toevallig – witte woestijn fantaseert over wraak. ‘I am trapped on a desert of raw gunshot wounds/ and a dead child dragging his shattered black/ face off the edge of my sleep/ blood from his punctured cheeks and shoulders/ is the only liquid for miles’.

Het buitensporige politiegeweld, de scène van onmacht en woede in de auto, het gedicht – het had evengoed vandaag kunnen plaatsvinden. In de systematische herhaling van onrecht schuilt een tragiek die ook uit het werk en leven van Lorde spreekt. Bijna dertig jaar na haar dood zijn haar gedichten en essays nog steeds razend actueel en behoort ze tot een van de invloedrijkste feministische denkers. Is er dan niets veranderd, of was Lorde een profetische visionair die haar tijd ver vooruit was?

Lorde’s schrijven wordt gekenmerkt door haar ervaringen met racisme, seksisme, homofobie en haar jarenlange strijd tegen borstkanker, die ze documenteerde in The Cancer Journals (1980). Als intersectioneel feministe avant la lettre introduceerde ze zichzelf altijd als ‘zwart, lesbisch, moeder, strijder, dichter’. Volgens Angela Davis – schrijfster, activiste en vriendin van Lorde – wilde ze het idee ontkrachten dat deze verschillende identiteiten niet in eenzelfde ruimte konden bestaan. Anno 2020 – als woorden als queer, non-binair, cisgender, wit en van kleur zo goed als ingeburgerd zijn – klinkt dat misschien evident, maar dat was het in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw zeker niet.

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat haar werk vandaag een ware heropleving kent. Haar citaten worden gedeeld op sociale media. Haar woorden staan op de borden van vrouwenmarsen en antiracismeprotesten wereldwijd. En overal duiken Audre Lorde-leesclubs op. In de afgelopen vijf jaar werden, onder andere in een reeks van Penguin Classics, haar late poëzie- en essaybundels opnieuw uitgegeven. Dit jaar wordt een heruitgave van The Cancer Journals verwacht, en met de vertaling van haar bekendste essaycollectie Sister Outsider (1984), die voor dit najaar gepland is bij Uitgeverij Pluim, verschijnt haar werk voor het eerst ook in het Nederlands.

Voor zwarte en lesbische vrouwen was en is het werk van Lorde een verademing. Volgens de Schotse schrijfster Jackie Kay was Lorde een charismatische vrouw met het aura van een superster. ‘Wanneer je haar hoorde spreken, wist je dat ze legendarisch zou worden’, schrijft ze in The New Statesman. Lorde maakte een enorme indruk op Kay en op andere vrouwen door de simpele geruststelling dat ze er in al hun diversiteit mochten zijn: ‘Weet je, Jackie, je kan zwart en Schots zijn. Je hoeft niet te kiezen.’ Haar bewonderaars waren trouw en gepassioneerd, want Lorde gaf hun de woorden om te overleven in een vijandige omgeving.

Vandaag hoor je zwarte en lesbische vrouwen hetzelfde zeggen: ‘Audre Lorde helpt ons te overleven.’ Ze wordt vaak geciteerd door antiracistische en feministische denkers als Gloria Wekker – die in 1984 een actiegroep voor zwarte, lesbische vrouwen Sister Outsider noemde – of Anousha Nzume. Haar gedicht ‘A Litany for Survival’ heeft binnen activistische kringen bijna de status van een gebed gekregen: ‘and when we speak we are afraid/ our words will not be heard/ nor welcomed/ but when we are silent/ we are still afraid/ So it is better to speak/ remembering/ we were never meant to survive’. Het zijn woorden waar je kippenvel van krijgt als je denkt aan de laatste momenten van George Floyd.

Audre Lorde, opgeleid als bibliotheekwetenschapper, was een expert van haar eigen leven en hield nauwkeurig een dagboek bij. Geboren in 1934 in Harlem als kind van West-Indische arbeidsmigranten – haar vader uit Barbados, haar moeder uit Grenada – reflecteerde ze intensief op haar afkomst, haar familie, haar vrouw-zijn en haar seksuele geaardheid. Met Zami: A New Spelling of My Name (1982) vond ze zelfs een eigen literair genre uit: de biomythografie, waarin geschiedenis, autobiografie en mythologie samenkomen. Alexis De Veaux, die de eerste en enige biografie van Lorde samenstelde, schrijft dat de herinneringen aan haar kindertijd ‘bijna mythische constructies van een lelijk eendje’ waren.

Als kind was ze mollig, onhandig, droeg ze een bril en orthopedische schoenen, werd ze buitengesloten door haar oudere zussen en had ze een moeizame relatie met haar koelbloedige moeder, naar wier affectie en goedkeuring ze haar hele leven hunkerde. Ze was te mannelijk voor sommigen, te vrouwelijk voor anderen. Audre heette eigenlijk Audrey, maar ze schreef haar naam koppig zonder laatste letter, omdat ze dat esthetischer vond. Het is symbolisch voor haar verzet; ze was kritisch, opstandig en rebels. Tegen de schenen schoppen van al het normatieve, dat is wat Lorde deed.

Zo trouwde ze in 1962 met de bevriende advocaat Edward Rollins, een Oscar Wilde-achtige dandy die net als Lorde homoseksueel was. Het huwelijk was een veilige manier om te settelen met iemand om wie ze gaf en iemand die net als zij kinderen wilde. In een tijd van rassensegregatie waren interraciale relaties niet eenvoudig. Zijn familie was tegen het huwelijk omdat Audre zwart was en haar ouders protesteerden omdat ze door hun koloniale ervaring op de Caribische eilanden witte mensen niet meer vertrouwden. Voor Lorde, zo schrijft De Veaux, betekende het huwelijk met een man niet automatisch dat ze niet meer van vrouwen kon houden. Ze verzette zich tegen het heteronormatieve script van monogamie en had haar leven lang talrijke romances met meerdere vrouwen tegelijk – met medeweten en goedkeuring van Rollins, die hetzelfde deed met mannen. Polyamorie is niet per se een nieuwigheid van de 21ste eeuw. Uiteindelijk scheidde het koppel, dat samen twee kinderen kreeg, omdat Lorde verliefd werd op Frances Clayton, een professor die ze ontmoette op een poëzieresidentie in Mississippi. Ook deze relatie zou door Lorde’s talrijke affaires na twintig jaar uiteindelijk op de klippen lopen.

Lorde werd steeds verplicht een deel van zichzelf weg te filteren. In de jaren vijftig was haar witte progressieve omgeving homofoob en waren de New Yorkse homobars die ze bezocht racistisch

Volgens De Veaux wilde Lorde zich steeds geliefd, gerespecteerd en erkend voelen. Ze stelde seks gelijk aan liefde en intimiteit en geloofde dat ze iemand pas écht kon kennen wanneer ze met diegene naar bed was geweest, waardoor ze zichzelf vaak opdrong. Haar seksuele agressie had haar in de huidige tijdgeest hoogstwaarschijnlijk enkele #MeToo-schandalen wegens seksueel grensoverschrijdend gedrag opgeleverd.

In haar essay ‘The Erotic As a Source of Power’ (1978) definieert Lorde erotiek vaag als een spirituele, creatieve kracht waar vrouwen in hun diepste zijn over beschikken, maar die ze geleerd hebben te onderdrukken. Ze zag het erotische als de hoogste graad van bevrediging; het ging veel verder dan het seksuele en was het omgekeerde van het pornografische.

Audre Lorde geeft les aan studenten in Florida, 1983 © Robert Alexander / Archive Photos / Getty Images

Het duurde tot 1973 tot ze uit de kast kwam. Haar coming out vond plaats – hoe kan het ook anders – via poëzie, toen ze op een avond haar gedicht ‘Love Poem’ voordroeg in een koffiehuis annex boekenwinkel in New York. ‘And I knew when I entered her I was/ high wind in her forests hollow’. Verward vroeg de uitgever Lorde om verheldering. Wat was de gender van het lyrisch ik? Kroop ze hier in het personage van een man? ‘Nee, ik heb een vrouw lief’, antwoordde Lorde.

De expliciet lesbische liefdesverklaring ging volgens de uitgever een stap te ver en ‘Love Poem’ werd aangepast gepubliceerd in Lorde’s poëziebundel From a Land Where Other People Live (1973). Later beschrijft ze in haar dagboek hoe ze zich nadien verraden voelde door haar eigen verlangen om omarmd te worden door de zwarte gemeenschap.

Het is maar een voorbeeld van de vele uitsluitingsmechanismen waar de dichter tijdens haar leven mee te maken kreeg. Waar Lorde zich ook bij aansloot, ze werd steeds verplicht een deel van zichzelf weg te filteren in ruil voor aanvaarding. In de jaren vijftig was haar witte progressieve omgeving homofoob en waren de New Yorkse homobars die ze bezocht racistisch. Ze was ‘either silenced black or colorless lesbian’, schrijft De Veaux. In de jaren zestig – toen het feminisme en de burgerrechtenbeweging piekten – voelde ze zich ook niet helemaal thuis, bij de witte feministen noch bij de zwarte emancipatiebeweging. De gemeenschappen waar ze deel van uitmaakte lieten slechts een deel van haar identiteit toe, waardoor ze zich nooit helemaal zichzelf voelde.

Kon de literaire gemeenschap dan een uitweg bieden? Helaas. Ook hier vond Lorde geen aanvaarding. Als tiener sloot ze zich aan bij de poëziegroep The Branded, waar ze tussen de witte middenklassers haar Caribische arbeidersachtergrond verdoezelde. Later zou ze hetzelfde doen bij de zwarte schrijversgroep The Harlem Guild, waar onder anderen Maya Angelou deel van uitmaakte, maar deze keer met haar lesbische identiteit. Lorde werd steeds getolereerd, nooit geaccepteerd.

Haar status als eeuwige outsider nam mythische proporties aan. Het was tegelijk haar grootste kracht en haar grootste zwakte. Lorde werd later in haar leven een icoon voor de strijd tegen onderdrukking, maar die strijd eiste ook een tol. Depressies kwamen en gingen, er waren periodes waarin ze overleefde op amfetamine en cafeïne, en ze werd geteisterd door agressieve woedeaanvallen. ‘Anger is what I do best’, gaf ze toe. En hoewel haar boosheid haar veel pijn opleverde, betekende die boosheid voor Lorde naar eigen zeggen ook overleven. Het herinnerde haar aan het feit dat ze nog steeds kon voelen.

Maar waar kwam die boosheid dan vandaan? Lorde geloofde dat haar opgekropte frustraties en genegeerde pijn als gevolg van racisme zich opstapelden in haar lijf, tot ze woest borrelend hun uitweg vonden in de vorm van agressie en irritatie. ‘My response to racism is anger. That anger has eaten clefts into my living only when it remained unspoken, useless to anyone’, bekent ze in haar essay ‘Eye to Eye: Black Women, Hatred and Anger’. Lorde beschrijft hoe ze tijdens een conflict met een racistische stripartiest rustig probeert te blijven, maar thuis ontploft ze. ‘Then I came home and almost tore up my house and my lover because some invitations happened to be misprinted. Not seeing where the charge of rage was born.’

De boze zwarte vrouw – het is een van de hardnekkigste karikaturale beelden, dat onthult dat het recht om boosheid te uiten enkel gereserveerd is voor witte mannen. Denk maar aan de kritiek op Serena Williams’ uitbarsting tijdens de finale van de US Open in 2018 of – wat dichter bij huis – de publieke opinie over zwarte vrouwen die racisme aankaarten, zoals Sylvana Simons in Nederland en Dalilla Hermans in Vlaanderen.

Als een vrouw – en vooral een zwarte vrouw – haar ongenoegen uit, wordt ze daar sneller op afgerekend en neergezet als emotioneel labiel, hysterisch, primitief en ja, zelfs gevaarlijk. ‘Women are powerful and dangerous.’ Op een van de bekendste foto’s van Lorde tijdens een lezing in Florida staat ze voor een schoolbord met deze woorden in krijt op de achtergrond. Een simpele witte bloes, een hand in haar broekzak, haar kapsel op natuurlijke wijze in een afro en met een indringende, maar ook vermoeide blik in de camera.

In het najaar van 1976 ontdekt Lorde – dan amper 43 jaar oud – een goedaardige tumor in haar rechterborst. De confrontatie met haar eigen sterfelijkheid voegt een gevoel van urgentie toe aan haar werk. Enkele dagen later draagt ze tijdens een conferentie in Chicago ‘The Transformation of Silence into Language and Action’ voor met de bekende woorden ‘My silences had not protected me. Your silence will not protect you.’ Vanaf nu zou ze niet meer zwijgen over onrecht, maar zich uitspreken. Want zwijgen, daar had ze – toen ze oog in oog stond met de dood – de meeste spijt van. Het had haar helemaal niets opgeleverd. Het verklaart waarom tienduizenden mensen hier en in de VS ondanks alle coronamaatregelen nu de straat op gaan tegen antizwart racisme. Het is letterlijk een kwestie van leven en dood, waar niet langer over gezwegen kan worden.

Voor haar diagnose schreef Lorde uitsluitend poëzie om haar gedachten vorm te geven. Nu zou ze ook proza en essayistiek publiceren. Daarbij probeert ze steeds dubieuze machtsverhoudingen aan te kaarten en te problematiseren. Zelfs in de spelling, door woorden als ‘european’ of ‘american’ met kleine letters en ‘Black’, ‘Colour’ of ‘African’ met hoofdletters te schrijven. Verzet zit soms in de kleinste dingen.

De kernboodschap van Lorde’s politieke denken is terug te vinden in haar theory of difference. Alle vormen van onderdrukking – zoals racisme, seksisme en homofobie – zijn te herleiden tot één idee: de onwil om verschillende identiteiten te erkennen én om ze te begrijpen als iets positiefs. Verschillen zijn volgens Lorde niet destructief maar productief. Dat erkennen en waarderen is de belangrijkste voorwaarde in de succesvolle strijd tegen de verdeel-en-heerstactiek van het patriarchaat.

Je hoort het vaak in progressieve kringen. Uitspraken als ‘ik zie geen kleur, ik zie alleen mensen’ of – nog zo’n klassieker – ‘kleur doet er voor mij niet toe’, als een mantra om aan te tonen dat je diversiteit omarmt. Hoe goed bedoeld ook, ze zijn destructief voor elke poging tot inclusie. Als we zouden leven in een maatschappij waarin kleur er effectief niet meer toe deed, dan zou zo’n statement nog kunnen kloppen. Maar helaas is die postraciale samenleving nog ver weg. Als je blind bent voor iemands kleur, ben je ook blind voor de ervaringen van alledaags racisme en discriminatie, en dus voor de drempels en de pijn van de ander.

Voor onderdrukte groepen is poëzie geen mijmerende zelfexpressie die door de literatuur- geschiedenis gevalideerd wordt in de vorm van een canon, maar een overlevingsstrategie

Veertig jaar geleden kaartte Lorde dit al aan tijdens een conferentie over feministische theorie, waarbij ze een van de twee enige niet-witte sprekers was. Het excuus ‘we wisten niet wie we nog konden vragen’ – een zin die je vandaag nog steeds standaard te horen krijgt als verdediging bij kritiek op een gebrek aan diversiteit – werd meteen door Lorde onderuitgehaald. ‘Witte feministen hebben zichzelf de afgelopen tien jaar over zoveel onderwerpen onderwezen. Hoezo hebben jullie jezelf niet ook onderwezen in zwarte vrouwen en de verschillen tussen ons?’

Volgens haar was het ontkennen van de verschillende profielen binnen de vrouwenbeweging contraproductief. ‘Hoe ga je om met het feit dat de vrouwen die jullie huizen schoonmaken en op jullie kinderen babysitten, terwijl jullie conferenties over feministische theorieën bijwonen, meestal arme vrouwen en vrouwen van kleur zijn?’ vroeg ze zich hardop af. Witte feministen reproduceren patriarchale strategieën van onderdrukking door een deel van de vrouwen – lees: zwarte vrouwen en vrouwen uit de arbeidersklasse – te negeren. En dat is moordend voor de vrouwenbeweging. ‘The master’s tool will never dismantle the master’s house. They may allow us temporarily to beat him at his own game, but they will never enable us to bring about genuine change.’ Het is een van Lorde’s bekendste en krachtigste uitspraken.

Audre Lorde gefotografeerd door Robert Giard in Staten Island, New York, 1987 © Estate of Robert Giard / The New York Public Library

Hoe geef je woorden aan iets wat onzichtbaar is voor anderen? In haar essay Poetry Is Not a Luxury gaat Lorde dieper in op de kracht van poëzie om precies dat te doen: ‘Poetry is the way we help give name to the nameless so it can be thought. (…) Poetry is not only dream and vision; it is the skeleton architecture of our lives.’ Poëzie is geen uitdrukking, maar een recreatie van onuitspreekbare gevoelens. Sterker nog, voor groepen die systematisch onderdrukt worden, is poëzie geen mijmerende zelfexpressie die door de literatuurgeschiedenis gevalideerd wordt in de vorm van een canon, maar – net als woede – een overlevingsstrategie.

In een interview met hartsvriendin en lesbische feministe en dichter Adrienne Rich beschrijft Lorde het als volgt: ‘When someone said to me, “How do you feel?” or “What do you think?” or asked another direct question, I would recite a poem, and somewhere in that poem would be the feeling, that vital piece of information. It might be a line. It might be an image. The poem was my response.’

De jonge dichter Audre Lorde werd sterk beïnvloed door de Britse Romantiek, met namen als Keats, Shelly en Byron. De volwassen dichter Audre Lorde behoudt het sensuele en het emotionele van die stroming, maar zet zich af van de witte, door mannen gedomineerde canon. ‘The white fathers told us, I think therefore I am; and the black mothers in each of us-the poet-whispers in our dreams, I feel therefore I can be free.’

Vanaf haar rondreis door West-Afrika, waar ze op zoek ging naar de herkomst van haar voorouders en naar een spiritueel thuis, haalt ze inspiratie uit vrouwenfiguren uit de Afrikaanse mythologie, zoals de godinnen Afrekete en Seboulisa. Ze grijpt terug naar de oorsprong van zwarte vrouwen en hoe over hen verteld wordt. Ze elimineert daardoor de eurocentrische white gaze. Haar dichtbundel The Black Unicorn (1978) staat symbool voor die stilistische evolutie. Afrika wordt een overkoepelende metafoor en Lorde schrijft in een poëtisch ritme dat doet denken aan West-Afrikaanse verteltradities. Niet alleen haar schrijven, ook haar kleding verandert. Lorde verschijnt op lezingen en conferenties gehuld in West-Afrikaanse jurken en hoofddoeken.

De mythologische figuur van de West-Afrikaanse Amazone-vrouw als onafhankelijke, sterke en moedige krijgster, die haar kracht haalt uit verbinding en samenwerking met andere vrouwen, wordt een van de belangrijkste elementen in Lorde’s werk. Het liet haar toe te fantaseren over sisterhood, over een groep strijders die exclusief uit vrouwen bestond. Het is Lorde’s utopie van een gemeenschap waar ze volledig zichzelf kan zijn. Haar droom van een thuis.

Ze riep zwarte vrouwen herhaaldelijk op om onderlinge verdachtmaking en vijandigheid los te laten. Die was het resultaat van geïnternaliseerde zelfhaat en racisme tijdens de slavernijperiode. ‘We do not love ourselves, therefore we cannot love each other. Because we see in each other’s face our own face.’

Lorde droeg haar haar natuurlijk in een afro. Op een middag tijdens haar lunchpauze in de bibliotheek waar ze werkte, vielen een stijltang en haarproducten uit haar lockerkastje, voor de ogen van haar witte collega’s. Haar zwarte collega’s vonden haar kapsel onbeschaafd en hadden de spullen daar verstopt. Lorde voelde zich vernederd, zowel door haar zwarte als witte collega’s, die haar niet aanvaardden. De culturele beweging Black is Beautiful, die in de jaren zestig ontstond, probeerde het beeld van zwarte natuurlijke schoonheid – donkere huid, natuurlijk haar, volle lippen – te herstellen. Zwarte esthetiek, zelfrespect en emancipatie gaan samen.

Audre Lorde lijkt eind jaren zeventig op het hoogtepunt van haar carrière. Een gevierde dichter, een geliefde en tegelijk gevreesde internationale spreker, en een icoon in de strijd voor zwarte, lesbische vrouwen. Haar werk wordt niet langer uitgegeven door kleinere uitgeverijen, maar door het prestigieuze W. W. Norton & Company. Maar dan slaat het noodlot toe. Twee jaar na haar eerste diagnose voelt Lorde opnieuw een knobbeltje in haar borst. De kanker is terug en deze keer kwaadaardig. Ze ondergaat een mastectomie, maar weigert een borstprothese te dragen uit protest tegen vrouwelijke schoonheidsidealen.

‘Prosthesis offers the empty comfort of “Nobody will know the difference”. But it is that very difference which I wish to affirm, because I have lived it, and survived it, and wish to share that strength with other women.’ Een prothese betekent verbergen, en dus zwijgen over het stigma en leed van vrouwen met kanker. En dat was iets wat Lorde niet meer deed. ‘If we are to translate the silence surrounding breast cancer into language and action against this scourge, then the first step is that women with mastectomies must become visible to each other.’

Haar mastectomie zag ze als een litteken van haar strijd – een houding die paste bij haar imago als warrior. In lijn met Illness As a Metaphor (1978), het lange essay dat Susan Sontag schreef tijdens haar strijd tegen borstkanker maar die ze in het werk ongenoemd laat, weigert Lorde het idee van slachtofferschap. ‘I needed to rally my energies in such a way as to image myself as a fighter resisting rather than as a passive victim suffering.’ In The Cancer Journals wordt dat verzet duidelijk door de militaire woordenschat en duikt het beeld van de strijdende Amazone-vrouw weer op. Volgens de legende amputeerden deze vrouwen hun rechterborst – de borst die Lorde ook miste – om betere boogschutters te worden.

Na haar breuk met Clayton in 1988 verhuisde Lorde definitief naar het Maagdeneiland St. Croix, waar ze samen met de zwarte activiste en schrijfster Gloria Joseph verschillende sociale projecten opzette en waar ze in 1992 – na een veertien jaar durende strijd tegen kanker – haar laatste adem uitblies. Een jaar voor haar dood werd Lorde als eerste vrouw en als eerste Afro-Amerikaanse ooit benoemd tot stadsdichter van New York.

Haar succes was een pijnlijke doorn in het oog van witte feministen, die haar kritiek op racisme binnen de vrouwenbeweging als verraad beschouwden, en voor de zwarte burgerrechtenbeweging, die haar kritiek op homofobie en seksisme – ironisch genoeg – als een gevaar voor de eenheid van de groep bestempelden. ‘Something about me troubles everyone’, zei ze in een interview uit 1986 met Dorothee Nolte. Het was waarschijnlijk haar ongelooflijke kracht en weerbaarheid die angst en jaloezie inboezemden. Zoals ze zelf schreef op dat krijtbord in Florida: vrouwen zijn krachtig en gevaarlijk.


Audre Lorde, Sister Outsider, Penguin Books(2007); Alexis De Veaux, Warrior Poet: A Biography of Audre Lorde, W.W. Norton & Company (2004)