Interview Mischa de Vreede

Gevaarlijk schrijven

Mischa de Vreede was 33 toen ze een verhouding kreeg met Geert Lubberhuizen, directeur van uitgeverij De Bezige Bij. In ‹Eindelijk mezelf› (1977) liet ze hem vermomd opdraven. «De receptie van dat boek is wel een interessante geschiedenis.»

Aanvankelijk reageert ze afhoudend op een interviewverzoek. Helemaal als ze doorkrijgt dat het vooral over Eindelijk mezelf zal gaan. Eind jaren zeventig beleefde deze roman herdruk op herdruk, tegen de gevestigde literaire orde in. Er wás iets met dat boek, geschreven in een epoque waarin ook Ethel Portnoy, Maartje Luccioni en Mensje van Keulen glorieerden. Het was lichtzinnig en sensueel, met een obsessieve ondertoon. Een ondertoon die benieuwd maakt naar het hoe en waarom. De hoop dat inmiddels de tijd rijp is voor een terugblik wordt eerst de grond ingeboord. Streng vraagt ze aan de telefoon: «Heeft u wel mijn gedichtenbundel Zeestenen gelezen die vorig jaar uitkwam? En Selamat Merdeka, het boek dat ik over Indonesië schreef?» Iets te nadrukkelijk meldt ze het literaire wereldje ver achter zich gelaten te hebben, en zich na ruim dertig titels verlost te voelen van welke druk dan ook. Een paar weken later belt ze terug. Dat ze er bij nader inzien wel klaar voor is om over Eindelijk mezelf te vertellen. «De receptie van dat boek is wel een interessante geschiedenis.»

Al eerder had ze gehoor gegeven aan de behoefte opening van zaken te geven. Toen in 1994 haar toenmalige uitgeverij Atlas haar vroeg om een bijdrage voor een vakantie verhalenbundel, Strandboek, greep ze de gelegenheid aan.

Mischa de Vreede: «Ik heb toen ook De Bezige Bij gewaarschuwd. Ik wilde gewoon niet meer met zo’n geheim rondlopen. Ik wilde ergens publiceren wat ik met deze man heb gehad.»

Toch heeft ze het in die bundel, onder de titel ‹Gevaarlijk schrijven›, nog verdekt opgeschreven. Zo op het eerste oog schrijft ze over Mary McCarthy en de biografie die net over haar was geschreven (Writing Dangerously door Carol Brightman), maar daarónder schuilt haar eigen ervaring met gevaarlijk schrijverschap. Zo schrijft ze het moedig te vinden van McCarthy dat die haar ex-echtgenoot Edmund Wilson min of meer vermomd in haar boeken liet opdraven: «Uit ervaring weet ik dat het een vrouwelijke auteur niet in dank wordt afgenomen wanneer zij haar heldinnen met min of meer herkenbare mannen in de weer laat zijn.»

Dat de persoon in kwestie zelf zo verrukt was over haar schrijven, was voor haar een reden om haar roman door te zetten: «Achteraf denk ik dat het willen en moeten vertellen, ook uit zijn naam, vooral de drijfveer was om hem op te voeren in Eindelijk mezelf. Als hij het niet zo leuk had gevonden, had ik het nooit op deze manier gedaan.»

Het was het bal met het varken. Vooraf was er een galadiner waarbij de genodigden, gezeten aan een lange tafel, plotseling werden opgeschrikt door een speenvarken. Gillend en wel zocht het zijn weg tussen de gasten. Op de foto’s is een verontwaardigd gesticulerende Mulisch te zien. De Amerikaanse schrijfster en eregaste Mary McCarthy lijkt de enige die zich doodgemoedereerd dóór amuseert. Breed lachend en pratend zit ze te midden van alle tumult aan tafel, elegant en onverstoorbaar met parelsnoer en sigaret.

Voor Mischa de Vreede (1936) was het om andere redenen een gedenkwaardig feest, het Boekenbal van 1970. Ze weet nog precies wat ze aan had: «Ik droeg een zilvergrijze jurk, mouwloos en even strak gespannen als hoog gesloten.» Het was de avond dat ze bezweek voor de man die al vaker had gevraagd of hij haar naar huis mocht brengen. «Ik dacht: dat is een zwerver.»

Nu echter troffen zijn woorden doel. Later zou ze nog wel eens tegen hem zeggen: «Wat je tóen zei…» «Wat zei ik dan?» vroeg hij. «Jaaa, dan ga je dat zeker tegen alle meisjes zeggen.» «Nee, wat ik tegen jou zeg kan ik niet tegen anderen zeggen.» «Zie je wel?» zei hij triomfantelijk toen ze het dan toch had gezegd. «Dat past bij niemand anders.» Ze moet nog steeds lachen als ze het vertelt, net zoals ze lachend, en een beetje ontroerd, zijn woorden van toen herhaalt. «Hij stond daar in de gang met die prachtige handen, en hij zei: ‹Je bent zo mooi! En altijd alleen! Je lijkt wel een koningin!›» Ze zucht. «Ja. En toen ging ik.»

Mischa de Vreede was 33 toen ze een verhouding kreeg met Geert Lubberhuizen, directeur van uitgeverij De Bezige Bij; 33 zijn was de werktitel van de roman die ze hier later over zou schrijven en die uiteindelijk als Eindelijk mezelf verscheen in 1977. «Drieëndertig!» antwoordt beeldend kunstenares Agaath de Goede in deze roman als haar op een feestje wordt gevraagd hoe oud ze is, om eraan toe te voegen: «Een cijfer met borsten en billen.» Het personage dat haar verleidt, heet André Dobbelman, «een groot man in de kunstwereld». Op de opening van een tentoonstelling zegt hij tegen haar: «Wat ben je mooi, en dan zo helemaal alleen! Dat kan toch helemaal niet? Weet je wat? Ik zal je thuisbrengen, straks.»

Geert Lubberhuizen was twintig jaar ouder dan zij, getrouwd — voor de vierde keer — en vader. Mischa de Vreede had een dochter uit haar eerste huwelijk, en een zoon uit haar tweede. Ze was schrijfster van gedichten (o.a. Met huid en hand, 1959), een roman (Eindeloos, 1961) en een verhalenbundel (Oorlog en liefde, 1963). In het verhaal ‹Invloeden van de Vijftigers›, later opgenomen in Persoonlijk (1986), beschrijft ze hoe ze als zeventienjarige gymnasiaste een correspondentie begint met Lucebert, en hem ontmoet als een boekhandel in haar woonplaats Nijmegen een literair avondje organiseert. Een eerdere belangrijke ontmoeting was die met de enkele klassen hoger zittende Maartje van der Made, de latere schrijfster Maartje Luccioni, met wie ze nog steeds innig bevriend is. In Boekje open (1962), waarin de nieuwe generatie schrijvers wordt geportretteerd, is Mischa de Vreede de enige vrouw te midden van onder anderen Claus, Mulisch, Van het Reve en Vroman. Haar uitgever was Bert Bakker, maar na 1970 werd dat De Bezige Bij. Na de roman Onze eeuwige honger (1972) verscheen daar ook het autobiografische Een hachelijk bestaan (1974). Hierin schrijft ze over haar kinderjaren in het jappenkamp, én verwijst ze op de laatste pagina’s naar hém. «Ik was helemaal bibberig toen ik het hem liet lezen», vertelt ze terwijl ze het boek erbij pakt. Ze leest voor: «Blijft over mijn verwarrend verlangen om aan één stuk door geknuffeld te worden. Het feit dat ik klein wil zijn en weg wil kunnen kruipen wanneer het me belieft en dan juist bij degeen die me vrijlaat en groot maakt.»

Het feit dat hij er nu niet meer is — hij overleed in 1984 — doet nog steeds pijn. «Er gaat geen dag voorbij of ik denk aan die man.» Eveneens pijnlijk is het dat hij nooit echt helemaal van haar werd. Want scheiden deed hij niet. Niet meer. Toch liggen aan het schrijven van Eindelijk mezelf geen wraakgevoelens ten grondslag. Een van de eerste dingen die ze over haar boek zegt, is dat ze, anders dan Jan Wolkers met Turks fruit en Hugo Claus met Het jaar van de kreeft, geen rekening hoefde te vereffenen: «Wat deden de heren met die geliefdes die hun hoofdpersoon, hun Ik, niet krijgen kon? Ze lieten hen doodgaan, aan kanker maar liefst. Maar die van mij laat hem leven, voortleven zelfs, want ze neemt zonder dat hij het weet een kind van hem.»

Ze schuift het elastiekje van een dikke dossiermap en laat het pak papier zien dat erin zit. «Dit is de versie die hij heeft gelezen en becommentarieerd. In de kantlijn heeft hij allemaal streepjes en uitroeptekens gezet, zie je? Alle kwaaie eigenschappen van de mannelijke hoofdpersoon heeft hij geschrapt en die heb ik er weer in teruggehaald. Nu en dan had hij gelijk, als hij me wees op een kuil in het verhaal of op iets wat te veel uitgesponnen was, en dat veranderde ik dan.»

Het scheelde weinig of het boek was er nooit gekomen. In de redactienotulen van ja nuari 1977 werd het manuscript afgedaan met het niet mis te verstane «Retour!». In de biografie die Wim Wennekes schreef over Geert Lubberhuizen (Het mysterie van de Van Miereveldstraat, 1994), wordt Remco Campert geciteerd, die in de redactie zat: «Ik, en ook anderen, wisten dat Geert en Mischa al jaren een verhouding hadden, maar dat was zijn zaak en ook wilde ik er niet tussenkomen toen hij dat boek beslist bij De Bezige Bij wilde uitgeven. Ik was te schijterig om te zeggen dat het beter was als het ergens anders verscheen.»

Mischa de Vreede wilde drie boeken schrijven over het fenomeen dat mensen veranderen en toch zichzelf blijven, gekoppeld aan drie leeftijden: 13 (13, een meisjesboek, 1976), 33 (Eindelijk mezelf, 1977) en 53 (Over, 1980). De Vreede: «De redactie van De Bezige Bij was een echte mannengemeenschap. Ze wilden 13 aanvankelijk ook al niet uitgeven, want ‹wie interesseert zich nou voor een meisje van 13?›. Pas toen Willem van Beusekom erbij kwam, veranderde de atmosfeer. 13 is heel vaak herdrukt.»

Verbazingwekkend aan de verwikkelingen rond de verschijning van Eindelijk mezelf is allereerst dat de — geheime — verhouding tussen de schrijfster en haar uitgever nog in volle gang was, en dat een dergelijke publicatie toch min of meer gelijk stond aan publieke bekendmaking. Daarnaast is het opmerkelijk dat Lubberhuizen zich persoonlijk opwierp om het boek gepubliceerd te krijgen, en dat dan ook nog eens in zijn eigen uitgevershuis.

Mischa de Vreede: «Hij nam iedere keer een hoofdstuk mee en vond het verrukkelijke lectuur. Die figuur van André Dobbelman stond ook wel een beetje op zichzelf, ik heb hem niet helemaal naar Geert gemodelleerd. Maar wat zijn charisma betreft, en zijn flierefluiter gedrag, was het hem helemaal. Ook het vrijbuiterige en het sensuele. Ik denk dat hij het heerlijk vond om te lezen, omdat ik hem hiermee een diploma uitreikte. Een minnaarsdiploma.»

Op gezag van Lubberhuizen werd Eindelijk mezelf gepubliceerd. Ook verzon hij een aparte promotieactie: hij stuurde vijftig gesigneerde exemplaren van Eindelijk mezelf — en van de nieuwe roman van Ben Borgart — naar de belangrijkste boekhandelaren. In tegenstelling tot zijn medewerkers en vrienden voelde hij zich op geen enkele manier in zijn hemd gezet door de roman van zijn minnares. Hij begreep dan ook niet waarom Campert zo boos was over het boek. «Geert was daar heel beteuterd over», vertelt De Vreede. Zelf wijt ze Camperts boosheid aan het soort vader-zoonverhouding dat hij met Lubberhuizen had. «Je wilt niet weten wat je ouders doen.»

Mededirecteur Wim Schouten toont zich in Wennekes’ biografie bijna twintig jaar na dato nog steeds verontwaardigd: «Geert was glashard in die dingen, het interesseerde hem niets of iemand hem zou herkennen.» Schouten herinnert zich dat zijn vrouw Dolly het boek lag te lezen in bed. Aangeland op bladzijde 76 schoot ze opeens recht overeind. «Maar dat gaat over Geert!»

Voor mogelijke gevolgen van haar roman was de schrijfster evenwel niet beducht. «De mensen wisten niet in welke mate het autobiografisch was. Naaste vrienden namen me het achteraf kwalijk dat ik nooit iets over hem had verteld, maar dat was omdat ze niet begrepen waarom ze geen voet aan de grond kregen bij mij.»

Bij de ontvangst was er niemand die inging op de wereld die schuilging achter de roman. Volgens de schrijfster omdat degenen die het wisten, vonden dat het niet kon. Veel kritieken waren er overigens ook niet, in tegenstelling tot de uitgebreide ontvangst van haar vorige werk. Het was bovendien de tijd dat nieuw werk van schrijfsters efficiënt op één hoop werd geveegd.

Mischa de Vreede: «Het boek bestond gewoon niet.» Door het Fonds voor de Letteren werd ze naar haar gevoel gestraft; ze ontving dat jaar geen honorarium. Ze pakt van een van de stapeltjes op tafel een Haagse Post en slaat hem open bij het artikel Een hausse aan vrouwenboeken. Aad Nuis bespreekt onder deze kop Eindelijk mezelf, naast de nieuwe roman van Monika Sauwer en Clara Eggink. Nuis verwijt De Vreede met name gebrek aan humor.

Van de vrouwelijke pers moest ze het ook niet hebben. «Hannemieke Stamperius was boos dat voor het boek werd geadverteerd in Opzij. En in vrouwenboekhandels mocht het niet worden verkocht. Je mocht niet op die manier van een man houden, zo ondergeschikt en wachtend. Ik vond juist dat ik over een enorm geëmancipeerde vrouw had ge schreven.»

Het boek was een groot verkoopsucces. Het werd vier keer herdrukt. Nog steeds krijgt De Vreede reacties van lezers en komen mensen bij lezingen naar haar toe met beduimelde exemplaren waarin ze haar handtekening moet zetten.

Tien jaar geleden ging Mischa de Vreede weg uit Amsterdam. Sinds 1977 had ze op de Oudezijds Achterburgwal gewoond, samen met haar zoon. In haar huidige onderkomen in Camperduin lijkt de sereniteit waaraan ze steeds meer behoefte kreeg iets meer binnen handbereik. Vanuit haar keukenraam kijkt ze op het vlakke land, en als ze de weg oversteekt, hoedje op, regenjas aan, loopt ze in de duinen, zo naar zee. Met teckel. Op een nevelachtige dag is het hier Land’s End. Ze wijst op het huisje waar vroeger Jan en Annie Romein met hun kinderen vakantie hielden, en de familie Van het Reve.

In Eindelijk mezelf wilde ze iemand die officieel geen stem heeft het woord geven. «Ik heb het boek nooit herlezen, maar het is óók uit kwaadheid geschreven. Dat je zoiets met iemand hebt, en dat hij je toch kan laten zakken. In het boek laat ik dat terugkomen in het feit dat hij, als invloedrijke figuur, haar aanvraag voor een kunstenaarswoning niet openlijk ondersteunt.»

«Ik denk dat dat het kamp is», verklaart ze de desondanks langdurige verhouding. «Ik heb geleerd dat je heel goed kunt houden van iemand die er niet is. Mijn vader heb ik drie jaar niet gezien, maar daar hield je van, ook al was hij er niet. In Indië hield ik van mijn oma die ik niet kende, want die woonde in Amsterdam. Ik heb die afstand nooit een beletsel gevonden. Soms zag ik hem, bijvoorbeeld in de zomer, drie maanden niet. Dan was hij in Ierland. In die drie maanden bleef ik hem trouw. Hij was ongelooflijk belangrijk in mijn leven. Vooral omdat hij me zo mezelf liet zijn. Omdat hij aan één stuk door benieuwd bleef naar wat ik nog meer te melden had.»

Toch besloot ze na zoveel jaren weer een eigen plan te trekken. «Ik had het financieel erg moeilijk. Ik had met dit boek wel veel verdiend, maar was vergeten dat je daarvoor door de belasting wordt gestraft. Ik ben toen, in 1983, een jaar naar Amerika gegaan, naar Ann Arbor, als writer in residence. Hij wilde niet dat ik dat deed. ‹Ik word ziek als je weggaat.›»

Ze zegt dat ze zijn signalen niet goed heeft begrepen. Met spijt natuurlijk. Achteraf gezien had hij misschien al last van de tumor in zijn hoofd. Gedurende haar afwezigheid werd hij ziek, en toen ze eenmaal terugkwam, kon ze niet meer in zijn nabijheid komen. «Het is dus een verschrikkelijk verdrietige afloop geweest. Vooral dat ik hem niets meer heb kunnen zeggen.»

In haar laatste bundel, Zeestenen (2001), staat het gedicht ‹Gedroomd›, met onder de titel in kleine lettertjes «van G.»: «en hij komt naar binnen/ zoals altijd eerst zijn hoofd/ en kijkend: alles veilig?»

Mischa de Vreede: «Geert was gewoon een verschrikkelijk leuke man. Een van zijn aantrekkelijke kanten was dat hij niet veel over zijn gevoelsleven sprak. En ik hoefde geen kind van hem. Dat wil zeggen: in het openbaar had ik dat wel gewild. De vrouw in mijn boek gebruikt haar baarmoeder als chantagemiddel. Maar ze weet al dat hij er niet intrapt. Ik vind niet dat je een kind moet nemen om iets te bewijzen.»

En een boek schrijven om iets te bewijzen? «Schrijven is zwart op wit verklikken. Ik weet nog hoe mijn moeder me toen ik mijn eerste verhaal had gepubliceerd benauwd vroeg of dat zomaar kon en mocht: schrijven over wat zich had voorgedaan in je naaste omgeving. ‹Ja mam, dat kan! Dat doen wij allemaal!› zei ik en opeens werd ik me van mijn macht bewust.»

Op haar website www.mischadevreede.nl schrijft ze onder het kopje «belangrijk gebleken schrijvers» over haar voorliefde voor (auto)biografieën: «Zelf ben ik van mening dat schrijvers in hun fictie altijd het duidelijkst autobiografisch zijn. Wat ze wel zouden willen dat er gebeurde, kunnen ze onverlet laten plaatsgrijpen.»

Eindelijk mezelf: «‹Ik sta niet op om afscheid van je te nemen›, zei ik. ‹Je moet je over mij heen buigen en me kussen, net of ik gewoon je vrouw ben en jij bent een man die vroeg is opgestaan om naar zijn werk te gaan.›»