Geerten Meijsing, Malocchio: Een Toscaanse jeugd

Gevaarlijk spel

Geerten Meijsing

Malocchio: Een Toscaanse jeugd

Uitg. De Arbeiderspers, 272 blz., € 17,95

Een gelukkig man schrijft geen boeken, noteert Geerten Meijsing halverwege zijn roman over de periode waarin hij samen met zijn dochter in Lucca woonde. Inderdaad behoort Malocchio: Een Toscaanse jeugd niet bepaald tot de opgewekte jongevadersliteratuur die ons land op het moment aandoet, noch drijft het mee op de boer-in-Toscane-Welle. Dat laatste noemt Meijsing zelf een literair genre waarvan hij moet kotsen: «Serieuzere schrijvers dan ik worden infantiel en tuttig als de lifestyle-rubriek in een damesblad wanneer ze ‹de avonturen› met hun tweede huis in dromenland publiceren.»

Bij dat «serieuzere schrijvers dan ik» kan ik me overigens weinig voorstellen. Malocchio heeft de toon van het testament van een stervende. In Meijsings autobiografische roman Tussen mes en keel (1997) was alter ego Provenier tot de slotsom gekomen dat hem nog maar één mogelijkheid restte: je aan te passen aan de werkelijkheid en de weinige voldoening die overblijft te vinden in de aanvaarding, de tragedie, het rouwen, om de vergankelijkheid van onze gedachten en ons bestaan. Malocchio is de woord geworden aanvaarding, en daarmee een boek van rouw. Die rouw wordt door Meijsing zo ostentatief en ondubbelzinnig uitgedragen dat je als lezer slechts twee mogelijkheden hebt: maken dat je wegkomt of — samen met de schrijver — zwelgen in het verlies.

In het eerste hoofdstuk beschrijft de verteller hoe hij en zijn dan driejarig dochtertje Chiara door haar moeder worden achtergelaten in hun boerenhuisje vlakbij Lucca, Toscane. Vanaf dat moment staat hij er alleen voor: voor het ouderschap wel te verstaan. Chiara ontwikkelt zich alras tot een kleine heks, in staat iedereen, hond en mens, te betoveren. Tussen dochter en vader ontstaat een symbiotisch verbond waaraan weinig te tornen valt voor de komende — en gaande — vriendinnen van de vader. Daar is ze weer in haar tangaslipje, saxofoniste Laura Lauweren, al bekend sinds Veranderlijk en wisselvallig (1987), muze en kwelgeest inéén. Of in de geest van het computerspel waaraan de schrijver verslingerd is geraakt: «Een Sim-karakter dat we niet in de hand hadden.» Na Laura komt Zelda («één nooit opdrogende bron van esprit, wit en acutezza») en na Zelda komt Aminta («een schoonheid van wereldklasse, een Cleopatra voor wie je een keizerrijk vergeven zou»).

Even intens schrijft Meijsing over Proveniers seksleven als over de kwaliteit van focaccia, het Toscaanse landschap en Chiara’s liefde voor Pinocchio. De keerzijde van zoveel liefdevolle intensiteit is het huizenhoge dédain jegens het (Nederlandse) toeristendom in het algemeen, en cappuccinodrinkers en Puccini-liefhebbers in het bijzonder. Met zijn huisbaas krijgt Provenier een steeds gecompliceerder verhouding, wat de aanloop wordt tot het uiteindelijke vertrek uit Toscane.

Met een kennelijk ijzeren geheugen worden de tijden van weleer beschreven, «onze krekels en cicaden, onze vuurvliegjes als het snel donker werd», en nog zegt de schrijver dat wat in zijn statische geheugen gegrift staat in geen enkel medium uit te drukken is. In detail schetst hij de verschillende routes van Nederland naar huis, een tweedaagse autoreis, Chiara op de achterbank. «Papa, maak je me wakker als de zon opgaat?» De feestelijke aanblik van de borden die Lucca aankondigen. «Ik wou dat die borden er niet stonden, papa. Nu kunnen ook andere mensen de weg vinden. Onze stad moet verborgen blijven! Poorten op slot, gifpijlen en brandende pek vanaf de muren op elke toeristenbus die het bastiljon probeert te naderen.» Aan al het moois komt een einde als zijn dochter de middelbare-schoolleeftijd krijgt en haar moeder het beter vindt als zij die in Amsterdam doorbrengt.

Malocchio lijkt zonder enige terughouding geschreven, en vereist ook van de lezer totale overgave. Een gevaarlijke aangelegenheid, want tegelijkertijd staan alle lichten op rood en knippert het op iedere bladzijde: kom me niet te na. Tegen het einde van de roman merkt Meijsing op dat je met schrijven mensen nog voor de gek kunt houden. «Een goocheltruc waarvan je de mislukking met een frappe kunt wegmoffelen. Bluf en speed heb je ervoor nodig, zelfoverschatting en geen watervrees. Je improviseert maar wat op bekende thema’s, waarvan de akkoordenschema’s reeds gegeven zijn.»

Laten we het er dan maar op houden dat in de kunst het oude liedje opnieuw tot leven te brengen, Meijsing zich een behendig goochelaar toont. De wijze waarop hij in Malocchio een verloren wereld van geluk en schoonheid oproept, stemt onontkoombaar verdrietig.