Gevaarlijke impulsen

In Fear brengt Bob Woodward een scoop die iedereen al lang kent. Het boek ontvlamt nooit en roept twijfels op over Woodwards methode. Maar het maakt Trump ook normaler dan in bijna alles wat over hem geschreven is.

Donald Trump tijdens een bezoek aan Fort Drum, New York, bij een demonstratie van de U.S. Army 10th Mountain Division, 13 augustus © Carlos Barria / Reuters / ANP

Een van de meest besproken momenten van het geruchtmakende presidentschap van Donald Trump vond plaats op de avond van 6 april vorig jaar. De Amerikaanse president dineerde met zijn Chinese ambtgenoot Xi Jinping in Trumps luxueuze resort Mar-a-Lago. Tijdens het nagerecht begonnen stafleden af en aan te lopen om Trump te informeren over een luchtaanval op militaire bases van de Syrische president Assad. Trump had daartoe bevolen nadat Assads troepen met gifgas tientallen burgers hadden gedood en honderden gewond. ‘Kunt u dat herhalen?’ vroeg Xi via zijn vertaler aan Trump, toen die hem meedeelde dat de Verenigde Staten bezig waren om Syrië te bombarderen. Onder het oog van nieuwscamera’s en andere dinergasten begon Trump aanwijzingen te geven.

In de dagen erna, zo beschrijft journalist Bob Woodward in Fear, bleef Trump zich maar afvragen of de VS niet meer zouden moeten doen. Hij speelde met het idee om Assad met een aanval te doden en las memoranda over de effecten van zenuwgas op het menselijk lichaam. ‘Realiseer je je hoe het is?’ vroeg hij een medewerker. Hij stelde het zich levendig voor, de longen die zich vullen met slijm, schuim rond de mond, overal pijn, de dood na tien minuten lijden. Kinderen. Baby’s.

‘Let’s fucking kill him’, had hij tegen zijn minister van Defensie James Mattis gezegd. Hij wilde aanvalsopties op zijn tafel hebben en voorbereidingen voor de nasleep daarvan. ‘Dat gaan we dus niet doen’, zei Mattis tegen een medewerker. Mattis en minister van Buitenlandse Zaken Rex Tillerson namen de dagen na de aanval de telefoon niet op als Trumps stafchef hen belde. Ze stuurden ondergeschikten naar vergaderingen. Leverden alleen halfbakken plannen. ‘De F-woorden vlogen rond’, noteert Woodward. Maar de opties kwamen niet en Trump vergat zijn verzoek al snel, afgeleid door de volgende crisis of ruzie.

Hoe moeten we zo’n anekdote interpreteren? The Washington Post, The New York Times en andere media gaven een week voor het verschijnen van Woodwards boek al hun lezing: de ‘volwassenen in de kamer’ bij de kinderlijke Trump snoerden zijn ‘gevaarlijkste impulsen’ in. Het valt ook anders te zien. In Fear wordt ook een man beschreven die zijn morele instincten vertrouwt en de wil heeft om zijn land (en in bepaalde opzichten de wereld) op de juiste manier te leiden, maar die niet in staat is om ingewikkelde problematiek in al zijn aspecten te overzien, om zijn regering effectief te sturen en om de concentratie en het geduld op te brengen om zijn voorkeuren vertaald te krijgen in beleid. Iemand die vooral tekortschiet, niet het wandelende kwaad of een gevaarlijk kind.

Fear staat bol van dit soort anekdotes. Trump komt er meestal in naar voren als een impulsieve, snel afgeleide, slecht geïnformeerde, vergeetachtige en grofgebekte president die het liefst beleid maakt op basis van stoer klinkende clichés. Kortom: de Trump in het boek lijkt precies op hoe hij zich al twee jaar dagelijks in het openbaar presenteert. Dat geldt ook voor het Witte Huis: dat komt nauwkeurig overeen met het beeld dat al wordt uitgelekt sinds dag één van Trumps ambtsaanvaarding. Bij tijd en wijle is het Crazytown, zoals Woodward optekent uit de mond van stafchef John Kelly. Het is een scoop die iedereen al anderhalf jaar kent.

Juist omdat we al zoveel wild nieuws over Trump hebben gelezen worden de kalmere episoden in Woodwards boek interessanter: de momenten waarop Trump serieus probeert zijn ambt te voldragen. Daarin komt hij er lang niet altijd slecht vanaf. Maar telkens blaast hij zijn eigen focus op met gekwetste uitbarstingen tegen het onderzoek van speciaal aanklager Robert Mueller of tegen de media, die hij als aartsvijanden beschouwt maar ook obsessief volgt en als leidraad gebruikt voor zijn beleid. Trump kiest zijn veiligheidsadviseur puur op basis van de verwachte receptie in de media, en hij degradeert en vernedert zijn tachtigjarige minister van Handel Wilbur Ross als The New York Times schrijft dat Ross maar weinig concessies los kreeg van China: ‘Ik dacht dat je een killer was’, zegt Trump, ‘maar je bent over je top, je bent het kwijt.’

‘Ik ben het zat om steeds te horen dat ik dit of dat moet doen voor onze natio­nale veiligheid’

Trump heeft ook werkelijk de aandachtsspanne niet voor het presidentiële werk. ‘Ik ben het zat om steeds te horen dat ik dit of dat moet doen voor onze nationale veiligheid’, gooit hij er eens onomwonden uit. Ook debatten over economie is Trump al snel zat, al lokt hij die steeds uit door te beginnen over importheffingen. Telkens stookt Trump onrust in het Witte Huis door een radicaal, slecht uitgewerkt plan voortijdig af te kondigen of op Twitter te gooien, waarna zijn staf onmiddellijk in strijd vervalt over de invulling ervan: een strijd waar Trump luid over klaagt, maar waarover hij totaal geen regie weet te voeren. Zijn staf wordt er cynisch van, spreekt achter zijn rug minachtend over hem en traineert zijn plannen.

Woodward schetst dit alles afstandelijk en zonder te oordelen, zonder overdrijvingen en superlatieven. Daarmee houdt hij een spiegel op voor nieuwsverslaafde lezers die al anderhalf jaar vastgekluisterd zitten aan dit verbijsterende spektakel in Washington (inclusief uw recensent). De Trump-nieuwscyclus draait op steeds weer schokkend of bizar nieuws, dat het gevoel voedt dat het allemaal nog erger is dan we al dachten. Woodward doet daar niet aan mee, waardoor je gedwongen wordt zelf af te wegen hoe erg het is wat Fear beschrijft.

Niettemin werd het boek in de markt gezet met een pr-offensief dat suggereerde dat Woodward allerlei tegels had gelicht en beerputten had geopend. Het zal daarom voor veel lezers moeilijk zijn om Fear niet te lezen met bepaalde verwachtingen en gaandeweg met teleurstelling. Dat wordt nog versterkt door het tamelijk kabbelende tempo en de stijl, die lijkt op te bouwen naar een climax die nooit komt. Het boek is als een lont die op pagina 1 wordt aangestoken en die sist en rookt tot de laatste pagina, zonder ooit echt iets te laten ontploffen. Crazytown is een snappy citaat, maar het dekt de lading niet. Het Witte Huis onder Trump is grotesker, grover, inefficiënter, dysfunctioneler en slechter gecast dan het Witte Huis dat we kennen van boeken over Obama en Bush (zoals Woodwards eigen boeken Plan of Attack en Obama’s Wars), maar een freakshow is het niet.

Wat is de waarde dan wel? Volgens verschillende beschouwingen is het belangrijk dat dit unieke Witte Huis zo grondig, minutieus en onweerlegbaar is vastgelegd door zo’n gigant als Bob Woodward. Ruim veertig jaar geleden legde hij met collega Carl Bernstein het Watergate-schandaal bloot, een van de grootste journalistieke onthullingen ooit. Sindsdien schreef hij achttien boeken over Amerikaanse politiek, beginnend met All The President’s Men over Richard Nixons regering. Allemaal zijn ze geschreven in zijn typerende fly on the wall-stijl, als een anonieme getuige die over de schouders van de actoren meekijkt. Hij heeft een bijzonder solide reputatie en zijn boeken gelden als books of record: een soort eerste versie van de geschiedenis.

Maar hoewel het bijna aanmatigend is om als journalist Bob Woodward af te vallen, gebiedt de eerlijkheid om te zeggen dat Woodwards methode in Fear nogal wat vragen oproept. Hoewel Woodward zijn lezers meegeeft dat zijn boek is gebaseerd op ‘honderden uren interviews met deelnemers en getuigen aan deze gebeurtenissen’, is in veel scènes duidelijk dat hij zich op één bron baseert. In het boek staan bijvoorbeeld vele gesprekken tussen één persoon en Trump, en Woodward schrijft vooraf dat hij Trump niet gesproken heeft. Die gesprekken zijn dan woordelijk en met allerlei details beschreven, maar hoe feitelijk, controleerbaar en waar is zo’n herinnering dan?

Woodward verhult ook helemaal niet wie zijn bronnen zijn. ‘“Oh my god”, dacht Steve Bannon’, schrijft hij, of ‘“What the hell”, dacht Reince Priebus’. Het boek volgt nogal nauwkeurig de momenten in het Witte Huis waar deze en andere A-categorie-bronnen bij zijn. De eerste helft van het boek is met name verteld aan de hand van Trumps ideoloog Bannon en zijn eerste stafchef Priebus, de tweede helft door de ogen van economisch adviseur Gary Cohn, senator Lindsey Graham, Trumps secretaris Rob Porter en zijn advocaat John Dowd.

Omdat deze mannen maar een deel van de tijd bij Trump verkeerden, is Woodwards portret fragmentarisch en doet het nogal willekeurig aan: sommige vergaderingen en ontmoetingen worden lang uitgeschreven, waarna uiterst belangrijke momenten (zijn verkiezing, bijvoorbeeld) met een paar zinnen worden afgehandeld. Daarnaast stelt deze methode Woodwards bronnen in staat om hun eigen rol op te poetsen en breed uit te meten. In de vele conversaties die Woodward woordelijk citeert zijn het telkens dezelfde mannen die bondig en intelligent uit de hoek komen, die Trump loyaal maar ferm van repliek dienen en gezegend zijn met de perfecte, gevatte tegenwerping. Woodwards bronnen mogen hun morele twijfels meegeven: de een ‘walgt ervan’ als Trump over shithole countries begint, een ander is ‘gevloerd’. En natuurlijk mogen zij hun rol vormgeven als patriotten die Trumps gevaarlijkste impulsen neutraliseren.

In die zin is Fear vrijwel analoog aan de anonieme brief die in The New York Times verscheen op de dag na de eerste voorpublicatie uit Woodwards boek. In die brief verklaarde een Witte Huis-insider dat hij of zij lid is van een verborgen oppositie die ‘ijverig werkt van binnenuit om delen van zijn agenda en zijn ergste aandriften te dwarsbomen’. Je vraagt je bij het lezen af wat de motieven van de briefschrijver zijn, of het echt waar is, en of een gezaghebbende krant het een soort stempel van waarheid moet meegeven. Bij Fear is dat jammer genoeg net zo.

Voorbij deze tekortkomingen en te hoge verwachtingen blijft Fear een heerlijk boek over het belangrijkste machtscentrum van de wereld, met de eindbaas die om tien uur naar beneden komt (of elf uur, of half twaalf), zonder zijn agenda en memo’s te lezen vraagt wat zijn schema is voor de dag, die zijn staf constant het gevoel geeft dat ze langs de rand lopen, die een eindeloos arsenaal grofheden heeft (Obama? een ‘weak dick’) en die een aversie heeft tegen doordachte plannen, ‘alsof een plan zijn kracht zou wegnemen, zijn zesde zintuig’. Uiteindelijk blijft het verbijsterend. 