Interview Hans Crombag

Gevaarlijke rechters

Volgende week gaat rechtspsycholoog Hans Crombag met emeritaat, na een niet onomstreden carrière. «Daar krijg ik een enorme kick van: verwikkeld zijn in een stevige polemiek.»

«Rechters zijn unieke mensen. Het is de enige mij bekende beroepsgroep die met het timmermansoog kan zien of een bewering waar is of niet. In de rest van de wereld willen mensen zich nog wel eens afvragen wat de betrouwbaarheid van een aangedragen feit is en elk zichzelf respecterend vakgebied heeft daar een methodologie voor ontwikkeld. Welnu, rechters hebben daar geen last van. Zij kunnen altijd op hun klompen aanvoelen of een getuige de waarheid spreekt of niet. Als een gegeven niet helemaal klopt met eerder bevonden waarheden, dan vergeten ze gewoon het bestaan van het dissonante feit. En schrijven vervolgens hun vonnis. Overigens benijd ik die rechters allerminst om deze prachtige kwaliteiten, want het leidt niet altijd tot bovenmatig intelligente beslissingen.»

Hans Crombag (65), hoogleraar in de rechtspsychologie, gaat met emeritaat. Een invloedrijke, niet onomstreden carrière sluit hij volgende week vrijdag af met het afscheidscollege «Rechters en deskundigen». De rechtspsychologie, een betrekkelijk jong vakgebied, onderzoekt de hoofdrolspelers van de rechtspraktijk. Rechters, advocaten, officieren van justitie en verdachten bevinden zich in bijzondere omstandigheden met bijzondere spelregels. Welke effecten heeft dat op hun denken en doen? Daarnaast onderzoekt rechtspsychologie de sturende werking van rechtspraak op menselijk gedrag. Stelen mag niet en wordt dus bestraft — maar gaan mensen daardoor ook minder stelen?

De European Associaton for Psychology and Law eerde Crombag in 1998 met de Award for Lifetime Contribution to Psychology and Law en noemde hem «de grondlegger van de Europese rechtspsychologie». Crombag verdiende zijn sporen met boeken als Dubieuze zaken: De psychologie van strafrechtelijk bewijs (1992), dat hij schreef met Peter van Koppen en de huidige Leidse rector magnificus Willem Albert Wagenaar. «Dit is zonder twijfel een bijzonder belangrijk boek voor het praktische rechtsbedrijf», schreef Jan Leijten, advocaat-generaal bij de Hoge Raad, in het voorwoord. Het rumoer dat het boek zowel binnen als buiten de rechtszalen veroor zaakte, lijkt Leijten gelijk te geven.

Eveneens opzienbarend was zijn volgende boek Hervonden herinneringen en andere misverstanden (1996, geschreven met Harold Merckelbach), waarin hij uitvaart tegen de in zijn ogen groeiende neiging volwassenen te geloven die zich tijdens hun psychotherapie «herinneren» in hun jeugd seksueel te zijn misbruikt. Minder bekend is De utopische verleiding (1998, geschreven met Frank van Dun), waarin het utopische denken en dromen door de eeuwen heen tegen het licht worden gehouden en de auteurs afkeurend constateren dat de huidige maatschappij in vele facetten doordrenkt is van de hang naar een ideale samenleving, hetgeen «ons vermogen aantast om nuchter met onze problemen om te gaan». Met De utopische verleiding wilde Crombag zijn reputatie als straatvechter slechten om, zo vertelt hij nu, «mijzelf weer als afstandelijk, beschouwend geleerde te presenteren».

En onlangs kwam de bloemlezing van meer dan twintig jaar lezen en schrijven uit onder de titel De man uit Susquehanna. Die man uit dat obscure Amerikaanse dorpje is B.F. Skinner, de grondlegger van het kale en strenge psychologisch behaviorisme. De eveneens omstreden Skinner is Crombags grote voorbeeld, die hij naar eigen zeggen «bewondert zonder volgzaam te worden». De bundel valt op door het brede spectrum aan onderwerpen — van Machiavelli tot de computer als metafoor voor de mens — dat Crombag met trefzekere, zij het soms wat plechtstatige pen bestrijkt.

Hans Crombag: een vasthoudende dwarsligger die met zichtbaar genoegen impopulaire standpunten verdedigt. Een erudiete luis in de pels («daar krijg ik een enorme kick van: verwikkeld zijn in een stevige polemiek») en op een zonnige zaterdagmiddag in de achtertuin van zijn Maastrichtse herenhuis («U eet toch wel een boterhammetje mee?») is hij een charmante spraakwaterval.

In de opleiding tot rechter gaat het volgens Crombag al mis: «We leiden rechters nog steeds op tot mensen met een one track mind. Je kunt een levenlang probleemloos in de wereld van het recht functioneren zonder het besef dat daarbuiten ook een wereld bestaat. En dan met name dat er zoiets als empirische wetenschap is, waar theorieën aan op wetenschappelijke wijze verzamelde data getoetst moeten worden. Dat komt omdat het redeneren van rechters door een moralistisch, sociaal-filosofisch systeem geregeerd wordt, waar feiten en hun context van ondergeschikt belang zijn. In de rest van de wereld worden feiten wél als problematisch ervaren, waarmee ik bedoel dat er vragen worden gesteld als: ‹Hoe ben ik aan mijn gegevens gekomen en wat zijn ze waard?›»

En dat gebrek aan empirisch besef kan verstrekkende gevolgen hebben. Crombag: «Zo ongeveer de dodelijkste combinatie die ik ken is een jurist die met cijfermateriaal aan de slag gaat. Vooral kansberekeningen zijn heel moeilijk voor ze. Een klassiek voorbeeld is een zaak die behandeld werd door de hoogste rechtbank in de Verenigde Staten, de Supreme Court. De vraag was: zal deze ter dood veroordeelde moordenaar recidiveren? De American Psychiatrist Association vertelde het hof — ik zal u de details besparen — dat de psychiatrie dat beter dan toeval kan voorspellen, maar desalniettemin vaker fout dan goed. Laat deze zin even tot u doordringen, en besef daarbij dat het hier om de doodstraf gaat. Goed. Het hof liet de man desalniettemin executeren met als motivering dat, en nu komt het, recidivisme weliswaar vaker fout dan goed werd voorspeld, maar dus niet altijd!» Crombag slaat zichzelf op de dijen van het lachen. Maar hij vervolgt ernstig: «Die man is nu wel dood. Begrijpt u nu wat ik bedoel als ik zeg dat rechters zo nu en dan gevaarlijke gekken zijn?»

Maar ook in Nederland kunnen rechters er op stuitende wijze een potje van maken. De belangrijkste conclusie van Dubieuze zaken: De psychologie van het strafrechtelijk bewijs is dat rechters hun vonnissen regelmatig ondoorzichtig en zelfs slecht motiveren. Crombag: «De vonnissen zijn vaak zo geschreven dat de lezer, onder wie bijvoorbeeld de veroordeel de, moet raden wat de redenering van de rechters is geweest. Het gaat niet alleen om nodeloos ingewikkeld en verhullend taalgebruik, maar ook om kale logica. Ik bestuur die vuistdikke dossiers en vertaal ze in schema’s en diagrammen en wat al niet meer. Regelmatig denk ik: waarom volgt B uit A? En waar baseert de rechter veronderstelling X op? Ik zie u denken: dat zijn uitzonderingen. Nee, bepaald niet, want in de handboeken wordt rechters geleerd dat te doen. Zij menen dat een helder vonnis je kwetsbaar maakt voor kritiek. Wat voor verdachten geldt, geldt ook voor rechters: wat je niet gezegd hebt, kunnen ze ook niet tegen je gebruiken. ‹Het vonnis dichttimmeren› noemen ze dat, maar het is eerder een rookgordijn optrekken.»

De decennia oude kruistocht van Crombag wil voornamelijk aantonen dat rechters niets menselijks vreemd is. Alleen wordt dat niet voldoende beseft en vooral niet door rechters zelf. Er zijn verzachtende omstandigheden aan te dragen: het Nederlandse rechtssysteem lokt de menselijke tekortkomingen uit. In Dubieuze zaken en in De man uit Susquehanna legt Crombag uit hoe het Nederlandse procesrecht een fuik voor vooringenomenheid is. De aanklager stelt het dossier samen en overhandigt het aan de rechter. De rechter neemt het dossier door, en de zittingen beginnen.

Crombag: «Wij psychologen weten dat mensen uiterst gevoelig zijn voor confirmation bias: informatie die strookt met onze bestaande overtuigingen heeft een streepje voor op informatie die onze overtuigingen tegenspreekt. Het is in dit opzicht dan ook niet slim dat de rechter het dossier leest voordat de zittingen beginnen en hij zich dus een idee over de zaak heeft kunnen vormen voordat de zittingen beginnen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat zowel jonge als ervaren rechters veel last van de confirmation bias hebben. Ikzelf ben het in de praktijk ook heel vaak tegengekomen. Een waargebeurd voorbeeld: een overvaller wordt veroordeeld onder meer omdat twee getuigen hem herkenden. Maar in het dossier waren ook acht getuigenverklaringen te vinden van mensen die de man níet herkend hebben. En wat schetst onze verbazing: van die getuigenverklaringen vernemen we in het vonnis van de rechter niets meer. Misschien had de rechter goede redenen om die twee confirmerende verklaringen wel te geloven en die acht dissonante niet, misschien hadden die acht slechte ogen, ik zeg maar wat, maar evengoed: ik lees daar niets over. Met andere woorden: impliciet en waarschijnlijk onbewust heeft de rechter die acht verklaringen naar de prullenbak verwezen.»

Een week voor zijn afscheidscollege aan de faculteit der rechtsgeleerdheid te Maastricht dringt de vraag zich op of Crombag succes heeft gehad. Begint de magistratuur te beseffen dat haar oordelen feilbaar zijn? Acht jaar na het verschijnen van Dubieuze zaken, nu het opgewaaide stof is gaan liggen, zijn de eerste tekenen daarvan waar te nemen. Top-advocaat Gerard Spong, in het weekblad Inter me diair: «Vooral in zedenzaken heeft de rechter meer oog voor rechtspsychologische valkuilen. Ik ben ervan overtuigd dat Crombag hiertoe heeft bijgedragen. Zijn werk vind ik getuigen van grote creativiteit en deskundigheid. Zijn scherpzinnige analyses en vooral zijn beroepskritische instelling waardeer ik zeer.» Job Cohen, staatssecretaris van Justitie die als goede vriend van Crombag het voorwoord van De man uit Susquehanna mede schreef, zegt in hetzelfde Intermediair: «Men is er inmiddels van overtuigd geraakt dat een empirische benadering zoals Crombag en zijn collega’s voorstaan, van wezenlijk belang is voor de ontwikkeling van de rechtsspraak. Die benadering wordt dan ook steeds serieuzer genomen.»

Een glunderende Crombag: «Gefinancierd door het ministerie van Justitie neemt een clubje hoogleraren het wetboek van strafvordering onder de loep om te kijken waar verbeteringen aangebracht kunnen worden. Onlangs maakte de commissie haar verlanglijstje van veranderingen bekend. En wat staat bovenaan: laat rechters hun vonnissen beter motiveren en laat ze duidelijk maken hoe ze de bewijslast gewogen hebben. Ha! Precies waar wij acht jaar geleden op wezen. Is het in navolging van mijn onderzoek? Ik geloof dat uit ijdelheid natuurlijk graag, maar ik kan het alleen maar vermoeden. Maar zeker weet ik dat bijvoorbeeld mijn luidruchtigste criticus van destijds bekeerd is. Tom Schalken, hoogleraar strafprocesrecht aan de VU, bekritiseerde onlangs in het vakblad De Nederlandse Jurisprudentie het oordeel van de Hoge Raad in de bekende Puttense moord zaak. En hij verwijst herhaaldelijk instemmend naar mijn boek! De man die het hardst riep: wat een onzin! Ziet u mijn neus krullen van trots?»

Toch valt er nog heel wat strijd te voeren. Rechters zijn te goedgelovig. Crombag: «Mijn laatste college handelt over dat probleem. Want staat u bekend als een deskundige? Grote kans dat de rechtbank uw verklaring klakkeloos aanneemt. Maar ook simpele dossierfeiten worden niet goed tegen het licht gehouden. Er is geen systeem om rechters daartoe te dwingen, en een simpel protocol zou wonderen kunnen verrichten. Sommige artsen werken met zogeheten decision supporting systems in hun diagnosticering, wat betekent dat bijvoorbeeld een computer de arts verhindert vragen over te slaan of inconsistente gegevens te negeren. Twee simpele vragen zouden de rechters kunnen helpen. Ten eerste: ‹Waar komt de informatie vandaan?› en ten tweede: ‹Waarom zou ik het geloven?› In het dagelijks verkeer zijn dat heel normale vragen, maar in de rechtbank worden ze zelden gesteld. Waarom niet? De rechter krijgt die getuigen zelden te zien, omdat het oproepen van de getuigen als tijdrovend en geldverslindend wordt gezien. De rechter heeft zes velletjes papier getiteld ‹proces- verbaal› voor zich, die steevast in zeer slecht proza zijn opgesteld door politieman Jan Klaassen in Doetinchem of waar dan ook. Dat proza krijgt een zekerheidskarakter dat er in werkelijkheid niet is. Nuances verdwijnen: twijfelende verzuchtingen zijn in zo'n proces-verbaal niet op te schrijven en het aarzelende ‹ja maar…› wordt weggemoffeld.

Afgelopen donderdag ben ik nog als contragetuige opgetreden in een zedenzaak. Een stiefvader zou zijn pleegkindje seksueel belaagd hebben. In de rechtszaal heerst de sfeer: zo is het gegaan, want al de gehoorde mensen vinden dat.

Maar de vraag: ‹Waar komt alle informatie vandaan?› heeft een heel simpel antwoord: het pleegkindje. En de tweede vraag: ‹Waarom zou ik dit geloven?› lijkt toch echt negatief beantwoord te moeten worden, want onderzoek en ervaring leren dat weinig zaken zo zacht als boter zijn als het geheugen van een kind. Over dat laatste kunnen we discus siëren, akkoord, maar in hemelsnaam, stel die vragen. Als ik aan het begin van mijn carrière stond zou ik daar veel tijd en energie aan willen besteden.»

En dat brengt Crombag op een punt dat hem de laatste jaren meer en meer zorgen baart: het ontstaan van een nieuw soort klassenjustitie. Crombag: «De nieuwe klassenjustitie gaat niet zozeer om geld, want het verschil tussen Moszkowicz en de jongste vennoot van een goedkoop kantoortje is niet zo groot. Veel belangrijker is publiciteit. Als je een grote boef bent die in drugs gehandeld heeft, pas dan wordt je zaak echt goed behandeld. Ineens wordt de rechtbank heel recht in de leer. Iedereen staat op scherp, terwijl een ordinaire winkeldiefstal met tien andere er door de politierechter op een ochtendje doorheen wordt gejast. ‹Meneer de rechter, ik stond achter in de winkel, dus ik kon de kassa helemaal niet meegenomen hebben.› ‹Jaja›, zegt de rechter dan, ‹dat zeggen ze allemaal. Hup, een jaar voorwaardelijk. Volgende, want we hebben achterstand.› Ik chargeer nu een beetje, maar vaststaat dat bij een grote drugszaak de rechtbank rustig zes keer bijeenkomt om de zaken nog eens door te nemen. Sommigen zeggen: het is maar goed ook dat het er bij grote zaken zorgvuldiger aan toegaat, want het onderzoek alleen al heeft tientallen miljoenen guldens gekost. Kom nou! Alsof een veroordeling op een alleenstaande huismoeder minder impact heeft. In dit land heeft een drugsbaron kennelijk meer recht op zorgvuldigheid dan een huismoeder. Enfin, u ziet: mijn emeritaat komt veel te vroeg.»