Over schuld, schaamte en handjes boven de deken

Gevangen in de blik van de ander

Gabriël van den Brink (links) en Frits de Lange

We denken dat het lichaam dankzij de secularisatie uit de sfeer van schuld en schaamte is bevrijd en tegenwoordig een object van toewijding en genot mag zijn. Maar dat beeld behoeft nuancering. Theoloog Frits de Lange en cultuurfilosoof Gabriël van den Brink denken mee.

Medium van den brink en de lange

‘Dit is gewoon religie!’ roept theoloog Frits de Lange na een beschrijving van de extatische vervoering op een houseparty te hebben aangehoord. Het gaat om deze tekst: ‘Het housegevoel is een verrijking van de geest, een zinderende viering van het bestaan. We raken in een staat van gemeenschappelijke extase en worden deel van een groter geheel, waarin tijd en ruimte versmelten met de muziek. Deze belevenis ontstijgt het alledaagse. We ondervinden begrip, waardering en uitzinnigheid op het hoogste niveau.’

Cultuurfilosoof en -socioloog Gabriël van den Brink, hoogleraar bestuurskunde in Tilburg, knipte deze wervende woorden uit een advertentie voor het dansfestijn Sensation in de Amsterdamse Arena. ‘Deze unieke stroming brengt gevoelens teweeg van bevrijding en verbondenheid’, juicht de advertentie verder. ‘Samen delen, samen lachen, samen liefhebben. Het zijn kernwaarden van de housecultuur en de drijfveren van een generatie.’

De tekst sterkt Van den Brink in zijn overtuiging dat het lichamelijke in de moderne tijd een verbinding is aangegaan met ‘het hogere’, zoals hij het noemt. Het lichaam behoort volgens hem niet meer louter tot de lagere regionen van de lust, als een object dat moet worden toegedekt en beheerst. Het kan als bron van vitaliteit ook ten dienste van hogere waarden staan, zegt hij: ‘Dat blijkt ook uit die advertentie voor Sensation. Het zijn niet de minste waarden die daarin worden gecelebreerd. Op deze party verrijk je via je lichaam de geest, overstijg je het eigen­belang, verbind je je met anderen en kom je met hen tot een gemeenschappelijke extase. Hier wordt een intense ervaring beschreven in religieuze termen.’

Frits de Lange, hoogleraar ethiek en oud-­rector aan de Protestantse Theologische Universiteit in Kampen, beaamt dat het extatische effect van goede popmuziek vergelijkbaar is met religieuze vervoering. Hij bezoekt graag pop­concerten en is in zijn vrije tijd gitarist in de band Tuesday@8, waarmee hij ook dit voorjaar weer heeft opgetreden op Oerol. ‘Ik ervaar het zelf ook zo’, zegt hij. ‘Ik zou menige kerkdienst inruilen voor een popconcert. De dreunende bassen in je buik, het sensuele dat in de lucht hangt, het intense gehoor, het fysieke, dat alles bewerkstelligt een gezamenlijke extase in de zaal. Ik herken dat en mis dat ook in het verbalisme van veel protestantse kerkdiensten, waarin alles op het individu is gericht. Het zijn klassieke vormen van collectieve rituelen die wat met je doen, hoewel veel mensen een hulpmiddel als een pilletje nodig hebben om tot die extase te komen. Een soort sacrament.’

Van den Brink, afkomstig uit een katholiek Brabants gezin, reageert: ‘Frits, over hulpmiddelen gesproken! Wat dacht je van die onthouding vroeger, in de katholieke kerk? Je mocht een aantal uren voor de mis niet eten, zodat je half verdwaasd in de bankjes zat. En dan die bedwelmende wierook!’

De Lange, gekscherend: ‘Ik voelde me inderdaad als een protestant bij een eucharistieviering, toen mij tijdens een popconcert dat pilletje werd aangeboden. Ik weigerde het en toen voelde ik me een beetje geëxcommuniceerd.’

De Lange en Van den Brink ontmoeten elkaar in hotel Wientjes in Zwolle. Onderwerp van gesprek is de verandering die de lichaams­cultuur in de moderne tijd heeft ondergaan. Het overheersende beeld is dat het lichaam dankzij de secularisatie uit de sfeer van schuld en schaamte is bevrijd en nu een object van toewijding en genot mag zijn. De Lange nuanceert dat beeld. Aan de ene kant erkent hij dat de voorstelling van God als de alziende, strenge rechter die over ieders schouder meekijkt mensen van een onbekommerd leven heeft beroofd: ‘Op de zondagsschool zongen we ooit als kind: “Kijk uit, kleine handjes, wat je doet. Kijk uit, kleine oortjes, wat je hoort. Kijk uit, kleine oogjes, wat je ziet. Want er is er een in de hemel die alles ziet wat jij doet.” Nou, dan is het met de spontaniteit gauw gedaan, kan ik je zeggen.’ Aan de andere kant beklemtoont hij dat het christendom allesbehalve lichaamsvijandig is. Het is de religie van de incarnatie, de vleeswording. God is in Christus fysiek geworden. En waarom heeft God onze zinnen geschapen als ze niet geprikkeld mogen worden?

In de studie De lage landen en het Hogere: De betekenis van geestelijke beginselen in het moderne bestaan ontvouwt Van den Brink de stelling dat het lichaam meer dan ooit is verbonden met vitale waarden als passie, vrijheid, balans en kracht. Het boek is een verslag van een onderzoek aan de Universiteit van Tilburg naar eigentijdse vormen van idealisme, opgevat als het streven om toegewijd te zijn aan een hoger doel. In de religieuze gedaante heeft die toewijding vanouds een sacrale vorm. In de strijd voor een betere maatschappij heeft het idealisme nadien een sociale vorm gekregen. In de zorg om het lichaam neemt de toewijding aan een hoger doel nu ook een vitale vorm aan, stellen de onderzoekers. De Lange kan een eind in deze stelling meegaan, hoewel niet zonder op de schaduwkant te wijzen. De moderne lichaamscultuur kan ook ontaarden in weerzin van het imperfecte lijf, of zelfs in de gedachte dat de mens zijn waardigheid verliest als het lichaam niet meer wil. De Lange heeft daarover onder meer geschreven in het boek Waardigheid: Voor wie oud wil worden.

Van den Brink licht toe: ‘Waarom ben ik op dat vitale gekomen? Vanaf de jaren zestig hebben de praktijken rondom het lichaam enorm aan aandacht gewonnen. Het begon met seks. Dat was een katalysator van deze lichaamscultuur. Mensen hebben natuurlijk altijd plezier beleefd aan seks, maar dat was lange tijd in het heimelijke, weggestopt achter taboes. Door de anticonceptie kon dat taboe worden gesloopt en het domein van de seks worden geëxploreerd. Dat zie je aan het vrijkomen van alle identiteiten die daarvoor ook bestonden, maar geen publieke status hadden, zoals homoseksualiteit.’

De Lange: ‘Je wilt zeggen dat we deze emancipatie aan de anticonceptie hebben te danken?’

Van den Brink: ‘Ja, maar ik geef toe dat er ook minder aangename ervaringen meekwamen. De tweede feministische golf is mede geïnspireerd door mannen die vanwege de pil dachten: fijn, nu kunnen we onze gang gaan. Mijn punt is dat met die seksuele bevrijding een nieuwe lichaamscultuur begon, waarin de aandacht voor een gezond lichaam toenam. In de reactie wordt tegenwoordig vooral het negatieve aspect beklemtoond. Al die aandacht voor het lichaam zou niet deugen, het is gevaarlijk, te wild, te plat, niet meer dan lust. Ik vind die reactie een beetje laf. Het denken stopt bij de vaststelling dat de secularisatie de overgang markeert van een religieuze wereldbeschouwing, waarin het sacrale voorop stond, naar een meer wereldse, met het sociale als belangrijkste vorm van idealisme. Ik vind dat veel te beperkt. De sociale wetenschappers zijn er op uit om alles in het leven terug te brengen tot maatschappelijke omstandigheden. Ze nemen religie niet serieus, tenzij als uitdrukking van maatschappelijke verhoudingen, en ze nemen het lichaam niet serieus, tenzij als projectiescherm van sociale problemen. Dat is een vorm van denken die zijn kracht zoekt in reductie. In mijn visie is een driedimensionale benadering van het bestaan essentieel. Het lichaam, het sociale en geestelijke zijn alle drie wezenlijk en ze werken bovendien op elkaar in.’

Van den Brink signaleert dat de biologische dimensie van het leven aan status wint: ‘Het biologische denken is in opkomst. Dat verklaart waarom dat boek van Dick Swaab, Wij zijn ons brein, meer dan honderdduizend maal is verkocht. Het succes van dat boek is een symptoom van een onderliggende verschuiving, waarbij allerlei waarden, deugden en kwaliteiten, maar ook ondeugden, een biologische dimensie krijgen. De bron van het kwaad zit daar ook. We kijken tegenwoordig toch graag even naar het dna, als iemand zich crimineel gedraagt. Vroeger was je een misdadiger doordat je een slechte jeugd had gehad, nu doordat je verkeerde genen hebt of doordat je te veel hebt meegerookt tijdens de zwangerschap van je moeder.’

De Lange: ‘De lichaamscultuur neemt de rol van religie in haar transcenderende werking over. We moeten steeds hoger, steeds verder. We moeten onszelf overtreffen en daarvoor zijn we voortdurend aan het oefenen. De sport is de meest functionalistische uiting van dat fenomeen.’

Van den Brink: ‘Van sport krijg je een kick, maar doen we het alleen daarvoor? Al die moeite die je doet om jezelf te overtreffen is ook een gebod aan jezelf. Daarin zit een geestelijke stap, alleen wordt die niet als zodanig erkend.’

De Lange: ‘Afzien! Zo heet die stap. We willen boven onszelf uitstijgen. De winnende wielrenner of hardloper moet onderweg wel tien keer “doodgaan”, heet het dan. Dat heeft een transcendent trekje. Je beschouwing bevestigt mij in het idee dat we door en door religieuze wezens zijn. We hebben, linksom of rechtsom, behoefte aan transcendentie, aan iets groters dan wijzelf waaraan we ons kunnen wijden. De verbondenheid met het hogere, zoals jij het noemt, is een substantiële omschrijving van religie. Ik vraag me dus af of we zo geseculariseerd zijn als we denken. We denken dat we zijn verlost van de religie, hoewel we nog nooit zo religieus zijn geweest. We denken dat het lichaam is bevrijd, hoewel we het nog nooit zo onderhevig hebben gemaakt aan regels, vormen van ascese en disciplines als nu. Er heerst nu een massale gekte om de marathon te lopen. Je bent eigenlijk geen volwaardig Tweede-Kamerlid als je niet hebt meegedaan aan de marathon van New York of Peking.’

Van den Brink: ‘Is dat echt zo? Ik zou zeggen dat die grote toewijding aan het lichamelijke typerend is voor het proces van modernisering. Een moderne tendens is dat we er meer en meer naar streven om onze idealen en de werkelijkheid dichter bij elkaar te brengen. Hoewel we nooit zullen meemaken dat ideaal en realiteit samenvallen, zeker niet als het om het ideaalbeeld van ons lichaam gaat. Maar we nemen idealen wel steeds serieuzer en we werken er hard aan om ze waar te maken.’

De Lange: ‘Interpreteer jij de moderniteit nu als het verdwijnen van elk geloof in een ideaal buiten het aardse leven?’

Van den Brink: ‘Dat ligt eraan hoe je dat geloof opvat. Wat vroeger in religieus verband was gereserveerd voor de eindtijd proberen we tegenwoordig in het hier en nu te verwezenlijken. In de negentiende eeuw begon dat proces. Marx sprak over die nieuwe maatschappij die er binnen een afzienbare termijn zou komen en zijn volgelingen dachten dat het binnen één of twee generaties wel zo ver zou zijn. Inmiddels willen wij onze idealen in dit leven waarmaken. We hebben maar één leven en we moeten het daarom doen in die korte tijd die ons gegeven is. Dat heeft ook zijn effect op de moraal. Het is mooi dat iemand een ideaal heeft, maar we willen wel weten of zijn handelen ermee strookt, of hij er moeite voor doet. Op zondag in de kerk zitten en door de week de arbeiders uitbuiten? Dat kan niet meer. Daar nemen we geen genoegen meer mee.’

De Lange: ‘Dat is waar, maar met dat geloof in een hiernamaals is óók het wijdere tijds­perspectief dan alleen ons individuele leven weggevallen. Alles moet hier en nu gebeuren. Daarvan krijg je het erg druk en ook Spaans benauwd. In de joodse traditie ben je een schakel in de keten naar de Messias en neem je daarmee ook genoegen. Dan ben je een gezegend mens. Die keten van generaties waarvan je dan deel uitmaakt ontspant je lichaam.’

Van den Brink: ‘Ja, maar het feit is dat steeds meer mensen hun leven op het hier en nu ­richten. Dat kun je betreuren, en dat doe ik ­misschien ook wel, maar met dat feit moeten wij ons zien te verstaan. De feitelijkheid in Nederland is dat de massa jong wil zijn en veel aan sport doet.’

De Lange: ‘Over feitelijkheid gesproken! Babyboomers willen eeuwig jong blijven, maar dat is nog nooit iemand gelukt en dat zal ook nooit iemand lukken. Het is een feit dat we allemaal ouder worden en dat ons lichaam dan ­aftakelt. Hoewel ouderdom méér is dan alleen aftakeling zullen we ons in die fase van het leven hoe dan ook op de dood moeten voorbereiden. Ook in de jeugdigheidscultuur van nu moet het sterven een plaats krijgen. Ook een marathonloper zal eens doodgaan. Ik denk dat we onszelf een rad voor ogen draaien met die normativiteit van het jeugdige lichaam. In naam van meer werkelijkheidszin pleit ik ervoor uit onze historische bagage, dus ook uit de religieuze traditie, lessen te trekken voor een meer reële blik op lichamelijkheid en ouder worden.’

Van den Brink: ‘Welke les trek jij dan voor het levenseinde?’

De Lange: ‘Die discussie over voltooid leven, dat idee dat iemand je uit het leven helpt zodra je dement wordt, wijst op het taboe worden van de aftakeling. Ik weet niet of we hier nu vóór of misschien juist achter lopen, ik weet wel dat Nederland wereldwijd uit de pas loopt. We spreken badinerend over doodgaan en verabsoluteren de zelfcontrole. De leidende gedachte wordt dat mijn leven zinloos is als ik er niet meer de baas over ben en dat anderen er dan op mijn verzoek een einde aan moeten maken.’

Van den Brink: ‘Ja, een superliberaal idee. Mijn individuele autonomie en mijn rede, dat is wat ik ben, en als dat minder wordt hoeft het niet meer, dan is mijn waardigheid voorbij. We hebben moeite met het onvolkomene, het gebrekkige. We zijn liever winnaars dan verliezers en hebben liever ook geen last van iemand die niet meekomt of aan wie een steekje los is. Met mensen die niet slagen hebben we weinig mededogen.’

De Lange: ‘Met de losers. Maar wat wil je ook, autonomie is een opdracht, een harde eis van de moderne samenleving, niet alleen een ideaal. Je moet jezelf redden, voor eigen rekening kunnen leven. Daarom is het ook not done mijn kinderen te vragen voor me te zorgen als ik het niet meer red.’

Van den Brink: ‘Het is op zich wel consequent. In een harde, competitieve maatschappij, met winnaars en verliezers, heb je er maar voor te zorgen dat je bij de winnaars hoort. Je kunt niet te veel tijd besteden aan mensen die het niet halen. De vraag is natuurlijk of je dat accepteert als je onverhoopt bij de losers gaat behoren.’

De Lange: ‘Inderdaad, dan is het ook consequent dat we het aftakelende lichaam niet accepteren. We moeten vitaal zijn. Er is weinig ruimte voor een moraal waarin oud en krakkemikkig als een geaccepteerde levensfase wordt gezien.’

Van den Brink: ‘Je ontkomt niet aan die laatste vier, vijf jaar van je leven waarin de aftakeling pijnlijk, vervelend wordt.’

De Lange: ‘Het lijkt me niet goed dat we die jaren maar niet meer meetellen voor een betekenisvol leven. Ik vind het wat wrang om dat voltooid leven te noemen.’

In een preek signaleerde De Lange onlangs dat in de geseculariseerde samenleving een nieuwe schaamtecultuur de plaats heeft ingenomen van de schuldcultuur uit de tijd dat het christendom domineerde. De uitwerking van de christelijke schuldcultuur was volgens hem dubbel­zinnig. Positief geduid heeft het idee dat God een alziende rechter is het geweten van vorige generaties gescherpt. Tegelijkertijd heeft het benauwenis over het leven van die mensen gebracht. In de moderne tijd weten wij niet het oog van God maar dat van anderen op ons gericht, betoogt De Lange. Wij stemmen ons handelen af op het voorbeeld dat anderen ons geven, mensen die het ideaal belichamen dat wij onszelf hebben gesteld. De schaamte ontstaat als wij ten opzichte van dat ideaalbeeld tekortschieten. Negatief geduid zijn we daarmee de gevangenen van de blik van anderen geworden, concludeert hij. We willen eruitzien zoals we denken dat anderen ons willen zien. Dat roept volgens hem de vraag op of ons lichaam in deze tijd wel zo bevrijd is als wij veronderstellen.

De Lange: ‘We zeggen onze eigen autoriteit te zijn geworden, hoewel we ons tegelijkertijd spiegelen aan anderen. Ben ik minder of beter dan anderen? Die competitiedrift zit in ons ingebakken, maar wordt nu tot wet verheven. In het boek The Lonely Crowd sprak de socioloog David Riesman al wat langer geleden over de overgang van inner-directed naar outer-directed mensen. Innerlijk gestuurde mensen worden geleid door het geweten dat zij in hun opvoeding hebben opgedaan. Het gezag van ouders, kerk en samenleving hebben zij verinnerlijkt en zich eigen gemaakt. Het geweten stuurt deze mensen als het ware als een soort kompas. Dat kompas is nu vervangen door een radar. Mensen stellen hun gedrag af op de signalen die zij van anderen in hun omgeving opvangen. Ik kan die hele cultuur rond Facebook niet anders begrijpen dan dat mensen zich spiegelen aan ontelbare anderen om zo zelf iemand te kunnen zijn.’

Van den Brink: ‘Wat jij signaleert, Frits, is zeker gaande. Meer dan ooit hebben wij in deze wereld behoefte aan een held, een leider die letterlijk voordoet hoe het moet. Dat voorbeeld werkt ook spiegelbeeldig. Een bankier die een dikke bonus krijgt voor een wanprestatie geeft het voorbeeld hoe het níet moet. Ook dat heeft een groot effect op de publieke moraal, in negatieve zin welteverstaan. Er is een grote behoefte aan voorbeeldige idealen.’

De Lange: ‘Mensen zetten alleen hun beste momenten op Facebook. Ze zullen zelden vermelden dat ze zich een dag beroerd voelen of iets fout hebben gedaan. De sfeer is meer: “Kijk mij eens, ben je niet jaloers op mij?” Hoewel ik voorzichtig wil zijn met het leggen van causale verbanden zou het me niet verbazen als we hier een tipje van de sluier van onze depressie-­epidemie oplichten. Ik vind die theorie van de Franse ­socioloog Alain Ehrenberg heel plausibel. Hij zegt dat we zo onder die epidemie lijden omdat we ons voortdurend een vergrote versie van onszelf voorhouden.’

Van den Brink: ‘Was die christelijke schuldcultuur dan beter?’

De Lange: ‘Nu ja, dat je altijd schuldig was ten opzichte van God was ook niet alles. Maar aan de andere kant, de idee dat er één is die over ons oordeelt, dus dat dit oordeel jou noch mij toekomt, is zo gek nog niet. Wij schorten ons oordeel over elkaar en over onszelf op, tot het laatste oordeel valt. Intussen vergeven we elkaar. We doen ons best, maar het behoud van onze ziel en zaligheid hangt niet af van het verwezenlijken van een ideaalbeeld dat wij van onszelf maken. Levert dat geen gezondere psyche op dan de schaamtecultuur waarin we nu leven? Ik heb het idee dat we nu in een lichaamsvijandige cultuur leven waarin veel mensen zich schamen. Ze zijn niet tevreden met hun lichaam en kunnen dat ook bijna niet zijn. Het gestileerde lichaam dat we ons als voorbeeld stellen bestaat in feite niet, hoogstens in gephotoshopte vorm. We zijn dus inderdaad gevangenen van de blik van de ander. Gevangen en niet bevrijd.’

Van den Brink: ‘We lijden inderdaad onder de voortdurende jacht naar een beter ik. Er kan een gevoel van gedoemdheid of zelfuitputting ontstaan als we steeds de impuls volgen om onszelf te overtreffen. Ik kon me vroeger ook beter ontspannen. Hoe komt dat toch? We moeten permanent aan de eigen verwachtingen van onszelf voldoen. Je kunt dat ook verklaren uit het feit dat we juist heel gewetensvol zijn. Daarom moet je niet alleen kijken naar het verschil tussen een schuld- en een schaamte­cultuur. Je kunt ook stellen dat we ons geweten nog nooit zo serieus namen als nu. Alleen is het nu niet langer een God maar de omgeving die ons daaraan herinnert. Zelfsturing is echt de norm. Als je dat kunt, haal je het in het leven, en als je het niet kunt, ben in je in Nederland gewoon uitgekacheld.’

De Lange: ‘Ik overdrijf een beetje met die overgang van een schuld- naar een schaamtecultuur, maar dat doe ik ook om me af te zetten tegen dat zwart-witbeeld van de islam als een extreme schaamtereligie, versus ons geliberaliseerde, geseculariseerde Nederland, waar het lichaam is bevrijd. Dat klopt van geen kant. Het lichaam in Nederland is nog met veel schaamte verbonden.’

Van den Brink: ‘Dat betwijfel ik toch. Kijk jij wel eens naar porno? Ik wel. En het wordt massaal bekeken, dus vergis je niet. Ik vind het een fascinerend onderwerp van onderzoek. Je krijgt altijd te horen dat in porno een onbereikbaar ideaal van seksuele vitaliteit wordt verbeeld, met als effect dat mensen over zichzelf teleurgesteld zijn doordat ze daar nooit aan zullen voldoen. Toch worden die beelden daar niet minder aantrekkelijk door. We hebben behoefte aan verbeelding omdat we onze driften, onze angsten, onze fascinaties van een zichtbare gestalte willen voorzien. Het is een forse reductie van het verschijnsel verbeelding om louter naar het maatschappelijke of psychologische effect te kijken. Ik neem de verbeelding juist serieus door haar als waarde op zichzelf te zien. Wat zien mensen eigenlijk als ze naar een verbeelding van Jezus’ kruisweg kijken? Mijn God, dat is niet mis. Dus kom bij mij niet aan met het maatschappelijke effect van verbeelding, ook niet als het om porno gaat. Beelden zijn een onuitwisbaar element in de geschiedenis van ons geestelijke leven en daartoe zullen we ons moeten verhouden. Zó moet je naar porno kijken, helemaal niet met de illusie dat daar een of andere werkelijkheid te zien is. Verstandige mensen weten dat ook heus wel.’

De Lange: ‘Religie en seksualiteit kunnen dicht bij elkaar liggen. Kijk naar dat beeld dat de zestiende-eeuwse kunstenaar Bernini in de kerk Santa Maria della Vittoria in Rome van de heilige Theresia van Ávila maakte. Vlammende barok! Je ziet een dame in religieuze extase, van wie je je onwillekeurig ook afvraagt of ze nu klaarkomt. Het christendom is doorgaans erg aards, fysiek en allesbehalve lichaamsvijandig. Ziel en lichaam worden er niet gescheiden.’

Van den Brink: ‘Een anti-lichamelijk christendom zou waarschijnlijk ook nooit zo’n massaal succes zijn geworden.’