Essay Cyber-utopisme

Gevangen in de cloud

De anarchistische vrijstaat die internet ooit was, is verworden tot een toezichtsstaat. Door de almaar uitdijende cloud krijgen overheden persoonlijke data op een presenteerblaadje aangeboden.

Medium groot data s empire

De cloud is voor informatie wat de containerterminal is voor goederen. Hij heeft een hogere graad van standaardisering dan eerdere vormen van informatie- en communicatietechnologie. Van sociale netwerken tot de detailhandel, van financiële transacties tot e-mail en telefoongesprekken: uiteindelijk komen deze en andere diensten allemaal in de cloud terecht.

Zeker, het internet was altijd al een soort groothandel voor informatiestandaarden. Informaticahoogleraar Milton Mueller heeft opgemerkt dat deze vroeger werden aangeboden ‘via aparte technologieën onder aparte wetten en toezichthouders’, maar nu zijn samengekomen in het internet. In de cloud gaat wat Mueller ‘digitale convergentie’ noemt nog een stap verder: gegevens worden doeltreffender en grondiger verzameld, geanalyseerd en te gelde gemaakt dan op het open internet.

De laatste twintig jaar hebben verschillende auteurs geprobeerd om de fysieke verschijningsvorm van de schijnbaar grenzeloze informatiesamenleving te beschrijven. De term space of flows werd bijvoorbeeld in de jaren negentig bedacht door de Spaanse socioloog Manuel Castells. Deze term slaat op de ruimtelijke en fysieke aspecten van de wereldwijde goederen-, informatie- en geldstromen. Volgens Castells bestaat de space of flows uit een circuit van elektronische schakelingen die, alles bij elkaar, de materiële basis vormen voor de processen die van strategisch belang zijn in de netwerksamenleving. Castells voegt hieraan toe dat deze materiële basis ‘een ruimtelijke vorm is, net zoals “de stad” of “de regio” dat waren in de handelssamenleving of het industriële tijdperk’.

Volgens de juristen Tim Wu en Jack Goldsmith schuilt er onder deze ‘vormeloze cyberspace’ een ‘transportinfrastructuur van koperdraad, glasvezelkabels en routers en switches die informatie van de ene naar de andere plek geleiden’. James Gleick beschrijft het datacentrum als het ‘raderwerk’ en de cloud als de ‘avatar’. De cloud heeft datacentra nodig. En die zijn weer afhankelijk van grote hoeveelheden water, hoogwaardige glasvezelverbindingen en andere geavanceerde infrastructuur. Er moet ook goedkope energie in overvloed beschikbaar zijn; de enorme CO2-uitstoot van de cloud schendt zelfs de meest tolerante milieuwetgeving. Ook al lijken data in de cloud gewichtloos, de infrastructuur die de permanente beschikbaarheid moet garanderen is monsterachtig van omvang. Volgens een onderzoek van The New York Times uit 2012 gebruikt de cloud wereldwijd ongeveer dertig miljard watt aan elektriciteit, wat ruwweg overeenkomt met de stroomproductie van dertig kerncentrales. Ongeveer een kwart tot een derde van deze energie wordt verbruikt door datacentra in de Verenigde Staten. Volgens een expert kan ‘één enkel datacentrum meer energie verbruiken dan een middelgrote stad’.

Een datacentrum is een geblindeerd, groot, plat gebouw. Walmart is zijn voorloper. De exacte locaties van de meeste centra zijn geheim. Op haar gebruikers maakt de cloud een bijna transparante indruk – altijd beschikbaar, maar nooit fysiek aanwezig. Maar in wezen is de cloud een rudimentaire infrastructuur van beton en staal. Denk eerder aan een fort dan aan een wolk. Zoals architect en schrijver Pier Vittorio Aureli zegt: ‘Iedere macht, hoe groot, totalitair, alomtegenwoordig, hightech, democratisch en ontwijkend ook, laat uiteindelijk sporen achter die moeilijk uit te wissen zijn. Dat is de reden dat – anders dan het web – de stad als plek in onze perceptie een strategische plek van actie en tegenactie is. (…) Om het netwerk kritisch te kunnen benaderen moeten we ons een radicale voorstelling maken van zijn materialisering.’

In discussie met Aureli betoogt de theoreticus Boris Groys dat het netwerk zich op (of onder) een ‘territorium, gecontroleerd door het leger’ bevindt. Hiermee, beweert Groys, ‘ligt het doel van toekomstige oorlogen nu al vast: controle over het netwerk en de informatie die erin omgaat. Het lijkt me dat het streven naar mondiale totalitaire macht niet achter ons ligt, maar een belofte van de toekomst is. Als het netwerk culmineert in één mondiaal gebouw, dan moet er één macht zijn die hem controleert. De centrale politieke vraag van onze tijd is: wie is die macht?’

Volgens een expert kan ‘één enkel datacentrum meer energie verbruiken dan een middelgrote stad’

De begintijd van het internet werd gekenmerkt door een zeker anarchisme. John Perry Barlow, oprichter van de Electronic Frontier Foundation (en ooit tekstschrijver van de Grateful Dead) verwoordde dit anarchisme in zijn in 1996 verschenen manifest A Declaration of the Independence of Cyberspace. Barlow betoogt hierin dat het netwerk en zijn bewoners onafhankelijk zijn van de ouderwetse regels en verordeningen van de natiestaat: ‘Met jullie ideeën over eigendom, vrijheid van meningsuiting, identiteit, beweging en context hebben wij niets te maken. Al jullie wetten zijn gebaseerd op materie, en die is hier niet.’

Hij riep cyberspace uit tot een sociaal-politieke gemeenschap. Een ruimte die zich kennelijk kon onttrekken aan de invloed van de staat, en volgens Barlow zelfs aan de zwaartekracht. De ideeën van Barlow vonden weerklank; de onafhankelijkheid van het internet van centrale autoriteit is nog altijd een belangrijke drijfveer voor veel internetgebruikers, programmeurs, hackers en burgerrechtenactivisten. Het standpunt wordt ook door veel academici serieus genomen. Milton Mueller voegt toe dat het cyber-libertarisme volgens hem ‘nooit echt is geboren. Het was eerder een soort visioen dan een ideologie of “isme” met een politiek en institutioneel programma. Maar nu we met de politieke en ideologische dilemma’s van het wereldwijde internet worden geconfronteerd, kunnen we er niet zonder.’

Hilarisch genoeg is de plek waar de retoriek van de grenzeloze informatievrijheid het meest hardnekkig is de cloud. De machtigste informatiebedrijven ter wereld hebben het over zichzelf alsof ze hartverwarmende liefdadigheidsinstellingen zijn. Iedere ceo-miljardair is in zijn eigen beleving een soort dalai lama. Pseudo-liberaal gewauwel met een verondersteld universele geldigheid is doorgedrongen in de junk space van de mission statements, jaarrapporten en ted-talks, vooral als het over de cloud gaat. Microsoft wil iedereen in de hele wereld helpen ‘zijn volledige potentieel te verwezenlijken’. Facebook ‘stelt mensen in staat om te delen en de wereld opener en meer onderling verbonden te maken’. Skype maakt het ‘eenvoudig om ervaringen uit te wisselen met de mensen die belangrijk voor je zijn, waar ze zich ook bevinden’. En Instagram, dat is overgenomen door Facebook, voorziet ‘een wereld die meer onderling verbonden is door foto’s’.

Het cyber-utopisme is nooit vertaald naar beleid. Maar het wordt wel in verband gebracht met zaken als online anonimiteit, cryptografie, peer-to-peer (p2p) file sharing, geanonimiseerde tor- (The Onion Router-)verbindingen, bulletproof hosting en offshore datavrijplaatsen, om een paar voorbeelden te noemen. Michael Froomkin, hoogleraar aan de rechtenfaculteit van University of Miami, definieerde de vrijhaven voor dataopslag in 1996 als het digitale equivalent van een belastingparadijs. In theorie kan geen enkele buitenlandse mogendheid of organisatie de datavrijplaats haar wil opleggen.

Ooit was dit het verdienmodel van het beruchte prinsdom Sealand, een niet-erkende ministaat die in de jaren zestig van de vorige eeuw door een Britse familie werd opgericht en kantoor hield op een voormalig defensieplatform in de Noordzee. Gedurende de dotcom-explosie van begin deze eeuw stonden aan boord van Sealand de servers van HavenCo, een bedrijf dat offshore data-hosting aanbood. Indertijd investeerde Joi Ito, de huidige directeur van het MIT Media Lab, honderdduizenden dollars in HavenCo. Ito verklaarde in 2002 nog steeds een grote fan te zijn van het idee. In theorie was Sealand een soevereine staat. Het cyber-utopisme zou daarmee een heel land tot zijn beschikking hebben en het internet dienovereenkomstig kunnen hervormen.

James Grimmelmann, hoogleraar aan University of Maryland, is sceptisch over de ideeën die HavenCo hierover had: ‘HavenCo probeerde een slaatje te slaan uit het einde van de rechtsstaat. “Derdewereldregulering” was een eufemisme voor minimale regulering – of helemaal geen. In een speurtocht naar de kleinste gemene deler was HavenCo bereid om tot het nulpunt te gaan.’

De cloud heeft het de staat met zijn gecentraliseerde ­opslagmodel vooral makkelijker gemaakt

Grimmelmann zet ook vraagtekens bij de effectiviteit van het bedrijf, omdat ‘voor de meeste doeleinden betaalbare hosting aan één van beide zijden van de Atlantische Oceaan makkelijk zou kunnen concurreren met de luxevariant van Sealand in de Noordzee’. Hij voegt daar retorisch aan toe: ‘Wie heeft er in een tijd van YouTube en BitTorrent (…) nog behoefte aan HavenCo?’

Sealand was ondertussen wel het vlaggenschip van de anarcho-libertaire beweging op het internet. Het p2p BitTorrent-platform Pirate Bay probeerde in 2007 het noodlijdende prinsdom, dat zichzelf uit geldgebrek op eBay had aangeboden, op te kopen en burgerschap van het ministaatje te introduceren als serieuze ontsnappingsstrategie.

Wat is er geworden van het cyber-utopisme? Michael Froomkin schetste in 2012 een fascinerend en enigszins zorgwekkend diagram. De tegenstelling in dat diagram is er een tussen de ‘Cypherpunk Dream’ en ‘Data’s Empire’. Het grootste deel van het anarchistische, dus Barlow-achtige gedachtegoed bevindt zich aan eerstgenoemde kant, en het grootste deel van de cloud en haar standaardisering en controle aan de andere. Opmerkelijk genoeg duiken clouddiensten als YouTube en Twitter op onder de Cypherpunk Dream. Vermoedelijk heeft dat te maken met de rol die beide diensten hebben gespeeld in politiek activisme op internet. Froomkin noemt Data’s Empire een ‘renaissance van de staat’. Misschien, zo oppert hij, is dat een overreactie op een fata morgana; het anarchistische internet bestond immers voornamelijk in de verbeelding van zijn pleitbezorgers.

Nu viel het einde van de eerste dotcom-explosie zo ongeveer samen met de aanslagen van 11 september 2001, waarbij een nieuwe, grenzeloze vijand van de staat opdook: al-Qaeda. De war on terror maakte het de Amerikaanse overheid mogelijk om de eigen rechtsstaat verregaand te hervormen en daarbij in feite de eigen grondwet aan de laars te lappen. Europa volgde gedwee in het kielzog van de VS. Er is een glijdende schaal ontstaan tussen legitieme zelfbescherming en ongrondwettelijke bemoeienis, en het internet is daarvan een van de slachtoffers gebleken. De cloud heeft het de staat (in de praktijk vooral: de Amerikaanse overheid) met zijn gecentraliseerde opslagmodel vooral makkelijker gemaakt. Stel je voor dat je in plaats van in een ingewikkeld gangenstelsel te moeten patrouilleren gewoon bewakingscamera’s kunt ophangen in de Walmart.

In hun hoop te ontsnappen aan de greep van de staat gingen de cyber-utopisten ervan uit dat deze zich zou laten inperken door de wet. De droom van de offshore datavrijhaven weerspiegelt deze visie. Maar staatsmacht kan ook in een juridisch vacuüm worden uitgeoefend. Daar wees James Boyle, hoogleraar rechten aan Duke University, al in 1997 op. In zijn essay Foucault in Cyberspace stelde Boyle al dat de optimistische juridische verwachtingen van het cyber-utopisme in een teleurstelling zouden gaan uitmonden: ‘Omdat het niet uitmaakt of je een document ophaalt vanaf een computer die zich op achtduizend of op acht kilometer afstand van jou bevindt, zijn geografische nabijheid en de beschikbaarheid van de data onafhankelijk van elkaar geworden. Als de macht van de koning zo ver reikt als zijn zwaard zijn veel data op het internet in principe vrij van regulering door welk specifiek staatshoofd dan ook.’ Maar in dat geval, zo betoogde Boyle, kan de staat nog de facto terugslaan: het digitaal libertarisme verleidt zijn aanhangers ertoe te negeren dat de staat langs private weg, en gebruikmakend van de juiste technologische hulpmiddelen, alsnog zijn eigen praktische (en wettelijke) beperkingen kan omzeilen.

Boyle benadrukte dat de staat daarvoor de grondwet niet hoeft te overtreden. Grimmelmann stelt dat ‘wat er op het papiertje staat dat “wet” heet geen wet is als het niet overeenkomt met wat mensen daadwerkelijk doen’. En dat blijkt te kloppen. Dertien jaar na dato biedt de controversiële klokkenluiderssite WikiLeaks het levende bewijs voor deze stelling na het slachtoffer te zijn geworden van een boycot door een deel van het Amerikaanse bedrijfsleven.

Indirect kan de aanval op WikiLeaks op het conto van de regering-Obama worden geschreven

WikiLeaks, opgericht in 2006, zou je kunnen zien als het symbool van het overgangstijdperk tussen het libertaire en het gecontroleerde internet. Het doel van WikiLeaks is om door middel van anoniem gelekte documenten misstanden aan de kaak te stellen en rechtvaardigheid te bevorderen. WikiLeaks doet dat door zijn data-hosting in meerdere landen onder te brengen en zo te organiseren dat deze langs juridische weg door geen enkele specifieke overheid of organisatie het zwijgen kan worden opgelegd.

Maar de inkomstenbron van WikiLeaks bestaat uit publieke giften; deze worden verwerkt door de Wau Holland Stiftung in het Duitse Kassel. Wau Holland zou in 2010 ongeveer één miljoen euro aan donaties voor WikiLeaks hebben ontvangen. De crowdfunding verliep tot en met 2010 via betalingskanalen als PayPal (het online-betalingssysteem dat eigendom is van eBay), Western Union, en Visa en MasterCard, twee bedrijven die samen de creditcardmarkt vrijwel domineren. Je zou kunnen zeggen dat de WikiLeaks-donaties daarmee afhankelijk waren van een particuliere cloud van in de VS gevestigde financiële grootmachten. Daarnaast maakte WikiLeaks ook nog eens gebruik van data-hosting bij Amazon.com, een bedrijf dat ook wel de Walmart van het web wordt genoemd. Toen WikiLeaks in de tweede helft van 2010 op grote schaal Amerikaanse overheidsdocumenten ging lekken, bereikten de inkomsten volgens WikiLeaks’ eigen zeggen een record van achthonderdduizend individuele giften in één maand.

Op 1 december 2010 verwijderde Amazon alle WikiLeaks-documenten van zijn servers. Het besluit om dat te doen was ingegeven door Joe Lieberman, op dat moment een invloedrijke Amerikaanse senator voor de staat Connecticut en voorzitter van de senaatscommissie voor Binnenlandse Veiligheid. Lieberman, Democraat, riep Amerikaanse bedrijven op om vrijwillig te stoppen met iedere dienstverlening aan WikiLeaks, ook al had hij het wettelijk gezag niet om zoiets af te dwingen. Lieberman ventileerde in juridische zin niet veel meer dan zijn persoonlijke aanbevelingen. Lieberman, nu eens vol vaderlandsliefde, dan weer in een dubbelrol van aanklager en rechter, verklaarde tegenover de media dat ‘het mij voorkomt dat Assange en WikiLeaks de spionagewet hebben geschonden’.

Het gevolg was dat de bedrijven waar WikiLeaks in technische zin van afhankelijk was om aan publieke giften te komen de organisatie lieten vallen zonder dat er een rechter aan te pas hoefde te gekomen. Het Californische EveryDNS blokkeerde de toegang tot de domeinnaamserver. PayPal, MasterCard, Visa en Western Union stopten met het verwerken van WikiLeaks-donaties. Apple verwijderde een WikiLeaks-app uit zijn iTunes-winkel. Deze maatregelen kwamen alles bij elkaar neer op een buitenwettelijke boycot waarop de organisatie niet was voorbereid.

Yochai Benkler, hoogleraar rechten aan Harvard University, schrijft in een artikel in 2011 dat WikiLeaks aan banden werd gelegd door ‘nieuwe aanvalspatronen, gericht op het weigeren van diensten als domeinnaamregistratie en opslag in de cloud, en het ontwrichten van het betalingssysteem’. Hij stelt dat deze aanval afkomstig is van meerdere partijen, waarvan sommige rechtstreekser betrokken zijn dan andere. Maar indirect, zo betoogt Benkler, kan de aanval op het conto van de regering-Obama worden geschreven.

Amerikaanse politici zijn gehouden aan de voorschriften van het First Amendment; zij kunnen een website niet zomaar stilleggen omdat die onwelgevallige informatie publiceert. Maar het bedrijfsleven kan een zakelijke overeenkomst met wie dan ook gewoon opzeggen. Door dit mechanisme ontstond een buitenwettelijk publiek-privaat bondgenootschap tussen politiek en bedrijfsleven, en werd volgens Benkler ‘een juridisch ontoereikende insinuatie van illegaliteit gekoppeld aan een wettelijk vacuüm’.

Als WikiLeaks één ding duidelijk maakt, is het dat de juridische uitgangspunten van het cyber-utopisme onvermoede resultaten hebben in de niet-digitale, materiële wereld. Traditionele liberale niches als vrijheid van meningsuiting en burgerlijke ongehoorzaamheid zijn niet altijd zo overtuigend; ze vertonen dezelfde zwakheden als Sealand en Pirate Bay dat deden in een naïeve verwachting dat de staat zich aan de wet zal houden. Liberale waarden als netwerkneutraliteit en internetvrijheid zijn van grote betekenis voor de democratie. Maar ze bieden weinig houvast voor degenen die ze het hardst nodig hebben. De macht gaat uiteindelijk niet over het publiceren of achterhouden van informatie, maar over de mensen die dat doen.

Dit artikel is een ingekorte en bewerkte versie van Captives of the Cloud: Part II.

Vertaling: Menno Grootveld