De wederopstanding van Ingrid Betancourt

Gevangen in een groene hel

Met Même le silence a une fin reageert Ingrid Betancourt op de negatieve publiciteit na beschuldigingen van medegegijzelden uit de Colombiaanse jungle. Ze is geen heilige, geeft ze zelf ook toe.

PARIJS - In de Salle des Fêtes van het Elysée-paleis contrasteren de felgekleurde T-shirts van de talrijke steuncomités scherp met het pompeuze decor van middeleeuwse tapijten en kristallen kroonluchters. Op televisieschermen volgen de aanwezigen met ingehouden adem de stappen waarmee een fragiele, maar stralende Ingrid Betancourt de trappen van het vliegtuig afdaalt. Zojuist is ze geland op het nabij Parijs gelegen presidentiële vliegveld Villacoublay. Twee dagen eerder zat ze nog gevangen in de jungle van Colombia; nu luistert ze naar president Sarkozy die haar bevrijding een ‘teken van hoop voor alle gegijzelden ter wereld’ noemt. 'Het wonder heeft zich voltrokken’, zo stelt ze in haar eigen toespraak. Ze dankt God, haar aanwezige familie en ook Sarkozy. De Franse president bleef hameren op de mogelijkheid van onderhandelingen met haar gijzelnemers, en Betancourt is er zeker van dat hij op deze manier catastrofaal militair ingrijpen van de Colombiaanse regering heeft weten te vertragen.
Terwijl ze in een gereedstaande limousine stapt, loopt de spanning in de Salle des Fêtes gestaag op. Prominente intellectuelen als André Glucksmann maken hun opwachting. En daar komt ook Bertrand Delanoë binnengelopen, de burgemeester van Parijs. De klok die de dagen van Betancourts gijzeling op de gevel van zijn stadhuis telde, is blijven steken op 2321. Een klein half uur later stuift het presidentiële cortège de binnenplaats van het Elysée op. Seconden later komt Betancourt de zaal binnen. Bevrijdend gejuich stijgt op, gevolgd door ritmisch geklap. Direct achter Betancourt volgt haar familie: haar zus Astrid en haar twee kinderen, Mélanie en Lorenzo.
Sarkozy treedt met een brede grijns naar voren. 'Ik breng u… Ingrid Betancourt’, zegt hij tegen de uitzinnige zaal. Direct erna komt zij zelf aan het woord. Ze vertelt over haar verblijf in de jungle: 'Er was nooit zon, er was nooit lucht te zien, er was alleen maar een groen dak.’ En grapt: 'Ik leidde een ecologische partij, maar dat ging toch wel wat ver.’ Ook spreekt ze over de ziektes, de eindeloze marsen door de jungle, de teken die uit de bomen op haar vielen: 'De hele wereld scheen me vijandig toe.’ Dan mag iedereen haar begroeten en omhelzen. Mensen zoenen haar, willen haar hand vasthouden, betasten haar alsof ze een heilige is. 'Dit is het toppunt van geluk’, zo zegt een man.

OP 2 JULI 2008 werden Ingrid Betancourt en haar veertien medegijzelaars op spectaculaire wijze door een speciaal getrainde eenheid van het Colombiaanse leger bevrijd uit de handen van de marxistisch-revolutionaire beweging Farc. De wereld vierde feest en het wekte bij niemand veel verbazing dat Betancourt vrijwel direct na haar bevrijding het vliegtuig naar Frankrijk nam.
Als dochter van een Colombiaanse diplomaat bij Unesco bracht ze er een groot deel van haar jeugd door. Na haar eindexamen in Bogotá keerde ze naar Frankrijk terug en doorliep het prestigieuze Institut d'études politiques (Sciences Po) in Parijs. Hier raakte ze bevriend met de latere premier Dominique de Villepin en ontmoette ze haar toekomstige echtgenoot en vader van haar kinderen, Fabrice Delloye. 'Ik voelde mij als een boom, wortels in Frankrijk, takken in Colombia’, zo schrijft ze tegen het einde van Même le silence a une fin, het indrukwekkende relaas van haar gedwongen verblijf in de Colombiaanse jungle, dat vorige maand verscheen bij uitgeverij Gallimard en dat direct in twintig talen werd vertaald.
Bovendien was Frankrijk het land dat zich onophoudelijk voor haar bevrijding had ingespannen. Zo zette De Villepin als minister van Buitenlandse Zaken in 2003 een clandestiene (en hopeloos mislukte) reddingsoperatie op touw. Nicolas Sarkozy probeerde het later met onderhandelingen via de Venezolaanse president Chávez en met geëmotioneerde televisieoproepen aan Manuel Marulanda, de historische leider van de Farc. Ook waren er de tientallen steuncomités, die met hulp van bekende kunstenaars en intellectuelen de zaak van Betancourt en haar lotgenoten in Frankrijk levend probeerden te houden.
Dat alles verklaart wellicht Betancourts sympathie voor Frankrijk, maar het kan niet de reden zijn waarom zij tijdens haar gevangenschap van een relatief onbekende politica kon uitgroeien tot een moderne heilige. Franse politici, Sarkozy voorop, hadden zich ook voor gijzelaars elders op de wereld ingespannen. Ook voor hen werden steuncomités opgericht. Ook hun beeltenissen sierden de gevel van het stadhuis in Parijs. Maar uitgerekend Betancourt, op het moment van haar ontvoering met haar anticorruptiepartij Oxígeno Verde verwikkeld in een volkomen kansloze strijd om het Colombiaanse presidentschap, groeide uit tot een mondiaal icoon. Dit icoon incarneerde tegelijkertijd het lot van gegijzelden waar ook ter wereld, vrijheid, moed, feminisme, het moederschap, familiewaarden, de mensenrechten in het algemeen en Frankrijk in het bijzonder. Terwijl Betancourt onwetend crepeerde in de jungle, regeerde ze dankzij de verbazingwekkende kracht van de schaarse videobeelden die in de loop van haar gevangenschap via de media werden verspreid.
Hoe zou ze in levende lijve zijn? Zou de echte Betancourt zich kunnen meten met het beeld dat er tijdens haar gevangenschap van haar was geschapen? Ze stelde bepaald niet teleur die eerste weken na haar bevrijding. Ze bleek welbespraakt, invoelend, energiek, had een vriendelijk woord voor iedereen en toonde zich vastberaden om zich voor het lot van de nog resterende gijzelaars te gaan inzetten. Mythe en realiteit schoven ineen, helemaal toen de diepgelovige Betancourt op 12 juli naar het Zuid-Franse bedevaartsoord Lourdes toog en daar werd opgewacht door een haag van zoemende televisiecamera’s. 'Een soort heilige Blandine, die uit de muil van de leeuw gekropen is om interviews te geven. Een Moeder Theresa die Sciences Po doorlopen heeft’, zo stelde de Franse hoogleraar communicatiewetenschappen François-Bernard Huyghe destijds verwonderd vast. Hij noemde Betancourt het product van een oud verlangen naar heiligheid dat gemene zaak had gemaakt met de moderne media.

TWEE JAAR later is het aura rond Sainte Betancourt danig aangetast. Zo werd in juli dit jaar, eerst in de Colombiaanse publieke opinie en vervolgens in de rest van de wereld, verontwaardigd gereageerd toen bekend werd dat Betancourt 6,6 miljoen dollar van de Colombiaanse overheid claimt. Ter compensatie van de in gevangenschap geleden emotionele schade en de inkomsten die ze in deze periode is misgelopen. Alsof de autoriteiten zich niet met alle mogelijke middelen hadden ingezet om de reddingsoperatie (codenaam 'Jaque’) tot een succes te maken, zo verwoordde de Colombiaanse minister van Defensie de ergernis van velen. Stank voor dank! Geschrokken door de woedende reacties besloot Betancourt op haar besluit terug te komen en kondigde via een satellietverbinding vanuit New York in tranen aan van haar claim af te zien.
Zou het werkelijk helpen? Van haar populariteit (de maanden na haar bevrijding kwam Betancourt in opiniepeilingen naar boven als de populairste Colombiaanse politicus) was toen al niet veel meer over. De actie leek eerder het definitieve bewijs te leveren dat Betancourt in werkelijkheid een egoïstische en kleinzielige bourgeoise was, precies zoals eerder al diverse van haar medegijzelaars hadden laten doorschemeren. De drie Amerikaanse ex-militairen Keith Stansell, Thomas Howes en Marc Gonsalves bijvoorbeeld, die in 2003 in handen van de Farc vielen, nadat het spionagevliegtuig neerstortte waarmee zij informatie verzamelden over de drugslijnen waarmee de revolutionairen hun gewapende strijd tegen de Colombiaanse regering financieren. Begin 2009 publiceerden zij Out of Captivity, een boek waarin zij verslag deden van hun ervaringen en spijkerhard oordeelden over Betancourt.
Gonsalves schetst hoe hij en zijn maten bij aankomst in de gijzelaarsbarak door haar werden begroet: 'Er is geen plaats hier.’ En vervolgens op ironische toon: 'We zijn blij dat jullie er zijn, we gaan een rondedansje doen.’ Ze portretteerden haar als bazig, arrogant, egocentristisch en zelfingenomen. Zo stelde Howes dat Betancourt eten van de andere gijzelaars stal en aan de Farc liet doorschemeren dat de Amerikanen behoorden tot de CIA (terwijl ze voor een particulier bedrijf werkten). Stansell beschrijft hoe Betancourt haar eigen radio achterhield toen de overige gijzelaars die van hen moesten inleveren. Volgens hem weigerde ze vervolgens om hun berichten van hun familie door te geven. 'We raakten besmet door onze omgang met haar; nu ik bevrijd ben wil ik allereerst immuun tegen haar gemaakt worden’, zo verklaarde hij tegen The New York Times.
Clara Rojas betoonde zich aanmerkelijk gereserveerder, maar wat ze over Betancourt vertelde was evenmin bijzonder flatterend. Rojas was campagneleider van Oxígeno Verde en werd gelijktijdig met Betancourt ontvoerd in het door de guerrilla gecontroleerde gebied rond het stadje San Vicente del Caguán. In het boek dat een paar maanden na dat van de drie Amerikanen verscheen, toonde zij zich bitter over de 'zes verloren jaren’, die zij in de jungle doorbracht, het resultaat van haar beslissing om Betancourt, tegen beter weten in, te volgen op de gevaarlijke weg naar San Vicente. Ze schetst hoe de verhoudingen tussen de twee vrouwen na twee mislukte vluchtpogingen dusdanig verziekt raakten dat de Farc-leiding uiteindelijk besloot ze van elkaar te scheiden.
Rojas noemt Betancourt 'kleinzielig’ en vertelt hoe Betancourt haar uitsloot van de Franse lessen die ze in het gevangenkamp organiseerde. Ook klaagt ze over het gebrek aan steun dat ze van haar kreeg op het moment dat ze kenbaar maakte dat ze zwanger was van een guerrillero. Toen Rojas na het uitkomen van de vertaling van haar boek op tournee ging in Frankrijk vroeg de presentator van een veelbekeken talkshow retorisch of het imago van Betancourt correctie behoefde. Rojas hield zich op de vlakte, maar zei wel dat 'ieder land zo zijn eigen realiteiten en zijn eigen mythes heeft’. Ze had een zo respectvol mogelijk beeld proberen te geven; conclusies moesten de lezers zelf maar trekken.
Van Captive verkocht ze in Frankrijk zestigduizend exemplaren. Eerst was er de heiligverklaring; nu luidde het uur van de schandpaal. Zeker toen ook Juan Carlos Lecomte, Betancourts tweede echtgenoot, op zijn beurt met een bitter boek kwam waarin hij onder meer vertelde dat zijn vrouw hem na haar bevrijding kil begroette om in één moeite door te vertellen dat ze van hem wilde scheiden.
Hiertegenover stonden de verklaringen van Luis Eladio Pérez, een door de Farc gegijzelde senator die tijdens zijn gevangenschap veel met Betancourt was opgetrokken. Na zijn vrijlating, enkele maanden voor de bevrijding van Betancourt zelf, betoonde hij zich juist zeer positief. 'Wanneer ik vanwege mijn diabetes in coma raakte, toen ik een hartaanval kreeg - steeds stond Ingrid voor me klaar en hielp me er bovenop’, vertelde hij op de Colombiaanse radio. 'Ze waste mijn kleren, verzorgde me in periodes dat ik nauwelijks kon bewegen, ik heb mijn leven aan haar te danken.’
In zijn boek 7 años secuestrado por las FARC (niet in het Frans vertaald, wel in het Engels) stelde hij dat de komst van de drie Amerikanen een grote schok in het gevangenenkamp teweegbracht: 'Ze waanden zich beter dan de rest en namen veel plaats in. Dat creëerde spanningen onder de gijzelaars.’ Pérez zinspeelde op de mogelijkheid van afgunst op de bevoorrechte positie van Betancourt bij de overige gevangenen. 'Niet alleen was ze intelligent, sprak ze haar talen en was ze fysiek sterk, ook was ze afkomstig uit de Colombiaanse upper class. Zelfs gevangenschap kon haar dat karma niet ontnemen, te meer niet omdat negentig procent van alle radio-uitzendingen die we over de gijzelaars hoorden over haar ging - alsof wijzelf niet bestonden.’
Opvallend genoeg werd dit beeld na Betancourts vrijlating steeds vaker tegen haar gebruikt. Ze was niet langer een volksheilige, maar een product van de in zichzelf gekeerde en arrogante elite die zich in Bogotá opsluit in zwaar bewaakte compounds en uit winkelen gaat in wereldsteden als New York, Londen en Parijs.

BETANCOURT zelf zweeg intussen als het graf. Ze werkte aan een eigen boek en weigerde commentaar te leveren op alle negatieve publiciteit. Dat boek is er nu en deze week was ze zelfs even in ons land om de Nederlandse vertaling te promoten. Het is een minutieus en razend spannend verslag van haar gevangenschap in de groene hel van het Colombiaanse regenwoud. De beproevingen zijn eindeloos. Wekenlange marsen door de ondoordringbare jungle, dan weer maandenlang vastgeketend aan een boom als straf voor een mislukte ontsnappingspoging. Nog afgezien van de barre weersomstandigheden en de insecten die haar belagen, is er een totaal gebrek aan alles: aan privacy, aan eten, aan medicijnen, aan afleiding, aan perspectief. Zo uitzichtloos is de situatie soms dat Betancourt weinig anders rest dan wekenlang apathisch in haar hangmat naar het bladerdak te staren.
Ze schetst de dagelijkse vernederingen van haar bewakers, zoals wanneer die haar een krant geven en vervolgens van een afstandje gaan zitten toekijken hoe de blij verraste Betancourt bij de pagina is aangeland waarop valt te lezen dat haar geliefde vader is overleden. 'Als jongens die kijken naar de vlieg waarvan ze zojuist de vleugels hebben uitgetrokken.’ Zeldzame momenten van geluk zijn de berichten van haar familie die haar per radio bereiken of de encyclopedie die ze krijgt toegestopt van een haar welgezinde Farc-commandant. Die radio blijkt overigens ook een bron van ongeluk, zoals wanneer ze een opgewonden presentatrice hoort vertellen over het zoveelste fotomodel waarmee haar echtgenoot in het nachtleven van Bogotá is gesignaleerd.
Ook de soms nogal gespannen verhoudingen met haar medegijzelaars komen uitvoerig aan bod. Het is duidelijk voor wie ze sympathie heeft en voor wie minder. Ze schetst de verwijdering tussen haarzelf en Rojas en geeft haar eigen visie op het eerder door Stansell beschreven 'radio-incident’ (Betancourt hield de door haar achtergehouden radio aanvankelijk verborgen voor de anderen omdat ze een verklikker vreesde, maar stelt dat ze zich na een paar dagen over haar schroom heen zette en haar medegijzelaars op de hoogte bracht zodra er berichten van hun familie uit de ether klonken).
Toch leest Même le silence a une fin allerminst als een poging om achteraf gelijk te krijgen of openstaande rekeningen te vereffenen. Wat het eerder laat zien is het gemak waarmee mensen - opeengepakt en verstoken van alles - zich uitleveren aan hun meest primitieve overlevingsinstincten. Een fraai beeld levert dat niet altijd op, moet Betancourt tot haar schrik ook bij zichzelf vaststellen. Zo beschrijft ze hoe ze op een dag in de rij staat te wachten voor het eten. Aan de hand van de medegijzelaars die voor haar staan te wachten berekent ze dat zij het grootste stuk vlees op de schaal zal krijgen. Een bewaker raadt de reden van haar plotselinge vreugde en draait de schaal om zodat degene voor haar in de rij het grootste stuk vlees ten deel valt. Betancourt voelt zich betrapt en schaamt zich diep voor haar 'kleingeestige berekeningen’.
'Ik ontdekte mezelf in de spiegel van de anderen’, schrijft ze. 'De haat, de jaloezie, de hebzucht, de afgunst, het egoïsme - het was in mezelf dat ik het observeerde.’ Onophoudelijk vecht ze tegen haar demonen en steeds opnieuw moet ze vaststellen dat die sterker zijn dan haar wens het goede te doen. Zoals wanneer ze merkt dat ze haar verlangen om haar sadistische bewakers te doden slechts met de grootste moeite kan onderdrukken. 'Het voornaamste gevaar was niet te sterven maar één van hen te worden.’ Dát wordt haar grote project in de jungle. Niet te worden als haar beulen, maar haar autonomie te behouden. 'Ik had de vrijheid te kiezen of ik Enrique haatte of dat ik die haat oploste in de macht te zijn wie ik wilde. Dat kon me mijn leven kosten maar ik was al elders. Ik was een overlevende.’
Dat is een heel ander verhaal dan het moderne heiligenverhaal zoals dat na haar bevrijding in de internationale media werd vormgegeven. Eerder een klassieke Bildungsroman. Dat Même le silence a une fin de wederopstanding van Sainte Betancourt zal bewerkstelligen is dan ook niet heel waarschijnlijk. Wél van de mens Betancourt. Vorige week gaf Betancourt te kennen dat ze niet naar Colombia zal terugkeren en zich definitief in Frankrijk zal vestigen. Daar kwam haar boek op nummer twee in de boekentoptien binnen en lijkt het succes van het jaar te worden. Zoiets biedt perspectieven.