Gevangen in een prent van escher

Te zien: tot en met 2 maart in Amsterdam (Felix Meritis). Inlichtingen bij STOA: tel 020-6255572.
In het begin van de eeuw werd perspectief in het theater gebruikt om de levensechtheid van een voorstelling te vergroten. De personages op het toneel konden zo het decor uitlopen, een wereld in die verdacht veel leek op de realiteit zoals wij die kenden.

Dat naturalistische gebruik van het perspectief zie je nu niet veel meer in het theater. Decors suggereren nog altijd een ‘andere’ ruimte, maar dat streven houdt meestal op bij de wanden van het gebouw. Het geschilderde achterdoek, ooit het middel om de toeschouwers een doorkijkje in de verte te geven, is bezig aan een comeback, maar het heeft een heel andere functie gekregen. Er wordt geknipoogd naar het vroegere naturalisme, bijvoorbeeld in de voorstelling Bas en Elze dansen, waar een geschilderd bos de associatie oproept met een ouderwets Tsjechov- decor. Maar in de kleine zaal zit je veel te dicht op dat doek om het in de verte te kunnen plaatsen. En binnen het stuk van Cas Enklaar en Els Ingeborg Smits, dat zich afspeelt in het repetitielokaal van een bejaardentehuis, heeft het meer de betekenis van 'toneeltje spelen’.
Het geschilderde achterdoek in Morgen van schrijver- regisseur Harrie Hageman is een levensgroot schilderij dat de kleurig ingerichte ruimte opsiert waarin actrice Lieve Claes zich bevindt. De afbeelding, met de drie enorme naakte vrouwen, is een symbolische uitvergroting van een thema in het stuk, een monoloog van een vrouw die onophoudelijk spreekt over de intieme (lichamelijke) details van haar verliefdheid. Maar als Lieve Claes achter het schilderij verdwijnt, dwaalt ze rond in de kale ruimte van het theater: we horen hoe ze een kraan zoekt om wat water te kunnen drinken, en ze roept naar het fluisterende publiek dat ze best harder mogen praten als zij even weg is.
Tegenwoordig worden perspectivische trucs niet ingezet om uitzicht te geven op een net-echte wereld, maar om het toneelbeeld te vervormen tot een artificiele, absurde of onmogelijke ruimte. Oorgetuige van Barbara Duijfjes moet je uit de verte bekijken, maar dan wel van bovenaf. Dat kan in de Shaffy-zaal van Felix Meritis, waar deze voorstelling speciaal voor is gemaakt. De beste plaatsen zijn op het balkon, zodat je bovenop de geschilderde vloer kijkt (ontwerp Floor Oskam). Een Escher- achtig blokkenpatroon in zwart-wit en grijs roept een labyrinthisch landschap op. Een kleine, onbekende planeet, waar maar een iemand woont. Barbara Duijfjes speelt dit eenzame wezen in twee verschillende gedaanten. Een verbaasd elfje met een grappige kuif en enorme oren, dat met haar onderlijf in een halve bol zit. Haar trage tuimelbewegingen maken het perspectief in het beeld nog verknipter. Uit de bol gekropen verandert Duijfjes in een deftige dwerg. Met schoenen aan haar knieen stapt ze parmantig rond in het geschilderde blokkenlandschap, en de illusie is compleet.
De twee wezens van Duijfjes krijgen bezoek van een mooie, rijzige vrouw (zangeres Marjan Linnenbank). Zij heeft de mogelijkheid om te komen en te gaan, ze opent de deuren van de ronde Shaffyzaal en verdwijnt zingend in de gang. De elf en de dwerg kunnen daar alleen maar naar verlangen, zij blijven gevangen in het Escher-schilderij. Contact met de vrouw hebben zij voornamelijk via het geluid: ze zingen elkaar na, de dwerg playbackt het gemurmel van de vrouw achter haar. Voor de duur van een statige, ontroerende dans zijn de dwerg en de mooie vrouw een paar. Maar als de dans is afgelopen, wreekt zich het verschil in perspectief: de dwerg raakt verstrikt in de rok van de rijzige vrouw. Weer alleen richt Barbara Duijfjes zich even op, zodat de dwerg die zij speelt in een dramatisch moment laat zien hoe lang hij zou willen zijn. Dan krimpt hij weer in, neergeslagen door de wetten van zijn kleine universum, waar lange vrouwen hem over het hoofd zien en de toeschouwers op hem neer kijken.