POPMUZIEK: Babyshambles

Gevarieerde grabbelton

Hij leek de archetypische gekwelde artiest die voor het gretige oog van de boulevardcamera’s zijn eigen ondergang als junk liet vastleggen – maar uiteindelijk liet Pete Doherty dat over aan Amy Winehouse. Op zijn 34ste leeft hij niet alleen, hij maakt ook nog muziek. Vier jaar na zijn (sterke) soloplaat Grace/Wasteland doet hij dat nu als frontman van Babyshambles met Sequel to the Prequel.

Medium babyshamblesmuziek

Over de kwaliteit van zijn muziek blijven de meningen verdeeld. Die hoge verwachtingen uit zijn begindagen van The Libertines heeft Doherty, mede vanwege zijn drugsgebruik, inderdaad nooit kunnen waarmaken. Maar, eigenlijk gebaseerd op één plaat, hoe realistisch waren die eigenlijk? Toch leidden de platen na zijn eerste band vaak tot reacties in de categorie ‘ik ben niet boos, maar teleurgesteld’ van een gedesillusioneerde ouder: er had zoveel meer in gezeten. Zeker deze keer is die houding misplaatst, want Sequel to the Prequel is misschien wel zijn meest consistente plaat tot nu toe. Dat lijkt een reflectie van een rustiger leven dat hij in Parijs leidt, mét heroïneverslaving, maar als gereguleerd en routineus gebruiker.

De muziek is een gevarieerde grabbelton met flinke, oké, soms naar plagiaat neigende verwijzingen naar de Britse popgeschiedenis. Van The Clash (Sequel to the Prequel) tot de Sex Pistols (The Fireman) en Stone Roses (een gejat refrein in Maybelline). Die ‘beter goed gejat’-gedachte is Doherty overigens nooit vreemd geweest en hij doet het hier met erg veel overtuiging. De plaat bevat opvallend veel geslaagde uptempo rock-’n-roll zoals Farmer’s Daughter, Nothing Comes to Nothing of Seven Shades. Andere hoogtepunten zijn Dr. No, een amusante flirt met ska en Minefield, een knetterend slepende blues. ‘It’s a Minefield out there/ My mind is on the run’ vertrouwt hij je daar openhartig toe.

Zoals je ook in interviews tenenkrommend kunt lezen slaat die houding op minder geslaagde momenten door in zelfmedelijden. Zo voelt hij zich een ‘Stranger in my own skin (Wonder why I ever let me in)’ en vindt hij zichzelf ook zielig op Fall from Grace (‘Can we go some place where they don’t know my face, gather round, bare witness to my fall from grace’). Deze storende sentimenten zijn de grootste minpunten van de plaat, samen met andere vrij banale, soms infantiele tekstflarden zoals deze in Penguins: ‘We could see monkeys, we could see snakes, we could see penguins, penguins are great.’

Dat slappe geouwehoer leidt de aandacht bijna af van het belangrijkste feit dat Sequel to the Prequel een echt lekkere gitaarplaat is. Bovendien is het er ook een die lekker klínkt. Geen ‘heroïne die uit de boxen druipt’, zoals Michiel Borstlap ooit opmerkte bij Babyshambles’ debuutplaat, maar een vol en helder geluid (van Smiths-veteraan Stephen Street). Wie niet als minimale eis stelt dat het een meesterwerk moet zijn, kan zich door deze laatste creatieve opleving van Doherty flink laten verrassen.


Babyshambles, Sequel to the Prequel, label: Parlophone/EMI. Babyshambles treedt 15 januari 2014 op in Paradiso, Amsterdam

Beeld: parlophone
Bijschrift: Babyshambles