Biografie Menno Ter Braak

Gevecht met de woorden

Ook in het tweede deel van de biografie van Léon Hanssen klinkt de fundamentele kritiek op Menno ter Braak door: het is zo moeilijk uit te vinden wat hij nu eigenlijk wil. De raadsels rond zijn keuze voor de paradox blijven.

Hij is ruim 61 jaar dood, zijn zevendelig Verzameld Werk staat al decennia te verstoffen in bibliotheken of op de boekenplank van oudere intellectuelen, zijn opvattingen over literatuur en literaire kritiek worden gezien als volledig achterhaald, en de generaties waarvoor hij de geestelijke leidsman was, zijn bezig in hoog tempo uit te sterven. Bovendien heeft onderzoek aangetoond dat hij een seksist en antisemiet was, terwijl zijn verdediging van de democratie — waardoor hij postuum werd gehuldigd als het schoolvoorbeeld van de geëngageerde intellectueel — op zijn zachtst gezegd nogal ambivalent was. Tot slot is er nu de tweedelige biografie van Léon Hanssen, die ons in 1283 bladzijden op de hoogte brengt van het kleinste detail uit zijn privé-leven. Je zou zeggen dat Ter Braak nu echt dood is, dat het laatste woord over hem wel is gezegd, dat na de recensies van de biografie de stilte voorgoed over hem kan neerdalen.

Is dat wel zo? Er is al zo vaak geroepen dat Ter Braak in hoge mate werd overschat, dat zijn reputatie niet in overeenstemming was met zijn werkelijke verdienste dat je geneigd bent te denken dat er blijkbaar veel mensen zijn die er belang bij hebben zijn betekenis te bagatelliseren.

In de jaren negentig leek er, deels onder invloed van het postmodernisme, weer sprake te zijn van een zekere herwaardering van Ter Braak. Zo deed Michel van Nieuwstadt in De verschrikkingen van het denken (1997) een poging Ter Braak opnieuw «leesbaar» te maken. Op een hoogst opmerkelijke wijze slaagde hij daar in, namelijk door zo ondoorgrondelijk te schrijven dat na lezing van zijn boek zelfs de meest gekunstelde en van paradoxen uit hun voegen barstende essays van Ter Braak lazen als een luchtig tijdschrift onder het genot van een glaasje wijn.

Want dat is nog altijd de kritiek op Ter Braak: dat hij zo vermoeiend schrijft, dat elke redenering onmiddellijk weer onderuit wordt gehaald, dat er nooit staat wat er op het eerste gezicht lijkt te staan, de metaforen die je drie keer moet lezen, en dat zelfs de meest eenvoudige woorden door middel van aan halingstekens worden geproblematiseerd. De enige uitzondering die doorgaans wordt gemaakt, geldt de talloze krantenstukken die Ter Braak, min of meer in een vloek en een zucht, schreef voor Het Vaderland.

Nu draagt Ter Braaks stijl onmiskenbaar een vooroorlogs stempel. Ze is zwaarwich tiger, meer cerebraal dan thans gebruikelijk is. Maar dat de hedendaagse lezer daar vaak moeite mee heeft, komt doordat er nauwelijks nog schrijvers uit de jaren twintig en dertig worden gelezen.

Ter Braaks stijl en omslachtige redeneertrant waren echter ook bij zijn tijdgenoten niet bijster populair. Het roemruchte tijdschrift Forum had slechts enkele honderden abonnees en Ter Braaks romans en essaybundels leverden doorgaans niet meer op dan een half maandsalaris. Zijn meedogenloze recensies bezorgden hem de bijnaam «Menno ter Afbraak» en uit de biografie van Hanssen blijkt duidelijk dat hij als criticus ook niet altijd even integer te werk ging. Boeken van door hem geminachte auteurs las hij niet, en het werk van de groep jongeren die zich eind jaren dertig rondom hem verzamelde, werd dikwijls onverantwoord hoog de hemel in geprezen.

De fundamentele kritiek op Ter Braak was toen, en is nog steeds, dat het zo moeilijk is uit te vinden wat hij nu eigenlijk wil. Wat hij niet wil, waar hij tegen is, daarover bestaat geen twijfel. Maar het is vrijwel onmogelijk hem vast te pinnen op een bepaald standpunt, want even verderop in het Verzameld Werk, en anders wel in de correspondentie met Du Perron, verkondigt hij weer een tegengestelde mening.

Na enige tijd begint de lezer zich af te vragen welke Ter Braak hij eigenlijk moet geloven. En juist daar, in dat «geloven» wortelt het probleem dat veel lezers met Ter Braak hebben. Want als hij zich ergens tegen keert, dan is het tegen geloven; ongeacht of het om hemzelf, God, politici of maatschappelijke conventies gaat. Onophoudelijk rukt hij maskers af, prikt hij ballonnen van mooie woorden door, laat hij zien dat werkelijkheid meestal schijn is. «Ik geloof niet, dat er één psychopaath, één cynicus of zwartgallig geteisterde onder de zon leeft, die zijn omgeving zoozeer van het natuurlijk pigment heeft ontdaan, als Ter Braak met de bijtende zuren van zijn hoon en twijfel de wereld tot een grauwe kleurlooze chaos wenscht te reduceren», aldus Theun de Vries in een recensie van Démasqué der schoonheid uit 1931.

En toegegeven, Ter Braak bezat niet het vermogen waarmee De Vries in het stalinistische Rusland van de jaren dertig een vrolijk en mooi paradijs kon zien. Maar beschikte hij daarmee, zoals Slauerhoff in dezelfde tijd beweerde, over een «nog zeer onvolgroeid of schraal gevoelsleven»? Uit de boeken van Hanssen blijkt dat Ter Braaks gevoelsleven allesbehalve schraal was en dat hij daaren tegen bijna uit zijn voegen barstte van de elkaar bestrijdende emoties. En «onvolgroeid», welke intellectueel of kunstenaar in de bloei van zijn kritisch of scheppend vermogen, is geestelijk wel helemaal «af»?

Dezelfde neerbuigendheid blijkt ook duidelijk uit de limerick die Ter Braaks zeer beroemde en oerdeftige achterneef Johan Huizinga voor een familielid schreef: «Er was eens een disciple van Nietzsche/ hij schreef en soms hield hij een speechje/ ’t was ook wel eens raak,/ want Menno ter Braak/ had niet héél veel talent maar een ietsje.»

Een beperkt talent én ook nog een volgeling van Nietzsche — dat kon nooit veel zijn, dat moest wel leiden tot dom nihilisme. Dus die eeuwige paradox, dat onophoudelijke spervuur van tegenstrijdigheden, dat was niet veel meer dan een inhoudsloos spelletje, een verslaving.

«De verleiding om een definitie, een begrip, onmiddellijk naar het tegendeel van de oorspronkelijke waarde over te halen, wordt een hartstocht, die mij nochtans geen manie lijkt», schreef Ter Braak daarentegen zelf in Van oude en nieuwe Christenen (1937).

Het werk van Nietzsche was inderdaad van doorslaggevend belang geweest, en ook herkende Ter Braak zich in de toen nog weinig gelezen Kafka: «In diesem Widerspruch, immer nur in einem Widerspruch, kann ich leben.» Hanssen besteedt veel aandacht aan de kritiek die tijdgenoten en naoorlogse auteurs hadden op Ter Braaks «duivels diabolospel», maar bestrijdt dat diens gegoochel met paradoxen niets méér was dan het verhullen van een gebrek aan «inhoud». Hij plaatst Ter Braak in de traditie van denkers als Kierkegaard, Nietzsche en Wittgenstein, die op de fundamentele onvolkomenheid van de taal hebben gewezen.

Tegen alles wat we zeggen valt iets in te brengen, zodra we onze mond opendoen, zitten we er al naast, de «waarheid» is eigenlijk alleen kenbaar in het zwijgen. Wie echter zwijgt legt zich neer bij die onvolkomenheid, en geeft de strijd dus op — dat is de grote paradox. De enige weg naar de waarheid is de omweg, via hulpmiddelen als ironie, satire, komedie en allegorie. Op deze manier kan een schrijver ervoor zorgen dat de lezer wordt gedwongen te kiezen, zijn eigen subjectieve waarheid te bepalen. Een denker is dus een polemist, die oude rommel opruimt en zodoende de ruimte creëert waarin de lezer zijn eigen positie kan innemen.

Volgens Hanssen kwam Ter Braaks keuze voor de paradox niet louter voort uit nega tivisme, maar zijn er in zijn werk zelfs «mystieke boventonen» aanwijsbaar. Voort durend fulmineerde hij immers tegen «de waan van het intellect» en probeerde hij juist in het alledaagse en oppervlakkige zoiets als «bovenzinnelijke wijsheid» te ontdekken.

Wat veel mensen die wel eens hebben geprobeerd Ter Braak te lezen vermoedelijk niet inzien, wordt duidelijk uit de biografie van Hanssen: Ter Braak was een intellectueel van Europees formaat. Had hij in het Frans, Duits of Engels geschreven, dan dook zijn naam op in elk boek over de cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw. Hij was misschien geen begaafd romanschrijver, maar de thematiek van het uit 1931 daterende Hampton Court is dezelfde als van Sartres zeven jaar later verschenen La Nausée, overigens evenmin een literair hoogstandje. En zijn essays mogen dan over het algemeen niet erg vlot weg lezen, voor welke echt belangrijke geschriften geldt dat wel?

Maar heb je voor een dergelijke constatering nu eigenlijk wel een biografie nodig? Is het werk van iemand niet voldoende om zijn plaats in de intellectuele rangorde te bepalen? In theorie natuurlijk wel, maar het is dan wel veel moeilijker. Een biografie zoals Hanssen die heeft geschreven, en waarin heel nauwgezet het leven van Ter Braak wordt gekoppeld aan diens ontwikkeling als schrijver, maakt immers duidelijk in welke mate hij zelfstandig tot bepaalde inzichten is gekomen. In deel 1 viel te lezen dat de eenentwintigjarige Ter Braak reeds «het contact met het algemeen geldende, het absolute» had verloren, en dat zijn keuze voor de paradox gemaakt was ver voor hij ook maar een letter van Nietzsche had gelezen. Bovendien wordt uit het uiterst moeizame, problematische, door complexen, neuroses en depressies geteisterde privé-leven van Ter Braak duidelijk dat zijn eindeloze gevecht met de woorden meer was dan een gezellig intellectueel spelletje.

Léon Hanssen, Sterven als een polemist: Menno ter Braak

1902-1940. Deel 2: 1930-1940

Uitg. Balans, 727 blz., ƒ 95,-