Gevecht tegen ijdeltuiten

Tekening: PJ Roggeband

Conrad Busken Huet was geen scheppend talent, hij was slechts een criticus die voorzichtig leefde en die ernstig was. Een fantastisch romanpersonage, zoals blijkt uit zijn biografie.

OLF PRAAMSTRA
BUSKEN HUET: EEN BIOGRAfie
SUN, 941 blz., € 49,50

Medium opening

Het is inmiddels al enkele maanden geleden verschenen, maar het boek dat me blíjft bezighouden en dat ik toen al, net na het uitkomen ervan, maar niet kon wegleggen, is Busken Huet: Een biografie, geschreven door Olf Praamstra. En dat terwijl ik allerlei vage bezwaren had en heb tegen de stijl en de aanpak van Praamstra. Hij schrijft hier en daar wat slordig, en hij heeft zijn materiaal op een niet al te spannende wijze ingedeeld. In het algemeen heeft hij last van een soort schoolse sufheid. Dat valt het meest op in het begin, waar een stoplapperige opmerking staat als: ‘Huet heeft een buitengewoon veelzijdig leven geleid.’ Maar nu ik dit hier op deze manier opschrijf, schaam ik me voor mijn ondankbaarheid, want ik heb vooral genoten van dit boek. Dat is zeker ook op het conto te schrijven van de geweldige hoofdpersoon, Conrad Busken Huet (1826-1886). Een fantastisch romanpersonage! Het verhaal van zijn leven, een roman gelijk, valt eigenlijk niet te verpesten. Tijdens het lezen van deze biografie kreeg ik enorm met Busken Huet te doen. Dat is dan toch weer de verdienste van zijn biograaf: ik werd volledig gegrepen door dit boek, zacht ademend ging ik er doorheen, en las – inclusief het personenregister – alle 941 bladzijden probleemloos uit. Nadat ik het boek met een zucht had dichtgeslagen, staarde ik nog lang voor me uit. En ik dacht: zo is het, ja, die man, die Conrad Busken Huet, van wie wij van Praamstra alle handelingen en opvattingen overzichtelijk krijgen voorgeschoteld, die man had gewoon gelijk. Misschien niet altijd, maar wel vaak! Die heeft het niet gemakkelijk gehad, hij werd omringd door gekken, de negentiende eeuw zat er vol mee – maar dat geldt natuurlijk ook voor de twintigste eeuw en de 21ste, wat dat betreft verandert er nooit wat – maar Busken Huet zei waar het op stond. En toen ging hij dood en er was nauwelijks iemand die het iets kon schelen. De aardbol is gewoon doorgegaan met draaien. En toch. Olf Praamstra heeft deze biografie over hem geschreven. En ik ben van Conrad Busken Huet gaan houden. Op de een of andere manier moet de stijl van Praamstra daaraan hebben bijgedragen. Praamstra heeft het geweldig gedaan.

Te meer daar ik vóór het lezen van deze biografie niet speciaal in Busken Huet was geïnteresseerd. Ik heb Nederlands gestudeerd, in de jaren tachtig van de twintigste eeuw, in Amsterdam, en zijn naam kwam af en toe tijdens colleges langs, zoals de namen van nog wel anderen uit de negentiende eeuw. Maar helaas waren er geen docenten die de negentiende eeuw tot leven wisten te brengen, of die er zelfs maar iets interessants over te melden hadden. Het was potsierlijkheid troef. Je kreeg er college van operettefiguren; ik zal geen namen noemen, de meerderheid is nog actief. Je kreeg nooit de indruk dat die negentiende eeuw op wat voor manier dan ook de moeite waard was. En misschien lag het ook aan mij. Als je jong bent, dan interesseert het verleden je meestal niet zo, je wilt alleen maar vooruit, de toekomst in. Verder hielp het ook niet erg dat ik enkele uitspraken kende van Willem Frederik Hermans over Busken Huet, in diens biografie over die andere negentiende-eeuwer: de raadselachtige Multatuli (1976). Hermans noemt Huet hierin ‘de kampioenoverschrijver van dat tijdperk’. En, zo stelt Hermans dodelijk, zeker voor de overmoedige jeugdige die ik toen was: ‘Huet leefde voorzichtig.’ Hermans kan zijn verbazing niet verbergen als hij in De raadselachtige Multatuli schrijft: ‘In kleine kring ging hij [Busken Huet] door voor een man die zijn tijd ver vooruit was en tot een jaar of veertig geleden werd op de Nederlandse scholen nog gedoceerd dat hij en zijn vriend Potgieter even belangrijk, zo niet veel belangrijker en in elk geval veel ernstiger waren dan Multatuli.’ Die laatste, Multatuli, kon er zelf trouwens ook wat van. In een brief aan Vosmaer schrijft hij: ‘Met Busken Huet wens ik geen andere aanraking te hebben dan door middel van de punt van mijn laars.’ En natuurlijk had hij gelijk, want het was duidelijk, mijn sympathie lag bij Hermans en bij Multatuli, en dat bleef zo. Die Huet schreef bovendien nauwelijks fictie, daar had hij geen talent of geen fantasie voor, de fictie die hij schreef, stelt niets voor. Conrad Busken Huet was geen scheppend talent, hij was slechts een criticus die voorzichtig leefde en die ernstig was.

Waarom ben ik dat boek van Olf Praamstra eigenlijk gaan lezen?

Dat weet ik precies.

Er was een foto die, terwijl ik in de boekhandel door het boek bladerde, mijn aandacht trok. Ik heb het niet over de foto waarop Conrad Busken Huet zelf staat en die het stofomslag van dit fraai uitgegeven boek siert. Dat is een goede foto, daar niet van, Busken Huet heeft er een enigszins angstige blik op, maar dat is niets bijzonders. Nee, de foto die mij ertoe bracht dit boek te gaan lezen, is de foto die voorafgaat aan het eerste hoofdstuk. Je ziet de Nobelstraat in Den Haag, omstreeks 1900; die informatie staat eronder. Nergens is een boom te zien, de zon schijnt en in de verte maakt de straat een kromming of een bocht, zo lijkt het, de straat slingert überhaupt een beetje, direct al in het begin, en dat zie je niet zo vaak bij Nederlandse straten. Dat alleen al maakt die foto zeer aantrekkelijk. Er staan wat armoedige karren in de straat, eveneens lopen en staan er mannen en vrouwen met een hoed op. De ene kant van de straat ligt in dat weemoedige zonlicht dat je meteen aan vroeger doet denken, de andere kant bevindt zich in de schaduw. Op een uithangbord dat uit een gevel te voorschijn komt, wordt een bovenhuis te huur aangeboden. Ik zou er zo willen intrekken, in 1900. Ik bedoel, inmiddels zou ik dat wel willen. Als je ouder wordt, wil je niet meer vooruit, de toekomst in, maar juist achteruit, het verleden in. Je komt erachter dat je niets te zoeken hebt in een barre, onbekende en angstaanjagende toekomst. Je wilt terug, je wilt weten waar je vandaan komt.

Zou ik in die foto kunnen stappen, dan zou ik overigens werkelijk op een bepaalde manier mijn persoonlijke verleden binnengaan, want ik ben geboren in Den Haag. Ik woon inmiddels al jaren in Amsterdam, vanaf mijn studietijd, maar ik heb achttien jaar in Den Haag gewoond. Ik zou zo, op de tast, naar die Nobelstraat toe kunnen lopen. Deze Nobelstraat is de straat waar, en daar gaat het in dit verband allemaal om, ‘Conrad Busken Huet ter wereld’ kwam, zoals Praamstra schrijft. ‘Ter wereld komen’, dat is kenmerkend Praamstra-proza. Zoals ook de zin die hier direct op volgt: ‘Er woei een noordwestenwind die langzaam naar het westen draaide, de lucht was betrokken en de temperatuur schommelde rond de zeven graden.’ De noot die hierbij staat, verwijst naar een anonieme bron die blijkbaar ‘weerkundige waarnemingen buiten Haarlem’ heeft gedaan. Al met al zal niemand Praamstra kunnen verwijten dat hij zijn huiswerk niet goed heeft gedaan. Hij heeft zelfs boven tafel gekregen wat voor weer het was op de geboortedag – 28 december 1826 – van Conrad Busken Huet! Ik heb er geen idee van wat voor weer het was op mijn geboortedag, het was waarschijnlijk warm (ik ben geboren op 20 juli 1963), maar van Busken Huet weet ik het nu. Ik merk dat ik weer de neiging heb Praamstra niet helemaal serieus te nemen, en dat is onterecht, zijn proza sleepte me immers mee. Die foto trok me het boek in en Praamstra’s zinnen deden de rest. Het is een mysterie. Misschien zit het ’m juist in dat precieze, maar niet al te spannende formuleren.

Die niet al te enerverende stijl van Praamstra wordt trouwens wel degelijk soms gecombineerd met een zekere fermheid. Als volgt begint bijvoorbeeld het eerste hoofdstuk: ‘Vaak was zijn geboorteland hem te klein, te provinciaal, en in zijn laatste levensjaren heeft hij het meer dan eens betreurd dat hij in Nederland geboren was. Hij kon het zijn vaderland maar niet vergeven dat het internationaal zo’n bescheiden plaats innam.’ Dat is mooi gezegd, dat Conrad Busken Huet het zijn vaderland niet kon vergeven dat het niets voorstelde, want daar heb je wel een goede tegenstander mee te pakken, en zoals bekend is een pakkend verhaal gebouwd op het fundament van interessante contrasten en conflicten.

Nederland was een tegenstander die door Conrad Busken Huet werd aangevallen op tal van terreinen, maar zijn pijlen richtte hij toch hoofdzakelijk op de nationale literatuur. Op dat gebied wist hij het meest van aanpakken. De ene reputatie na de andere schreef hij (vooral) in het literaire tijdschrift De Gids aan gort. Dat deed hij op alle mogelijke manieren. En natuurlijk kreeg hij van de weeromstuit de verwijten naar zijn hoofd geslingerd die ook nu nog een rol spelen in het debat over de literaire kritiek. Waarom bespreekt die man eigenlijk boeken die hij niet goed vindt? Waarom doet hij dat op zo’n persoonlijke wijze? En waarom doet hij dat zo geestig? Dat zijn stuk voor stuk flauwekulvragen, maar op een innemende manier gaat Busken Huet in de verdediging. Dat is iets wat hij voor zijn eigen geluk wellicht niet had moeten doen, want van gekken kun je het toch niet winnen. Hij schrijft onder meer: ‘Maar, zegt men, uw kritiek is onbarmhartig; zij valt personen aan, zij heeft het gemunt op karakters. Dat bestrijd ik. Ik geef toe dat zij dodelijk kan zijn voor de middelmaat; ik geef toe dat zij dat is; maar zij doodt alleen de ijdelheid en de eigenliefde.’ IJdelheid en eigenliefde, zij vormen nog immer het meest vervaarlijke tweespan dat de kwaliteit van de literatuur bedreigt. De strijd van Busken Huet is dan ook schrikbarend modern, al zijn er vanzelfsprekend verschillen met onze tijd, de geschiedenis herhaalt zich nooit precies.

Praamstra beschrijft op aangrijpende wijze hoe Busken Huet met zijn vrouw, Anne, en hun enige en geliefde zoon, Gideon, uiteindelijk in een volkomen isolement belandt. Aanvankelijk in Nederland, maar vanaf 1868 wordt hij werkelijk een soort half-vrijwillige balling in het buitenland; eerst in Nederlands-Indië en later in Parijs. Daar sterft hij. Dat einde doet aan dat van Charles Dickens denken, een man met een heel ander temperament en een heel andere persoonlijkheid, maar ook een schrijver die zich uiteindelijk dood heeft gewerkt. ‘Huet stierf op zijn studeerkamer’, schrijft Praamstra, ‘waarschijnlijk zonder zich er zelf van bewust te zijn (…), met de pen in de hand, een sigaret tussen de vingers en een blad papier voor zich, waarop hij net een nieuw artikel begonnen was.’ Het is niet goed mogelijk met droge ogen over het einde van Busken Huet te lezen. Dankzij deze biografie heb ik er een vriend bij gekregen, maar hij is ook al weer weg. Ik droom tegenwoordig vaak over de Nobelstraat in Den Haag en over al die andere plaatsen waar Conrad Busken Huet is geweest. Ik hoop dat hij heel veel heeft gezien. Maar dat denk ik wel. Dat kan niet anders bij zo’n scherpzinnig criticus. Al heeft hij het gevecht tegen de ijdeltuiten en de zelfverliefden niet kunnen winnen. Zo blijft er gelukkig wat te doen.