Geven en nemen

Gouden scène in de documentaire van Pieter van Huijstee, Jheronimus Bosch: Geraakt door de duivel. De Spaanse vlag wappert bij het Museo Nacional del Prado, het museum dat de meeste kunstwerken van Bosch bewaart in het koninkrijk dat die al eeuwen geleden bemachtigde.

Medium commentaar 208 2016 20 geven 20  20nemen 20copy

Binnen staan Nederlandse kunsthistorici voor het topstuk De tuin der lusten, vergezeld door de Prado-conservator. De kenners vragen of ze de achterkant van het drieluik ook mogen bekijken. Nee, zegt de conservator, ik houd er niet van om het schilderij dicht te doen. Ze kijkt erbij als een madame die oordeelt dat haar dame zich heus niet hoeft om te draaien voor dit gezelschap.

We zijn getuige van een nieuwe slag om een oude meester. In zes jaar tijd bezochten de kunsthistorici van het Bosch Research and Conservation Project alle schilderijen van Bosch voor een gestandaardiseerde beoordeling van hun ontstaansgeschiedenis en een objectieve beschrijving van de hand van de meester. Voor hen schitterde steeds het Bosch-jaar 2016 en het belang van welwillende musea voor een groots -opgezette tentoonstelling in het Noordbrabants Museum die stond of viel bij internationale bruiklenen. Negen schilderijen werden gerestaureerd, op kosten van onder meer de Getty Foundation, gemeente en rijksoverheid, zodat ook zij op transport naar Den Bosch konden. Het is een viering van landsbelang. Vijfhonderd jaar na zijn overlijden komt Bosch ‘naar huis’, stelde de stad, die zelf overigens geen Bosch in bezit heeft. Maar deze kunstenaar leidt een dubbelleven: in Spanje is hij minstens zo thuis en heet hij El Bosco.

In de documentaire zien we de experts kijken met infraroodlicht, rode lak en vermiljoen lokaliseren in ooghoeken, uilen tellen die zich ophouden in de donkere hoeken van de schilderijen. Op wat eerste conclusies en diplomatiek gebrachte twijfel na blijkt nog niet hoe scherp de messen hier worden geslepen. Tot de catalogue raisonné verscheen en bleek dat onder meer De keisnijding en De verzoeking van de heilige Antonius uit de Prado-collectie niet aan Bosch toegeschreven konden worden. En het Prado de toegezegde bruikleen van die twee schilderijen introk.

De ironie wil dat het er in de ophef die volgde – het Prado zou ook de documentaire hebben willen verbieden – eigenlijk niet langer toe doet wiens hand aan de schilderijen werkte, die van de meester of een van zijn leerlingen in het atelier. Nee, net als Maerten Soolmans en Oopjen Coppit van Rembrandt, die na een lang en slopend schaakspel toch binnengehaald werden, ten minste voor een deel, en wel om hun Nederlanderschap, is Jheronimus Bosch op de eerste plaats een stadsgenoot. ‘Wist u dat’, aldus het Noordbrabants Museum op de website, Jheronimus vandaag de dag nog feilloos de weg zou kennen in ’s-Hertogenbosch? ‘Het stratenpatroon is nauwelijks veranderd en ook de Sint-Janskathedraal was destijds al in aanbouw.’

Dat Spanje vasthoudt aan de echtheid van zijn El Bosco’s lijkt een absurde kwestie van nationale trots, maar is niet veel gekker dan het geloof in goede sier dat hier te lande rondwaart. De duurbetaalde Maerten en Oopjen gaan binnenkort naar het restauratie-atelier, samen met de Gouden Koets die voor een stil bedrag in ere wordt hersteld. Als het gaat om kunst moeten er voortdurend keuzes worden gemaakt. Maar met het heersende sentiment moeten we niet gek opkijken wanneer – over nog eens vijfhonderd jaar – blijkt dat de nieuwste kunst opnieuw de grens overstak.