Geven en nemen

Wat zijn engelen volgens Wijnberg? Boodschappers, vluchtelingen? Staan ze in contact met de mensheid? Als trooster, beschermer, als doorgeefluik? Worden ze gekoppeld aan geloof, of eerder aan cultuur? Zijn ze in Om mee te geven aan een engel bovennatuurlijke wezens? In het openingsgedicht Engelen definiëren lijkt Wijnberg te zinspelen op deze vragen. Het antwoord, zo kon ik verwachten, is verre van helder, maar niettemin schitterend: ‘Waar je een half uur op hoopte opgeven/ om één woord in een definitie, zoals een zwemmer die zijn arm net niet ver genoeg uitstrekt/ en goud, zilver, brons verliest. Waarom huil je?’

Zoals in al het werk van Wijnberg wordt een gesprek met mij aangegaan. Vandaar dat het openingsgedicht in de slotstrofe opnieuw een vraag stelt: ‘Over welke definities heb je het?’ Het vervolg is zowel een uitbreiding van die vraag, als een mogelijk antwoord erop:

Van wat je moet weten om van je af te laten nemenwat je tegenhield om zo ver te rennen als je kon, en de definities van hoeverschillende personenop elkaar lijken of dezelfde eigenschappen hebben maar niet van wat engelen zijn, die kan je houden, ze mogen toch niet meedoen.

Stel, je bent een vreemdeling, zegt het gedicht Vreemdeling: ‘Een goedkoop hotel vlak bij het treinstation/ is een goede plaats voor een vreemdeling of een vluchteling.’ Ja, stel je dat eens écht voor. Direct wordt mij weer een vraag gesteld, want een vraag leidt tot dialoog:

Is een vreemdeling zijn iets opgeven? Je dacht van niet, maar aan het einde van de dag wil je dat ook wel opgeven.

Dit is de taal van wetboeken, heilige boeken, waarin elk woord ertoe doet en niets verkeerd mag worden uitgelegd. Als in eerder werk gaat het ook in Om mee te geven aan een engel om bezit, om iets ‘opgeven’, ‘meegeven’, ‘terugkrijgen’ of ‘weggeven’. Het kan om aards bezit gaan of om een mensenleven, maar van belang is het ritueel van transacties die we elke dag aangaan.

Soms durft deze poëzie zonder omwegen actueel te zijn, zoals in een gedicht over ritueel slachten, getiteld Een verdediging van het ritueel slachten, wanneer ritueel betekent dat iedereen kan zien dat het nergens mee helpt, dat het dier er niets aan heeft en de slachter en geen wetgever er iets aan heeft en geen engel, en ook om duidelijker te maken hoe antihistorische antimodernisten, zoals de Partij voor de Dieren of de Partij voor de Vrijheid (en je vermoedt dat het met het Forum voor Democratie niet anders is), aan dezelfde kant staan als de antihistorische modernistische bevorderaars van efficiëntie in organisaties en markten. Het gedicht analyseert door middel van een spervuur van morele vragen, stellingen, argumenten, kwesties en hypothesen wat écht sterven zou kunnen zijn, wat de rol van het ritueel is als de notie van wreedheid ervan losgekoppeld wordt. Zelfs de kwestie rond vrijwillig levenseinde komt aan bod.

In het gedicht Herstelbetalen lees ik dan weer: ‘Als je vluchtelingen wil tegenhouden/ omdat je bang bent dat ze Nederland veranderen in een land dat (tenminste in jouw hoofd) minder van jou is/ zou je ook in moeten stemmen met herstelbetalingen aan de kinderen van wie onrechtvaardig behandeld is/ op een manier die Nederland veranderd heeft in wat het nu is, rijk en rechtvaardig genoeg/ om van medelijden elke dag zo kort te huilen dat de traan het oog niet uitkomt.’ Dat zijn regels die je moet herlezen, al staat hier gewoon wat er staat.

Op weg

De man bij de slagboom zegt
dat wij hier niet verder kunnen,
de weg is te vol
met al die die tussen hun dieren lopen,
maar daarna zet hij
de slagboom omhoog
en wuift ons verder.

Heeft een van ons
hem iets gegeven
of gezegd
dat wij niet wilden stoppen
waar ze slachten,
maar enkel verder wilden
naar een plaats daar ver voorbij?

Misschien was het ook duidelijk
dat wij daar niet wilden stoppen,
en wij hebben ook niets te slachten bij ons,
of de prijs
of de fooi
of het deel dat je achterlaat.

Maar er wordt daarhelemaal niet geslacht,
het is een haven,
de dieren worden over loopplanken
enorme schepen ingedreven,
en het is al avond,
de lucht vol donkere wolken.

In dit snel uitdijende oeuvre lijkt het niet relevant om aan te wijzen welk gedicht geslaagd is en welk minder, zoals je ook niet zegt dat Spreuken 7:1-27 beter of minder is dan pakweg Spreuken 21:1-31. Het gaat niet om ‘mooi’, ‘ontroerend’ of ‘herkenbaar’, maar om kennis vergaren, en die kennis toetsen. Wat is een mens, en wat betekent dat, ‘samen leven’? De structuur van de taal en de open vorm maken dat deze lange tot zeer lange gedichten over Jezus kunnen gaan, over engelen, over ritueel slachten of over politiek, zelfs Amerikaanse politiek, zoals in Toespraak, toespraak, waarin Wijnberg niet alleen refereert aan de Slag bij Gettysburg, maar ook aan het protest van de knielende nfl-quarterback Colin Kaepernick.

Om mee te geven aan een engel gaat ook over vooroordelen, schuld, kolonialisme, slavernij en ras. In dat licht moet ik het n-woord lezen, dat hier een paar keer terugkeert – dat weet ik. Het is een woord dat dichters als Frank Martinus Arion, Radna Fabias en Michael Tedja ook gebruiken in hun werk. Is dit andere koek? Kon het echt niet zónder dat woord? Natuurlijk denkt Wijnberg hierover na, en in het slotgedicht van deze belangrijke en uitdagende bundel komt, door middel van thema’s als toe-eigening, stereotypering, het sinterklaasfeest, juist deze kritiek aan bod, en opnieuw ben ik in gesprek met de poëzie. Het ongemak is niet weg, maar zo’n oprechte verdieping en intellectuele verkenning van maatschappelijke zaken zie je zelden in de Nederlandse poëzie:

Als jij voor wit kan doorgaan kan iedereen voor wit doorgaan, maar hoe heb je dat gedaan, hoe is het mogelijk zo wit als jij te zijn?