Geurstokjes. Mooie wollen handschoenen. Honing van de imker. Call of Duty: Modern Warfare II. Zweedse sprookjes geïllustreerd door John Bauer. Een fles Châteauneuf-du-Pape uit 2007 (nu in de aanbieding).

Iemand gaf me ooit een Oost-Duitse banjo. Ik wist niet dat ik een Oost-Duitse banjo nodig had, maar het was wel een uitstekend cadeau. This machine kills fascists. Misschien zijn dat de beste cadeaus: degene waarvan je niet wist dat je ze wilde tot je ze kreeg. Je onthoudt ze in elk geval.

De winkelstraat is rond deze tijd een beetje deprimerend, vind je niet? Al die etalages vol klatergoud en kunstbomen. De oorwurmen die maar niet uit je hoofd willen verdwijnen. But the very next day herinner ik me weer hoe leuk het was om in mijn pyjama van de trap af te rennen, op kerstochtend de pakjes open te scheuren, grote stapels onder de boom.

‘Is het állemaal voor mij?’

‘Niet allemaal, maar wel bíjna allemaal.’

Vijftien jaar later zit ik in de collegebank. Een docent dreunt iets op over antropoloog Marcel Mauss, zijn theorie van het geschenk. Een geschenk verplicht de ontvanger tot een terugbetaling; met een cadeau bind je iemand aan je. Volgens Mauss zijn geschenken ontstaan uit offers. We gaven aan de goden voor hun goede gunsten, en nu we onze eigen goden zijn, geven we aan de mensen om ons heen, en verwachten rendement.

Sommige dingen kun je misschien beter niet analyseren, denk ik weleens.

In elk geval waren de cadeaus een mooie beloning voor het uitzitten van de kerkdienst. Het had zijn charme hoor, luisteren naar pastoor van Ogtrop over de geboorte van Jezus, maar kerstochtend was toch het echte werk. Als de kerstman een cadeau niet had kunnen vinden, kreeg ik altijd een keurige handgeschreven brief waarin werd uitgelegd hoe het pakje was zoekgeraakt. Van de slee gevallen. Later werden de stapels kleiner, en begon ik er zelf aan bij te dragen.

Er is een vreemd soort plezier aan het geven van cadeautjes. Verwachtingsvol toekijken hoe iemand de verpakking opent, niet wetende wat het zal zijn. ‘Goh, wat attent!’

Soms is een cadeau een verlengstuk van de gever, een boek dat je zelf mooi vindt. Het kan een teken van dankbaarheid zijn, of een uiting van rijkdom. Een geschenk kan onderdeel van een ritueel zijn, zoals met de kerst, of gewoon een oprecht teken van genegenheid.

Niet iedereen kan het zich veroorloven te geven, en niet iedereen heeft het geluk te ontvangen. De winter wordt koud dit jaar, tenslotte. Maar als je in de positie bent om wél te geven, wat moet het dan worden? Een trui? Een financiële toelage op de gasprijs?

Aan de beste cadeaus zie je dat er oprechte aandacht aan is besteed. Bij de mindere vraag je je af of de gever je eigenlijk wel kent. Het ergst zijn de cadeaus die kritiek impliceren: een strijkbout voor de sloddervos, de stijltang voor een krullenbos.

Goud, wierook, mirre; een handjevol schelpen of een vrouwtjeskameel. Soms is een geschenk gewoon precies raak. Ik moet weer denken aan mijn Oost-Duitse banjo. Uit de mooiste cadeaus blijkt een zekere afstemming tussen gever en ontvanger. Ik heb je gezien. Heb je mij ook gezien?