TELEVISIE

Gevestigde orde

TELEVISIE: Onmetelijk optimisme

Twee oude mannen in een atelier. Blij met het weerzien na lange tijd omhelzen ze elkaar, schutterig elkaar aaiend. ‘Maar’, zegt de een, ‘ik zou je nooit herkend hebben.’ Het zijn Cor de Nobel, beeldend kunstenaar, die in 1957 in Dordrecht galerie .31 begon, omdat hij zijn werk nergens vertoond kreeg, en Theo Kemp, die werkte onder het pseudoniem Tajoka en die bij De Nobel exposeerde. De aandoenlijke scène zit in deel 5 van Onmetelijk optimisme, een zesdelige reeks over ‘kunstenaars en hun bemiddelaars’ in de periode 1945-1970. Met ‘bemiddelaars’ worden mensen bedoeld die zorgden dat kunstenaars hun werk konden tonen en/of verkopen. Galeriehouders, kleine kopers en grote, soms verzamelaars geheten. Helemaal te scheiden zijn de categorieën niet: De Nobel wordt eerst kunstenaar, dan ook bemiddelaar; Ritsaert ten Cate begint als bemiddelaar (Mickery, theater en galerie), is verzamelaar en ontwikkelt zich tot kunstenaar, zij het pas na 1970.

Dat ‘niet herkennen’ uit de aanhef impliceert iets treurigs. Kennelijk maken individuele trekken met het verstrijken van de tijd geleidelijk plaats voor algemene: die van gelijkschakelende ouderdom. Van individu worden we categorie, zelfs voor ooit bekenden. Dat heeft iets wrangs, des te sterker omdat alle personages in de reeks zulke uitgesproken persoonlijkheden waren. En met dat ‘waren’ maak ik een bewuste fout. Want ze zijn het natuurlijk nog altijd, al wordt dat door hun uiterlijk en onmisbare wandelstok niet meer (h)erkend.

Je kunt zeggen dat Onmetelijk optimisme nog net op tijd gemaakt is: een deel van de betrokkenen was al dood, een deel van de geïnterviewden is dat inmiddels ook. Televisie met oude mensen dus, maar niet voor oude mensen. Of we moeten vaststellen dat programma’s over kunst per definitie niet interessant zijn voor wie jonger is dan vijftig (tenzij het Dali betreft, de twijfelachtige favoriet van veel van mijn studenten). En dat Cobra tot en met popart louter interessant zijn voor leeftijdgenoten van de kunstenaars. Of beter, een piepklein deel daarvan, want als Onmetelijk optimisme iets duidelijk maakt, dan is het dat bijna elke stroming bij verschijnen door een belangrijk deel van de pers en door het publiek gehoond en gehaat werd. Cobra maakte mensen wild van woede, maar dat deed de Nul-beweging ook. Zelfs de bekroning van Westeriks Visvrouw in 1951 leverde schandaal op. En niet te vergeten, bijna elke nieuwe stroming vermoordt de vaders. Wat wij Nul-kunstenaars gemeenschappelijk hadden, zegt Henk Peeters, was de hekel aan het voorafgaande, aan de ‘gevestigde orde’. ‘Wij hoefden alleen maar Cobra om te draaien en hadden wat wij wilden.’ Geen kleur, geen kwasten, geen verf, geen geur. Cobra was voor Nul dus ‘gevestigde orde’, die Cobra nu juist, binnen en buiten de schilderkunst, zo fel had bestreden. Het kan verkeren.

Onmetelijk optimisme geeft een gedegen overzicht van stromingen en schilders, steeds voorafgegaan door een sneltekening van het algemene maatschappelijke klimaat. De kracht zit in het grote aantal direct betrokkenen dat aan het woord komt. Het bevat mooie scènes en uitspraken en geeft inzicht in de rol van ‘bemiddelaars’. Voor een werkelijk goed beeld van het werk van aparte stromingen en individuele kunstenaars is te weinig tijd. Als televisieprogramma is het wat schools in opzet en commentaar(stem), maar als (kunst)historisch document is het een aanwinst. Het project heeft een eigen website: www.visioenenvisie.nl, een expositie en een boek volgen nog. De serie is te zien op zaterdagmiddagen bij de Avro, die dan bovendien een mooie reeks heeft met oudere beeldhouwers en rijksbouwmeesters in woord en beeld.