Film De laatste reis van Matthijs Vermeulen

Gevlogen tot Parijs

Eens in de tien of twintig jaar wordt de componist Matthijs Vermeulen (1888-1967) opnieuw ontdekt. Zijn muziek is soms lastig te volgen en het Concertgebouworkest bedankte veelal voor Vermeulens moeilijke symfonieën.

Niet meer dan een ‘wirwar van walsen en trippeldeuntjes’. Dat is al in 1912 de karakterisering door Matthijs Vermeulen van Der Rosenkavalier uit 1911 van Richard Strauss. De jonge en vurige Vermeulen is nog maar net door redacteur Henri Wiessing aangenomen als muziekrecensent van De Groene Amsterdammer. Hij is een bewonderaar van Alphons Diepenbrock en Richard Strauss. Daarom durft hij Strauss’ nieuwste opera al te bespreken als hij nog alleen maar het piano-uittreksel in handen heeft. Het is voor Vermeulen een geweldige teleurstelling. Hij ziet bij Strauss als serieus kunstenaar alleen maar 'een onmiskenbare stilstand’: een levenloosheid, die Strauss tracht te verbloemen door de 'sprankelende schijn van uiterlijke virtuositeit’ en: 'goedkoopere kunstvaardigheid dan Strauss’ thematische combinaties, luk-raak neergesmeten bestaat niet’. De jonge recensent laakt een 'gebrek aan concentratie waardoor alle scènes gerekt worden tot eindeloosheden’. Het is, concludeert Vermeulen, zelfs een teruggang: waar blijft het wagneriaanse principe dat de muziek geen doel is, maar middel? Kortom, als dr. Richard Strauss zo doorgaat met het opwekken van 'allemaal monsters uit vervlogen tijden’, dan zal men kunnen spreken van het 'Bankroet van het Muziek-drama’.
De composities van Matthijs Vermeulen worden zelden gespeeld en de door hem bij voorbaat al neergesabelde Rosenkavalier werd in mei van dit jaar met groot succes voor de zoveelste keer opgevoerd door De Nederlandse Opera. Een voortreffelijke productie overigens, met Sir Simon Rattle, die het Rotterdams Philharmonisch Orkest genuanceerd en bewogen dirigeert, mooie rococokostuums tegen de achtergrond van een steeds meer schuin wegzakkend adellijk kasteel en vooral twee jonge sopranen, Sally Matthews en de bij dno debuterende Karin Strobos als een weergaloos jong, zuiver en zilverachtig liefdespaar. Deert het dan iemand nog dat Matthijs Vermeulen die muziek 'eentonige lijfdeuntjes’ noemt?
De film die Kees Hin in 1988 over leven en werk van Matthijs Vermeulen heeft gemaakt is duidelijk. Het zijn deze en andere vlijmscherpe kritieken die hebben gemaakt dat de composities van de componist Vermeulen niet of pas na heel lange tijd werden uitgevoerd. Zoals vaker wordt ook hier Willem Mengelberg als de grote boosdoener opgevoerd. Hij was niet alleen leider van het Concertgebouworkest, maar een aanbeden muzikale godheid in Nederland. Ook door Vermeulen werd hij bewonderd, maar de absolute verafgoding wekte op den duur zijn weerzin. Niet alleen met zijn kritieken streek hij tegen alle haren in, Vermeulen waagde het ook na een uitvoering van de bombastische Zuiderzeesymfonie van Cornelis Dopper spontaan, nog vóór het applaus begon, luid en krachtig 'Leve Sousa’ te roepen. Met het aanroepen van de naam van de beroemde Amerikaanse marsencomponist zei hij zoiets als: wat is dit een verwerpelijke militaristische marsmuziek. Deze scène wordt door Kees Hin in de film prachtig verbeeld: een hele militaire kapel duikt op om Vermeulen met zijn uitroep in de grote zaal van het Concertgebouw te ondersteunen.

Kees Hin (1936) is net zo'n eigenzinnige filmer als Matthijs Vermeulen criticus en componist was. Hij heeft een lange reeks films op zijn naam, die bijna nooit gewoon een documentaire of een speelfilm zijn, het wringt altijd een beetje. Hij schuwt het niet om in documentaires gespeelde scènes op te nemen en zijn speelfilms hebben altijd een documentaire inslag. Zo maakte hij in 1990 met Sandra van Beek over De Groene Amsterdammer de film Een wolk van groen, waarin niet de redactie of het blad, maar de oudste lezers centraal stonden, wonderlijke, eigenzinnige, tegendraadse mensen, net als Hin en Vermeulen. Bovendien laat hij acteurs op de trappen en in de kelders van het oude Groene-gebouw aan het Westeinde scènes uit Hamlet spelen.
Samen met schrijver K. Schippers maakte Hin films als Het schaduwrijk (over een vrouw die via een schimmenspel teruggaat naar het moment van de breuk met haar vader) en Cinema Invisible (over tien nooit gerealiseerde scenario’s). Voor De laatste reis van Matthijs Vermeulen werkte hij samen met de componist Otto Ketting, die in de jaren tachtig veel heeft gedaan voor het op grammofoonplaat en cd vastleggen van de muziek van Vermeulen in zo goed mogelijke uitvoeringen.
Otto Ketting vond in een Leids studentenarchief, verstopt achter de keuken van een studentensociëteit, de verloren gewaande partituur van de muziek die Vermeulen in 1930 in opdracht heeft geschreven voor een openluchtspel van de dichter Martinus Nijhoff over De vliegende Hollander. Hin besloot die als uitgangspunt en leidthema te nemen. Niet zo'n erg origineel thema, maar hiervan waren filmbeelden voorradig en enige - overigens onbruikbare - 78-toerenplaten. Een vliegende Hollander kan iedereen genoemd worden die om wat voor reden dan ook Nederland is ontvlucht, maar Vermeulen zwierf niet over de wereldzeeën. Hij kwam niet verder dan Parijs, waar hij zich in 1921 vestigde omdat zijn muziek in Nederland nooit werd uitgevoerd. In Frankrijk ging het hem overigens nauwelijks beter, zodat hij na de Tweede Wereldoorlog terug naar Nederland ging en het schrijven voor De Groene Amsterdammer weer opnam.
In de film zien we de acteur Hans Hoes, die Vermeulen speelt, rusteloos op een botter over het Kagermeer zeilen. Dat is niet historisch, maar het levert mooie beelden op en laat zien hoe Vermeulen steeds in beweging is gebleven en zijn principes nooit heeft willen verloochenen. Hans Hoes, een acteur die veel te weinig op het toneel en in films te zien is, speelt Vermeulen prachtig: gedreven, somber, treurig en altijd weer verwachtingsvol, welke tegenslagen hij ook steeds ondervindt. Kees Hin is geniaal in het gebruiken van het toeval. De straten waarin hij Vermeulen laat ronddolen en de treinen die langsrijden zijn hedendaags, dat wil zeggen van 1988. In dat jaar was het Amsterdamse Concertgebouw bijna volledig in afbraak, de grote zaal was een enorme puinbak. Als Vermeulen in die ruïne ronddwaalt, is het alsof niet híj in vergetelheid is geraakt maar alsof het officiële muziekleven dat hem afwees in verval is. Het moet heel bijzonder zijn die beelden nu in het gerenoveerde gebouw te kunnen bekijken.

Hin laat een deel van het leven van Vermeulen vertellen door zijn broer (gespeeld door de jong overleden Michiel van Rooyen), die net als hij aanvankelijk priester wilde worden. Curieus is de afwezigheid van enige referentie aan de eveneens katholieke componist Alphons Diepenbrock, leermeester en weldoener van Vermeulen, die de schrik van zijn leven kreeg toen ook hij in een vernietigende recensie door Vermeulen van stilstand en gezapigheid werd beschuldigd.
Gelukkig wordt dit gemis goedgemaakt door een net verschenen, zeer leesbaar boek, Het grote zwijgen, een roman van dichter Erik Menkveld, waarin nu juist de relatie tussen Diepenbrock en de twintig jaar jongere Vermeulen centraal staat, of liever gezegd: de kruisende liefdesverhoudingen die hen met elkaar hebben verbonden en van elkaar hebben afgestoten. Menkveld heeft handig gebruik gemaakt van een aantal korte, heel persoonlijke passages in de twee vuisten dikke biografie van Vermeulen, geschreven door zijn schoonzoon Ton Braas, Door het geweld van zijn verlangen. In dat boek worden de recensies, composities en problemen van Vermeulen minutieus beschreven. Maar er staan ook onthullingen over het liefdesleven van Vermeulen (en zelfs van Diepenbrock) in, die het onderwerp van de nieuwe roman vormen. Erik Menkveld heeft voor zijn romandebuut gekozen voor een parodie op zoiets als een doktersroman en wil blijkbaar aantonen dat je op deze wijze ook een meeslepende 'componistenroman’ kunt schrijven, vol tedere aanrakingen, schuchtere kusjes, gewaagde decolletés, tjilpende vogeltjes, wandelingen in het Vondelpark, bosjes rozen en orchideeën en ja, zelfs buitenechtelijke relaties. Misschien vertelt het boek meer over een dichtersleven in 2011 dan over een componistenleven honderd jaar eerder.
De film van Kees Hin bevat ook een paar voorzichtige seksscènes, maar gaat toch vooral over het werk van Matthijs Vermeulen. Otto Ketting heeft daarvoor veel van de belangrijkste muziek van hem uitgekozen die wordt uitgevoerd door mezzosopraan Jard van Nes, bariton Charles van Tassel, de pianisten Jan van Meer en Reinbert de Leeuw en cellist Anner Bijlsma. De muziek van Vermeulen is nog altijd verbazingwekkend, maar ook soms lastig om te volgen door zijn grote ideeënrijkdom en naar het schijnt nog veel lastiger om te spelen. Misschien is het daarom dat ook na het verdwijnen van de 'Duits-vriendelijke’ Mengelberg bij het Concertgebouworkest Vermeulen daar nauwelijks werd gespeeld, ook niet toen de linkse en francofiele Marius Flothuis daar de scepter zwaaide, die meer affiniteit met Vermeulen had. Het orkest weigerde eenvoudig om die moeilijke symfonieën te spelen.
Eens in de tien of twintig jaar wordt Matthijs Vermeulen herontdekt, door grammofoonopnamen, concertreeksen, een film en inmiddels heel veel boeken. Het is een ontmoedigende conclusie: het lijkt of het leven van Matthijs Vermeulen, zijn lijden, zijn miskenning en zelfs zijn liefdesleven interessanter worden gevonden dan zijn magistrale muziek.

In het AAA-programma En route speelt het Koninklijk Concertgebouworkest een klein stuk muziek van Vermeulen: de proloog van De vliegende Hollander.
De film De laatste reis van Matthijs Vermeulen is te zien op dinsdag 14 juni, 20.30 uur, via BravaNL.
Erik Menkveld, Het grote zwijgen, Van Oorschot, 389 blz., € 20,-