Gevoel en moraliteit

Emoties – gevoelens, zeg ik liever – leiden vaak tot een groot moralisme.
We spreken dan ook vaak over verheven gevoelens die je zelfs koestert.
Rechtvaardigheid is iets dat je onder kunt brengen in regels, maar er is ook een gevoel van rechtvaardigheid dat juist naast de regelgeving ligt.
Een beroep doen op dat gevoel van rechtvaardigheid is een beroep doen op je moraliteit: je behoort dat gevoel te bezitten.
Bijna alle woorden die eindigen op ‘eid’ lijden aan die moraliteitskwaal: medemenselijkheid, goedheid, deugdzaamheid, vriendelijkheid.
Tegenwoordig zijn gevoelens in de mode als ‘passie’ of ‘betrokkenheid’.
Ze duwen je naar een moraal die niet rationeel beredeneerd hoeft te worden – en daarom is ze ook zo populair. Het is het strooigoed van politici.
‘En toen zag ik al die aidsbaby’s in Afrika, en dat gecombineerd met het analfabetisme in dat land en de hoge criminaliteitscijfers, afgezet tegen onze welvaart en rijkdom, toen dacht ik: dit kan zo niet verder gaan, wij moeten iets doen.’
Niemand durft in zo’n geval te zeggen: ‘Waarom laat u ze niet verrekken, anders gezegd: doodgaan, sterven.’ Het in leven houden van die mensen achten wij hoger dan ze zonder onze zorg te laten sterven, terwijl dat misschien – alstublieft, ik beweer niet dat ik die mening koester – de beste oplossing is. Daar zijn argumenten voor. (Al het ontwikkelingsgeld dat we er hebben ingestopt helpt niet, ze neuken maar onverantwoordelijk door, et cetera.)
Het irrationele van het gevoel kan ingezet worden als er grote moraliteit wordt geëist die een rationele argumentatie moeilijk kan verdragen.
Bij de televisie wordt dit goed zichtbaar. Kijk naar RTL Boulevard. Bijna alle sterren die daar verschijnen doen ‘iets goeds’ dat niet weersproken kan worden.
Marco zit bij War Child, Katja doet in speelgoed uit Afrika, Tooske doet aidsbaby’s, Guus doet gehandicapte kinderen, Esmeralda doet alzheimerpatiënten, allemaal doen ze Greenpeace. Prachtig, natuurlijk, en het rechtvaardigt hun eigen ‘air time’ (‘Ik zit hier niet omdat ik een nieuwe film heb, maar om aandacht te vragen voor het toenemende aantal aidsbaby’s’).
Vooral bij de religieuze medemens zijn gevoelens populair. Dat is logisch. Het bestaan van een godheid kan en zal nooit bewezen worden (en wij goddelozen hoeven het gelukkig ook niet te bewijzen) en bestaat dus alleen maar bij de gratie van ‘een gevoel’.
‘Het spijt me, maak het goed bij een etentje, we doen de huwelijksdag over’ – het zijn zogenaamde concepten die je vooral bij christelijke omroepen zag en ziet. Boer zoekt vrouw is volkomen terecht een KRO-programma: alles wat daarin gebeurt, de manier waarop de boer zijn vrouw zoekt, de argumentaties van de boeren, het is tot in de vezels katholiek. Niets mis mee, dat hoort ook zo, voor een katholieke omroep.
Bij de Vara is het van eenzelfde laken een pak. Bij de populaire Vara-programma’s zie je, zo niet elke dag, dan toch zeker drie keer in de week, ‘goede mensen’ zitten. Laten we eerlijk zijn, het fundament van het socialisme (alsook de sociaal-democratie) bestaat op z’n best uit een min of meer rationele economische analyse die je dwingt tot een opstand tegen de zogenaamde ‘onrechtvaardigheid’. Socialisme is dan ook uiteindelijk een religie zonder god.
Zaken als mededogen, empathie, solidariteit, eensgezindheid, nationalisme, en ook: vrijheid, chauvinisme, strijdbaarheid, worden als afgoden op de televisie vereerd.
De reden daarvan is simpel: gevoelens vertolk je sneller, en gaan sneller voorbij, dan rationele overwegingen die streven naar algemene geldigheid.
Gevoelens zijn daarom mediagenieker.