Gevoel is maar gevoel

Laatst hoorde ik op de radio een interview.

Ik ga niet zeggen wie er werd geïnterviewd en door wie.

Wat me opviel was dat de vragensteller bijna elke zin begon met: ‘Wat was je gevoel…’

‘Wat was je gevoel toen je gepest werd? (…) Wat voelde je toen je alleen in de klas zat? (…) Wat was je gevoel toen je alleen thuiskwam. (…) Wat was je gevoel toen je begreep dat de onderwijzers niets deden?’

Het ging maar door.

Vervolgens werd er commentaar op het interview gegeven.

‘Dat was een mooi vraaggesprek… Ja, we weten eigenlijk niet hoe de gepeste zich voelt. Dit interview maakte mooi duidelijk dat de gepeste zich enorm eenzaam voelt.’

Ik weet wel iets van interviewen, denk ik, en dat vragen naar gevoel is kitsch.

Wat weet je al wanneer je iemand bevraagt die gepest is?

Dan is het toch al volkomen duidelijk dat zo iemand zich eenzaam voelt? Dat zo iemand nergens heen kon? Dat zo iemand grote ellende meemaakt. Waarom dan nog vragen naar dat gevoel? Daarbij komt dat de meeste mensen zich geen raad weten met hun gevoel. Ze weten niet hoe ze dat moeten uitdrukken. Al jaren en jaren interviewen we sporters die net iets verloren of gewonnen hebben en vragen we naar hun gevoel. Nog nooit is daar een antwoord uit voortgekomen dat de moeite waard is.

Wat moet je ook zeggen als je een gouden medaille hebt? ‘Ik voel me lichtelijk belazerd!’ ‘Ik voel dat ik het product ben geworden van een falend systeem!’

Wie een gouden medaille heeft, is blij.

Maar dat is blijkbaar niet genoeg, we willen nog meer emotie. ‘Superblij!’ ‘Waanzinnig blij!’ ‘Sprakeloos van blijdschap!’ ‘Ik kan het niet geloven, zo blij ben ik.’ ‘Het is alsof ik droom, zo blij.’

Wat is het belang van het onderscheid in al die vreugdes? Ik zou het niet weten.

De emotie, het gevoel, wordt overgewaardeerd. Goede televisie bijvoorbeeld zou emoties tonen. Een goed programma is een programma waarin heftige gevoelens worden verbeeld. De allergrootste emotie is natuurlijk de allerbeste emotie, en dus moet alles tot een spelletje worden gefabriceerd, want dan roep je heftige gevoelens op.

Het is soms gênant om naar te kijken. Iemand heeft een woord van vijf letters geraden en een gouden bal ‘getrokken’ en is dan uitzinniger van blijdschap dan wanneer een geleerde de Nobelprijs wint.

Waarom zou dat zo zijn?

Ik denk omdat iedereen wel ergens iets kan winnen en dan vervolgens recht meent te hebben op een heftige emotie. En door een heftige emotie bewijs je dat je geen nutteloos leven leidt, want je hebt immers een groot gevoel. Je zoekt als het ware een rechtvaardiging van dat grote gevoel. O, ik ben eerste geworden bij het kaarten! O, ik ben kampioen van de straat! O, ik ben speciaal uitgezocht en nu heb ik ‘de kans om een mooie prijs te winnen’.

Wie, zoals ik, wel eens cocaïne gebruikte, zal het gevoel herkennen dat je je goed voelt zonder enige reden. Dat is tegelijkertijd ook de reden dat je weer cocaïne wilt gebruiken. Je voelt je zomaar ‘een held’ en je wilt dat weer voelen, want er is verder geen reden om je goed te voelen. Waarom-daarom krijgt door cocaïne betekenis.

Maar door al dat gejubel over ons gevoel hebben zaken als nuchterheid, rationaliteit, zuiverheid aan betekenis verloren. Wie een grote prestatie heeft geleverd en daar nuchter op terugkijkt, krijgt als verwijt dat hij gevoelloos is.

Een autist.

Terwijl ik dit schrijf, luister ik naar nieuws over ‘een autist’ die in Amerika zo’n twintig kinderen heeft doodgeschoten. Hij wordt als gevoelloos weggezet, terwijl zijn daad voor mij het tegendeel bewijst.

De trut die huilt om een halfdode walrus oogst bewondering, terwijl dat goedkope tranen zijn.