Gevoel van onveiligheid

IS DE TIJD RIJP voor een herziening van de antiterreurwetten? In Nederland is althans Jacob Kohnstamm, voorzitter van het College Bescherming Persoonsgegevens, kritisch over het effect ervan op de privacy van burgers. Hij heeft het over ‘een indrukwekkende lijst aan wetten sinds 9/11’, zoals de bewaarplicht van bel- en internetgegevens. Ieders gebabbel, sociaal verkeer en koopgedrag wordt vastgelegd, en bewaard. Of daarmee ook terreurdaden zijn voorkomen, daarvoor is geen overtuigend bewijs. De toegevoegde waarde van de wetten is volgens Kohnstamm niet aangetoond.
De commissie-Suyver onderzocht na een motie in 2007 van Alexander Pechtold of de antiterreurmaatregelen effectief en proportioneel zijn. Het begin dit jaar gepresenteerde rapport trekt zowel geruststellende als zorgwekkende conclusies. Gesteld wordt dat het vanuit de dreigingsanalyse van toen zeer begrijpelijk was dat 'de regering al het mogelijke heeft getroffen om terreur tegen te gaan’. Het gevoel van veiligheid was aangetast, wat werd versterkt door nieuwe aanslagen in naam van Allah in Bali (2002), Casablanca (2003, 2007), Madrid (2004), Amsterdam (2004), Londen (2005), Bombay (2008) en Marrakesj (dit jaar). Dat dit vroeg om onconventionele maatregelen leidde dan ook nauwelijks tot politieke twijfel. Kohnstamm verzucht nu, terecht, dat 'als je als politicus destijds kritisch was over dit soort wetsvoorstellen, je verweten werd te heulen met de terroristen’.
Maar waren het ook de juiste middelen? De onderzoekers constateren dat er een wettelijke basis is en dat de maatregelen niet strijdig zijn met de fundamentele rechten. Het antiterreurbeleid kenmerkt zich bovendien door 'maatwerk’, zoals 'een persoonsgerichte verstoring’. Mensen van wie een dreiging uitgaat, worden méér dan in de gaten gehouden bij moskeeën, belwinkels of huiskamerbijeenkomsten. Wat de preventieve werking daarvan is onttrekt zich aan het publieke oog, juist omdat het precair ligt.
En dat raakt aan een belangrijk punt van kritiek: de proportionaliteit en transparantie in relatie tot de privacy van miljoenen niet-verdachte burgers. Daar schort het volgens de commissie aan en zij stelt dat 'voor het behoud van het draagvlak en de legitimiteit hierover permanent debat gevoerd moet worden’.
De tijd is rijp voor dat debat. Niet alleen over de antiterreurwetten zelf, maar ook over wat er in het kielzog daarvan aan databanken en uitwisseling van persoonsgegevens is doorgevoerd. Kohnstamm doet een voorzet. In het regeer- en gedoogakkoord is opgenomen dat ingrepen die dienen ten gunste van terrorismebestrijding een horizonbepaling moeten krijgen. Er moet een termijn afgesproken worden. Wordt die termijn overschreden en is er geen aantoonbaar effect, dan moeten de maatregelen weer worden afgeschaft. De weerstand tegen de schending van privacy groeit. Het 'wij hebben niets te verbergen’ maakt plaats voor 'wat weet de overheid allemaal van mij en wat doet zij ermee?’ Als het vertrouwen van de burger in de digitale overheid gaat wankelen, dan lijdt de staat schade. Het ontwricht het gevoel van veiligheid.