Nieuwe politieke correctheid in Amerika

«Gevoeligheids-richtlijnen»

Als Amerikaanse high school-leerlingen naar de universiteit willen, moeten ze het staatsexamen Engels afleggen. Dat bevat onderdelen met voorbeelden uit de Amerikaanse literatuur, maar die blijken door de examencommissie zwaar te zijn «gesaneerd». Bijna alle verwijzingen naar ras, godsdienst, seks, naaktheid of alcohol zijn geschrapt.

Er gaat geen week voorbij of de Amerikaanse media maken melding van een nieuw wapenfeit in hun roemruchte culture wars. De jongste rel in de academische wereld is ontketend door Harvard-rector Lawrence Summers, die het heeft gewaagd de omstreden hoogleraar Afro-Amerikaanse Studies Cornel West de wacht aan te zeggen. Sinds zijn bestseller Race Matters (1993) heeft de flamboyante West geen serieus werk meer afgeleverd; enkel hitsige toespraken, campagneadviezen voor de Democraten, oproepen voor de fundamentalistische Million Man March alsmede een erbarmelijke cd in samenwerking met producent Derek Allen, genaamd Sketches of My Culture.

Begin dit jaar zette Summers hem in een open brief voor het blok: of je levert degelijk werk af, of je zoekt een andere betrekking. West beschuldigde Summers per kerende post van racisme en liep over naar het rivaliserende Princeton. Aldus werd het probleem verplaatst, de favoriete oplossing in academische kringen, in het bijzonder wanneer het gaat om raciaal of politiek gevoelige kwesties. Het gebeurt maar zelden dat de partijen een nieuw front openen.

Dat geschiedde vorige week, toen The New York Times (onder de veelzeggende titel De oudere man en de zee) het verhaal bracht van Jeanne Heifetz, doctor in de Engelse taal- en letterkunde en moeder van een veelbelovende eindexamenleerlinge. Heifetz wilde haar dochter voorbereiden op het staatsexamen Engels dat Amerikaanse high school-leerlingen moeten afleggen als ze naar de universiteit willen. Dit zogenoemde Regents Exam bevat onder meer een luistertoets, een woordkennistoets en een essayopdracht, meestal op basis van twee romanfragmenten.

Bij het doornemen van oude examenteksten ontdekte Heifetz tot haar verbijstering dat fragmenten van Isaac Bashevis Singer, Anton Tsjechov, William Maxwell en andere schrijvers door de examencommissie ernstig waren verminkt. Bijna alle verwijzingen naar ras, godsdienst, seks, naaktheid of alcohol waren eruit geschrapt. In alle teksten ontbraken woorden of zinnen, soms waren hele alinea’s «aangepast». Uit een toespraak van Kofi Annan waren alle verwijzingen naar de onbetaalde Amerikaanse contributie aan de VN verwijderd, alsmede een lovende uitlating over de «Californische wijn en vis» (ingekort tot «Californische vis»).

In een enkel geval was de betekenis van het fragment geheel verloren gegaan. Het stuitendste voorbeeld is een romanfragment voor het examen van juni 2001, afkomstig uit Singers boek In My Father’s Court (1966). Het fragment gaat over een niet-joodse wasvrouw die tot op hoge leeftijd met bijna bovenmenselijke inspanning de was blijft doen voor de veeleisende familie Singer. «De meeste joodse vrouwen van haar leeftijd waren ziekelijk, zwak, lichamelijk gebroken», schrijft Singer. «Maar deze wasvrouw, zo klein en mager als ze was, bezat een kracht die ze ontleende aan generaties van boerenvoorouders. Ik kan me geen Eden voorstellen zonder die wasvrouw.»

Singers kracht is de intense liefde waarmee hij het joodse gettoleven beschrijft en tot in de kleinste details zowel de heroïek als de bekrompenheid van het asjkenazische messianisme laat zien. Maar de saneringsdrift van de examencommissie ging zo ver dat uit de betreffende passage alle woorden waren verwijderd die betrekking hadden op het jodendom, zoals «Jew» en «Gentile». Op het eindexamenformulier was Singers voornaam ook nog eens verbasterd tot «Issac». Om de gotspe compleet te maken, luidde het onderwerp van het vereiste essay: de menselijke waardigheid.

Het examen van augustus 2001 bevatte een fragment uit An American Childhood (1987) van Annie Dillard, die in de jaren vijftig opgroeide in Point Breeze, de rijke buurt van calvinistisch Pittsburgh. In het boek beschrijft ze haar jeugd als een «droomherinnering», een ingetogen, mysterieuze en soms schokkende ontdekkings tocht door de volwassen wereld met haar genadeloze wetten, inclusief de schier onoverbrugbare kloof tussen zwart en blank. Het examenfragment ging over haar bezoeken aan de openbare bibliotheek in Homewood, de zwarte stadswijk, waar ze twee keer per week door haar moeder in de auto naartoe werd gebracht. Uitgerekend in deze tekst waren alle verwijzingen naar huidskleur (zoals de uitroep aan het adres van de kleine Dillard: «Jullie meid is een nikker!») door de eindexamencommissie geschrapt.

In de laatste alinea beschrijft Dillard haar ontluikende besef dat de bibliotheek die voor haar, als bevoorrecht kind van een industrieel, een wereld van mogelijkheden ontsloot, voor de meeste zwarte bezoekers niet méér was dan een tijdelijke vluchtheuvel: «De marmeren vloer bezorgde me steeds vaker rillingen. Het was niet eerlijk.» Niettemin werd de leerlingen in vraag 5 verzocht uit te leggen welke onrechtvaardigheid haar die koude rillingen bezorgde.

Evenzo verging het Elie Wiesel, wiens autobiografische essay What Really Makes Us Free was ontdaan van woorden als «God», «ziel» en alle andere termen die naar religie verwijzen. Zijn constatering dat beeldende kunst en muziek de mensheid meer verenigen dan de godsdiensten, die eerder verdeeldheid zaaien, kwam volledig in de lucht te hangen.

Toen ze zag dat in Ernesto Galarza’s jeugdherinneringen Barrio Boy (1971) ook alle persoonsbeschrijvingen waren aangepast (een Ita liaanse jongen was «mager» in plaats van «vel over been» zoals in het origineel, een Portugese jongen was niet «dik» maar «zwaar») en dat zelfs zijn naam verkeerd was gespeld («Gallarzo»), sloegen bij Jeanne Heifetz alle stoppen door. Heifetz, die is getrouwd met een uitgever, nam contact op met de betrokken schrijvers en hun uitgevers, die zonder uitzondering woedend reageerden. Niet alleen hadden ze geen toestemming voor de ingrepen gegeven, ze vonden bovendien dat hun intellectuele integriteit erdoor was aangetast.

Het meest van al wonden ze zich op over de stupiditeit van het gebruik van verminkte teksten, alsof jongeren niet juist gaan lezen vanwege hun identificatie met realistische personages en situaties in een verhaal. Het is haast onvoorstelbaar dat New Yorkse leerlingen niet zouden mogen worden geconfronteerd met de sappige of rauwe verhalen van New Yorkse schrijvers over hun eigen stad. «Ik ben er kapot van», schreef Frank Conroy, wiens broeierige memoires Stop-Time (1967) door de commissie waren gezuiverd van alle seks, naaktheid en geweld die hem zo’n onvergetelijke jeugd hadden bezorgd: «Ze hebben alle lekkere hapjes eruit gehaald, afschuwelijk!»

Heifetz zocht ook steun bij waakhonden als de National Coalition Against Censorship, de vereniging van Amerikaanse uitgevers en de schrijversbond PEN. In een gezamenlijke brief van 31 mei riepen ze het departement van Onderwijs van de staat New York ter verantwoording. Onderwijscommissaris Richard Mills verklaarde dat hij rekening moet houden met de «gevoeligheidsrichtlijnen» van zijn departement, die voorschrijven dat leerlingen zich niet «ongemakkelijk» mogen voelen tijdens het afleggen van examens. Hij zegde toe dat hij een eind zou maken aan het gebruik van aangepaste fragmenten, maar lagere functionarissen kondigden aan dat ze de praktijk zouden voortzetten, eventueel met gebruikmaking van haakjes en puntjes om aan te geven dat woorden waren geschrapt. «Zelfs de meest fantastische auteurs schrijven geen teksten waarover je kinderen kunt examineren», aldus ondercommissaris Roseanne DeFabio.

Heifetz en haar medestanders nemen hier geen genoegen mee. Ze eisen openbare hoorzittingen om de zaak tot op de bodem uit te zoeken, temeer omdat de verminking van examenteksten maar het topje van een ijsberg blijkt te zijn. De «gevoeligheidsrichtlijnen» drukken hun stempel op het hele middelbaar onderwijs in de staat. Ook het les- en oefenmateriaal voor de scholen maakt veelvuldig gebruik van «aangepaste» teksten, niet alleen van literaire aard. Onderwerpen als seksualiteit en evolutie worden systematisch uit klaslokalen geweerd omdat ze een deel van de ouders aanstoot zouden kunnen geven.

Het is de vraag of Heifetz cum suis tot de bodem van de zaak zullen doordringen. Het postmodernisme met zijn nadruk op de onaantastbare «identiteit» van ieder individu en de relativiteit van alle waarde- en kwaliteitsoordelen is zo diep geworteld in de Amerikaanse humaniora dat je van een industrie mag spreken. Een hele generatie academici, schrijvers, advocaten en opiniemakers heeft er zijn broodwinning van gemaakt. Alleen al het zwarte Dream Team van Harvard, bestaande uit genoemde Cornel West, Henry Louis Gates en Kwame Anthony Appiah, is een fabriek op zichzelf met vertakkingen in uitgeverswereld en politiek en diverse invloedrijke sponsors, waaronder het culinair uiterst incorrecte McDonald’s.

Mocht het tot hoorzittingen komen, dan zal de staat New York zich naar verluidt laten bijstaan door identiteitsideologen van de eigen staatsuniversiteit. Lieden voor wie één plus één allang geen twee meer is, maar een klasse gebonden metafoor. Speciaal voor hen heeft de ludieke Australische computerexpert Andrew Bulhak een programma ontwikkeld, de Post modernism Generator, die op zijn website (www.elsewhere.org/cgi-bin/postmodern) geheel zelfstandig postmoderne «essays» van duizend woorden produceert. Volgens de teller heeft Bulhaks website sinds de opening op 25 februari 2000 maar liefst een half miljoen essays afgeleverd met titels als «Postkapitalistisch discours in het werk van Pynchon» en «Het dialectisch paradigma van de consensusvorming». Teksten die, zo verzekert Bulhak bulderend van de lach over de telefoon vanuit Melbourne, stuk voor stuk aan de eindtermen van New York State University voldoen. «Ze gaan gegarandeerd nergens over.»