Expositie 1001 Nacht

Gevormd in vrees

De expositie ‘1001 Nacht’, in Oss en Amsterdam. Schrijver en dichter Serge van Duijnhoven is meer gecharmeerd van de Osse variant, en nog meer van de bundel ‘1001 Nacht’ die naar aanleiding van de tentoonstelling verscheen.

Stel je een bundel voor waarin iedere bladzijde een ruimte is waarin je op zich al kunt verdwalen. Een labyrintisch complex van uitvouwbare pagina’s, woorden en afbeeldingen waarin de toeschouwer telkens naar nieuwe uithoeken van de verbeelding wordt geleid. Dat is een beetje de indruk die het prachtige, roodzwarte 1001 Nacht bij mij oproept, de uitgave van het Museum Jan Cunen Oss die is verschenen rondom de gelijknamige expositie. Zeven zalen werden ingericht in het Osse museum, en sinds deze week ook in het Stedelijk Museum te Amsterdam, door de beeldend kunstenaars David Bade, Lisa Couwenbergh, Kees de Goede, Guido Lippens, Jaap Noordermeer, Mai van Oers en C.A. Wertheim. Zeven schrijvers schreven verhalen speciaal voor die ruimten. Sheherazades verhalenepos diende telkens als inspiratiebron.

De verhalen en afbeeldingen, haarscherp afgedrukt op zwaar en donker papier (zwart als de zwartste pupillen), worden in het boek omringd of bijna omarmd door een fotoserie van Peter Cox, van Brabantse steden bij volle maan. De sfeer op die foto’s bepaalt voor een groot deel de toonzetting van het boek. Die is hedendaags en toch sprookjesachtig, desolaat en woelig, dreigend en aanlokkelijk. Het landschap en de in maan- en elektrisch licht badende architectuur vormen een decor dat van mensen is ontdaan. De stad is intact, maar de wegen en straten zijn leeg. De bevolking is op de vlucht, of slaapt als in het mysterieuze sprookje van Doornroosje. Het Brabantse stadslandschap met zijn kerken en fabrieken en zijn steenwoeste leegten vloeit op volstrekt plausibele wijze over in de steegjes, tuinen en paleizen van het Midden-Oosten. «Tel Aviv, de echte shoarma met de smaak van vroeger», meldt een uitklapbord op de stoep van een nachtelijke straat in hartje Breda. Op de achtergrond is het dak van de kerk te zien, en daarboven de maan. Het meedogenloze oog van die wachter met zijn dodelijke lans, die niet alleen over Sheherazade waakt, maar over ons allemaal.

Ook zonder de tentoonstelling geeft het labyrintisch vormgegeven boek je dat gevoel van verleiding en vervoering waarop de hele Arabische vertelling Alf laylah wa laylah is gebaseerd. De sultan moet snakken naar meer, en Sheherazade moet iedere avond een web van woorden spinnen dat haar vorst gevangen houdt. Elk verhaal, elke nacht is een poging om de tijd, het fatum (haar doods lot) uit te stellen en pareren. Sheherazades verwoede streven de sultan van zijn voornemen te doen afzien is vergeefs, maar dat maakt haar poging niet minder grandioos. Op geen enkel moment bezwijkt ze aan de dreiging van zeis en kovel. De vertelster zal zich verzetten en sterven met geheven hoofd.

De afbeeldingen uit de installatie van C.A. Wertheim (die tevens het omslag van de bundel sieren) beelden Sheherazade af als een wulpse vamp op hoge hakken, draaiend met haar heupen en met een pistool in de hand dat op haar eigen slaap is gericht. Özkan Gölpinar schreef er een tekst bij (Het verhaal van de negen pasha’s) die leest als een ijskoude nachtmerrie waarin de tijd volledig tot stilstand is gekomen, en waarin alle zuurstof langzaam uit de ruimte wordt weggezogen. Alles is teruggebracht tot een enkel beeld van bijna lichtgevende helderheid. Uit de dood komt het leven voort. Maar de pasha vraagt zich niet meer af hoe lang hij zijn bruid laat leven. Duizend jaren of slechts één.

De vele miniatuurafbeeldingen van de verleidelijke, dartelende, dansende en fatale Sheherazade (in steeds iets andere poses) zijn aangebracht als heldere figuren op de pikzwart geschilderde muur; een myriade van fonkelende sterren die het omringende heelal bespikkelen. Op de vloer ligt — althans in de catalogus — een bevallige buikdanseres van glanzend keramiek, met opgeblazen en groteske borsten als ballonnen die tegelijkertijd (en daar begint de betoverende kracht van de schemering te werken) uitpuilende oogbollen zouden kunnen zijn, of testikels. In het Stedelijk Museum is die buikdanseres verdwenen en vervangen door andere attributen uit het Amsterdamse depot.

Het moet gezegd dat de catalogus stukken mooier is dan de expositie zoals die nu te zien is in Amsterdam. Hadden de kunstenaars in Oss ieder nog volop de ruimte in het gehele Jan Cunen Museum, in Amsterdam komen ze er bekaaid vanaf met zeven zaaltjes die als in een rariteitenkabinet tot in de hoeken zijn volgepropt met kunst. De overdaad schaadt; veel kunstwerken die op zichzelf mooi tot hun recht zouden komen in een geschikte ruimte vallen nu in het niet. In een enkele zaal moeten Picasso (Nature morte à la guitare), Jean Brusselmans (Dame op canapé), Guido Lippens en nog wat kunstenaars tegen elkaar opbieden.

Dieptepunt van de tentoonstelling in het Stedelijk is de prulkamer Just Did It for the 1000&1st Time van David Bade, een op Curaçao geboren kunstenaar. De zaal is in z’n geheel volgehangen met infantiel en egomaniakaal geklieder op papier dat pijn doet aan de ogen. Tussen de vellen is een doodsbericht gehangen: «1900-2000: na een lange weg is toch plotseling van ons heengegaan: contemporary… art, artists, critics, ambiance, ons kent ons, netwerken, sleutelposities, excl., incl., voorwaardelijk, voor wat hoort, helderheid, beheersen, consolideren, globalisering, mondrianisering, hip en trendy, tactisch, effectbejag, ongeneeslijke, loops, onder een hoedje, gebakken lucht, via via, met alle winden mee, afscheid in besloten kring.»

Gelukkig is er nog de zaal met de fascinerende installatie van Jaap Noordermeer (De laatste nacht), waar huis-, tuin- en keukenproducten op een raster tot een curieuze vuurtoren zijn opgebouwd. Na enkele minuten valt het licht uit en stopt het mechaniek met flikkeren. In Noordermeers visie is alles gelijkgesteld: vergiet en kunstwerk. Het langzaam aan en uit gaan van de centraal opgehangen lampen en het «eeuwig» branden van kleine spots die als het donker is werken als kaarsen, maakt het aangrijpende contrast alleen maar poëtischer.

1001 Nacht gaat over het fahd dat ons omringt en dat ons boven het hoofd hangt. Een sluipende, onzichtbare kracht. Hafid Bouazza schrijft in zijn introducerende essay The Tinkling of the Camel’s Bell: «In de nacht wordt beslist over mensenlevens, in de nacht sluipen djinns, demonen, belust op opstand, naar de oorden van de engelen (…) om hun gesprekken af te luisteren, waar ze onherroepelijk worden verjaagd door sterren — dat zijn wat wij, stervelingen, voor vallende sterren houden.»

In het werk van Guido Lippens keren die sterren terug op psychedelisch aandoende schilderijen die met hun oogverblindende moleculaire vormen en kleuren de kijker hypnotiseren en in een andere staat van bewustzijn doen verglijden. «Van grote afstand zie ik de cirkels in het maïsveld», schrijft Jenny Mijnhijmer in de begeleidende tekst, «verborgen en verlegen, en vraag me af wie ze heeft gemaakt. De vlekken op het canvas dansen om me heen. Maar het is mijn ritme dat ze stuurt.» Jammer dat de dreammachine van Bryon Gysin, een ronddraaiende cilinder met kleurperspectieven die op hetzelfde principe is gebaseerd, op de tentoonstelling ontbrak. Bij de overrompelende zinsbegoochelingen van 1001 Nacht waren installaties die inspelen op het gehoor zeker op hun plaats geweest.

«Hoewel in vele aspecten deze zichtbare wereld gebouwd schijnt te zijn uit liefde, waren de onzichtbare vormen gevormd in vrees.» Deze zin uit Melvilles Moby Dick is ook op de catalogus van toepassing. De zwarte draad die door de bundel 1001 Nacht is gespannen, voert de lezer door de domeinen van beide werelden. De duisternis van de nacht valt als een donker laken over de aarde, maar juist in die duisternis komen de dromen en demonen tot leven. De wereld die in de bundel wordt opgeroepen is lijfelijk en wellustig. Tegelijkertijd is zij fantastisch en onbevattelijk. De afbeeldingen en verhalen die ons verleiden, lossen op zodra je ze wilt aanraken.

In het hele boek vloeien angst en verlangen, (levens)lust en doodsdrift, trots en nederigheid onophoudelijk in elkaar over. De tegenpolen zijn onafscheidelijk als licht en schaduw in een schimmenspel. Er is het smartelijke wachten tot de sultan eindelijk met zijn bruid wil slapen (in het verhaal van Naima el Bezaz), en er is het niet kunnen verdragen als het zo ver is. Er is het trots en eenzaam wachten op de dood met een fles champagne in de koelkast (in het slotverhaal van Jaap Scholten), en het wanhopige zoeken van Dama en Houa (Adam en Eva) in de prachtige parabel van Malika Al Houbach. De aanlokkelijke bruiden uit de harem van de sultan worden demonen. De danseressen van Wertheim ontpoppen zich tot schik godinnen.

Op ieder willekeurig punt in het boek openbaren de visioenen van de kunstenaars en schrijvers zich in weidse panorama’s die dicht- of opengevouwen kunnen worden en die de lezer zowel kunnen verrukken en ontvoeren als duizelig maken. 1001 Nacht is geen catalogus die je strikt lineair kunt lezen. Zoals je een droom ook niet lineair kunt beleven. Dit is een boek dat je enkel in vogelvlucht tot je kunt nemen. Je strijkt neer waar je wilt, je dwaalt, je dwarrelt, je verdwaalt. De combinaties van pagina’s en afbeeldingen die je kunt maken zijn bijna eindeloos. Bijna. Net als de vertelling van Sheherazade.

1001 Nacht. Uitgave van het Museum Jan Cunen Oss en Rosbeek Books. Verschenen naar aanleiding van de tentoonstelling 1001 Nacht in het Museum Jan Cunen Oss van 15 oktober 1999 tot en met 12 augustus 2001. Nu ook te zien in het Stedelijk Museum Amsterdam, nog tot 7 april.

Concept: Edwin Jacobs. Fotografie: Peter Cox.

C.A. Wertheim, Guido Lippens, Mai van Oers, David Bade, Lisa Couwenbergh, Kees de Goede, Jaap Noordermeer, Hafid Bouazza, Özkan Gölpinar, Naima el Bezaz, Jaap Scholten, Jenny Mijnhijmer, Malika Al Houbach, Saban Ol, Maarten van Hinte.