Gevraagd: dikke huid en goede poëzie

Nederland is op zoek naar een nieuwe Dichter des Vaderlands. Er schijnen nu al meer dan elfduizend stemmen te zijn uitgebracht, en naar verluidt wordt er ‘gevarieerd’ gestemd. Wat moeten we van wie verwachten? Het mag geen slappe dichter zijn, dat is duidelijk.

‘Geen groter ongeluk voor een dichter dan poet laureate worden.’ Met die omineuze woorden kondigde de BBC in 1999 de beoogde opvolger aan van de overleden Ted Hughes: Andrew Motion werd Groot-Brittannië’s nieuwe hofdichter, een functie die sinds begin zeventiende eeuw werd vervuld door dichters als John Dryden, Alfred Tennyson en John Betjeman. Motions aanstelling – de prime minister draagt een kandidaat-dichter voor, de koningin benoemt – was met nogal wat ruis omgeven. Vooral een vrouwelijke tegenkandidaat maakte zich kwaad: zou een establishment-dichter wel voldoende oog hebben voor de veranderende behoeften van vrouwen, kinderen en van de multiculturele samenleving? Of Motion een goede dichter was, met een zekere staat van dienst, die bij koninklijke gebeurtenissen en andere gelegenheden van nationaal belang gedichten zou kunnen maken die tot nadenken stemden, leek van ondergeschikt belang. Motion zelf hoopte door zijn poëzie de macht de waarheid te kunnen zeggen. Zo was hij kritisch over de oorlog in Irak en schreef hij tegelijkertijd een rap bij prins Williams 21ste verjaardag. Maar nu de termijn van Andrew Motion bijna ten einde loopt, wees men er in Britse Guardian onlangs nog eens fijntjes op: ‘The laureate’s poetry is irrelevant in the Royal appointment. The p bit of the pl’s job matters little.’
In Nederland zijn op dit moment de verkiezingen voor de derde Dichter des Vaderlands in volle gang. Tsead Bruinja, een van de dichters die kans maakt op de titel, voert een actieve campagne met een heus comité van aanbeveling en publiceerde een lange lijst plannen op poëziewebsite de Contrabas. Een andere kanshebber, Ramsey Nasr, maakt als ‘expat’ in Vlaanderen promotie voor zijn kandidatuur. De overige drie kandidaten, Joke van Leeuwen, Erik Menkveld en Hager Peeters, laten vooral hun gedichten spreken.
Het is dus de vraag waar deze verkiezingen nu eigenlijk over gaan: over wie de beste poëzie schrijft of wie, zoals Joost Zwagerman tijdens De Avond van het Gedicht in 2005 opmerkte, de meeste kilometers maakt.
Nu is het plan, dat in 1999 door de Stichting Poetry International, NRC Handelsblad en de NPS werd gelanceerd, altijd met veel kritiek omgeven geweest. ‘Een verschrikkelijk idee’, noemde Bernlef het besluit om de Engelse traditie, die navolging kent in onder meer de Verenigde Staten en Nieuw Zeeland, het Kanaal over te halen. ‘Dan krijg je zeker poldermodelpoëzie of zoiets.’ Waarom het zo verschrikkelijk zou zijn als een dichter enkele keren per jaar een vers in de krant publiceert naar aanleiding van de actualiteit bleef meestal in het vage. Was ook Vondels Inwydinge van ’t stadhuis t’ Amsterdam, om een beroemd lofdicht te noemen, niet als gelegenheidsvers ontstaan?
De verkiezingen – in tegenstelling tot de Britten mogen de Nederlanders zelf hun dichter kiezen – doen bij critici eveneens het ergste vrezen. Het kan niet anders of bij een vrije keus zal een goed verkopende dichter als Toon Hermans of Nel Benschop boven aan de lijst eindigen. Maar zo poëtisch ongeschoold blijkt men in Nederland niet, want aan het begin van het nieuwe millennium, op de eerste Gedichtendag, wordt Gerrit Komrij Neerlands eerste Dichter des Vaderlands.
Toch houdt het gemopper aan, ook al laat Komrij met een knipoog weten zijn taak serieus op te vatten en kondigt hij aan méér te willen doen dan ‘malle versjes’ schrijven bij nationale vreugde of verdriet. Hij richt een Poëzieclub op, met een poëzietijdschrift Awater (oplage tweeduizend, niet gering voor een literair tijdschrift) en de Sandwichreeks, met jaarlijks plaats voor twee debuten en twee vergeten dichters, een succesvolle reeks die Buddingh’-prijswinnaars en -genomineerden voortbracht. Veel wind vangt hij echter met zijn gelegenheidsgedichten. Was dit de tweederangs poëzie waar Bernlef bang voor was? ‘Matte versjes’, zo typeert criticus Arjan Peters de sonnettencyclus bij Beatrix’ twintigjarig regeringsjubileum of het gedicht bij de Enschedese vuurwerkramp. Hij trekt een vergelijking met Adriaan Roland Holst: ‘Naarmate Roland Holst steeds meer de rol van Hollands poet laureate toebedeeld kreeg – naarmate hij zichtbaarder werd, nam de onbeduidendheid van zijn werk toe. Gerrit Komrij begint een beetje op hem te lijken. Hij toont verschijnselen van veradriaanrolandholstisering.’
Hoewel ik de laatste zal zijn om alle gedichten die Komrij als Dichter des Vaderlands schreef als hoogtepunten te bestempelen, kwalificaties als ‘mat’ en ‘onbeduidend’ doen enkele latere verzen te kort. Bijvoorbeeld het kritische gedicht bij de verloving van Máxima en Willem-Alexander, waarin de koninklijke verloving in het licht van de verdwenen zonen van de dwaze moeders wordt geplaatst. Of De zittende politicus, naar aanleiding van de moord op Pim Fortuyn in mei 2002. Daar kwamen felle reacties op, zoals van Pieter van Os, die in De Groene uithaalde: ‘De woedende massa rouwenden heeft zijn eigen dichter die onder de rokken van het romantisch dichterschap vieze spelletjes speelt met de edele delen van het democratisch fatsoen. In het hol van het establishment beukt hij, doorgaans welbeschaafd, nu als de stereotiepe dolle dichter, en kleurt hij de horentjes bij die Melkert van de massa kreeg.’ Op het artikel van Van Os valt een en ander af te dingen, al was het maar dat de naam van Ad Melkert in het hele gedicht niet voorkomt, maar één ding was zeker: Komrij had ervoor gezorgd dat poëzie er op dat moment even toe deed, iets was om je boos over te maken, gevaarlijk genoeg om een paginagroot weerwoord op te schrijven. Bij een slecht gedicht had men zijn schouders opgehaald en was overgegaan tot de orde van de dag.
Andrew Motion zou in een onbewaakt ogenblik verzucht hebben dat de ondankbare taak van poet laureate zijn creativiteit volkomen om zeep had geholpen. Gerrit Komrij maakte de voorgestelde termijn van vijf jaar niet vol. Na vier jaar kondigde hij aan: ‘Ik heb er tabak van.’ Hij, die zelf met doorgaans vlijmscherpe pen was behept, vond dat hij lang genoeg de nationale kop van jut was geweest. Of was de vroegtijdige abdicatie een komrijaanse verdwijntruc?
Niettemin had Komrij in korte tijd de functie van Dichter des Vaderlands tot instituut gemaakt. Met de verkiezing van light verse-dichter Driek van Wissen zou het afwachten zijn hoe lang de glans van dat instituut zou blijven blinken. Dat de relatief onbekende Van Wissen – er was op dat moment nauwelijks een bundel van hem in druk – zich de tweede Dichter des Vaderlands mocht noemen, was te danken aan zijn wervende campagne in Groningen en omstreken, waarbij pennen met het kwatrijn ‘Wie vakkundig kan beslissen/ in de jaren des verstands/ is ervoor dat Driek van Wissen/ Dichter wordt des Vaderlands’ werden uitgedeeld. Maar nog vóór hij een vers voor het vaderland had geschreven, werd hij met pek en veren overgoten. Michaël Zeeman typeerde het werk in de Volkskrant als ‘café-vermaak op de achterkant van een bierviltje, de terreur van de puzzelaar en de rijmelaar’. De huid van Van Wissen leek dikker dan die van zijn voorganger, hij verblikte of verbloosde niet bij alle commentaar. Toch zullen we ons in poëtisch opzicht weinig blijven herinneren van de tweede Dichter des Vaderlands. Zijn verzen, die eens in de zoveel tijd in de krant verschenen, waren te licht om publieke verontwaardiging of bijval los te maken. Het bleef bij een frons over een gewrongen rijm of een gezochte grap, om daarna over te gaan tot de rest van de krant.
In de laatste bundel van Tonnus Oosterhoff staat te lezen: ‘de dichter des vaderlands moet zijn van onbesproken levenswandel/ van onbesproken levenswandel. een blije hein.’ Dat lijkt een verstandig devies. Want voor de in marstempo oprukkende poëzie lezende en schrijvende bloggers zijn de huidige verkiezingen een goudmijn en de inzet daarbij is veelal niet de poëzie. Was ten tijde van de vorige verkiezingen de Groningse dichter Bart FM Droog via zijn website Rottend Staal een te duchten, maar als het erop aankwam vriendelijke luis in de pels, achter de huidige wildgroei aan websites en -logs lijken zich eerder bloedzuigers dan luizen schuil te houden. Het wemelt van de onderbuikgevoelens. Over de Dichter des Vaderlands heeft iedereen een mening, zo schreef Ruben van Gogh al in 2005 als waarschuwing aan de aanstaande Dichter des Vaderlands:

Zij wilden het niet zijn, zeiden zij,
niet op die manier in ieder geval.
Jij bent n.l. zo, zo, nou ja, zodanig
dat zij er wel alles van vinden,
maar zelf zijn, nee, dat dan weer niet,
nooit. Nu klonteren zij monkelend
samen rond de randgebieden
van het nieuws. Dragen zorg
voor het goed geolied blijven
van het mechaniek – en jij
staat daar, gevangen in de schijn-
werpers. De mitrailleurs wachten,
de pennen los, gehaaid opgesteld
nabij het maaiveld, op een teken
dat geheid gaat komen.
Van Gogh mocht onlangs zijn eigen vers ter harte nemen, want hij was korte tijd een van de genomineerden voor de functie. Anders dan bij de vorige verkiezingen is dit keer de keus niet geheel vrij. Misschien geschrokken van het succes van de lobby van Van Wissen destijds wilden de organisatoren niet het risico lopen dat nu een onverwacht en zelfverklaard dichter, met een grote familie en veel vrienden, zou worden uitverkozen. Er werd een commissie, bestaande uit oud-Tweede-Kamervoorzitter Jeltje van Nieuwenhoven, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Thomas Vaessens, dichter Hester Knibbe, Bas Kwakman (directeur Poetry International) en Arjen Fortuin (redacteur NRC Handelsblad), ingesteld om een aantal dichters te selecteren. Zij nomineerden naast Ruben van Gogh ook Maria van Daalen, Ingmar Heytze, Ilja Leonard Pfeijffer, Marjoleine de Vos, Tsead Bruinja, Joke van Leeuwen, Erik Menkveld, Ramsey Nasr en Hagar Peeters.
Een gevarieerde lijst, met verrassende namen als de in voodoo ingewijde Maria van Daalen en te verwachten kandidaten als Pfeijffer. Een lijstje samengesteld indachtig het motto ‘het grote publiek heeft recht op goede poëzie’ waaronder Pfeijffer in 2005 campagne voerde. Maar waar was dan Menno Wigman of VSB-winnaar Mark Boog, waarom stond Anne Vegter er niet tussen met haar prettig dwarse poëzie, of de huidige stadsdichter van Amsterdam, Robert Anker? Om slechts enkele van de opvallende ontbrekende dichters te noemen. Wilden die niet? Vond de commissie ze niet goed genoeg? Om eveneens niet nader verklaarde redenen moesten er van de lijst van tien nog eens vijf dichters afvallen, en welke vijf dat waren lekte uit, voer weer voor de bloggers. Nu had ook ik best willen weten waarom die shortlist er eigenlijk moest komen: vond men Ramsey Nasr uiteindelijk een betere dichter dan Ilja Pfeijffer, de poëzie van Hagar Peeters misschien geëngageerder dan die van Marjoleine de Vos? Het blijft gissen, maar de rancuneuze toon die daarover door sommigen op het internet werd aangeslagen – ik noem bijvoorbeeld de insinuaties van dichter Erik-Jan Harmens – tilden de discussies niet naar een hoger plan.
Laten we alle internetgekonkelfoes over inzamelingsacties voor Komrij laten voor wat het is. Laten we de campagnes negeren en ons niet te diep buigen over de plannen waarmee dichters al dan niet naar buiten treden – heeft ooit een politicus al zijn verkiezingsbeloftes waargemaakt? Laten we gewoon eens een gedicht of liefst een hele bundel van de kandidaten lezen en op basis daarvan de meningen scherpen. Alle genomineerden schreven bij wijze van verkiezingsprogram een gedicht over het jaar 2008. Vijf totaal verschillende gedichten, met een gemeenschappelijk kenmerk: betrokkenheid. Prima materiaal voor een keuze. Zo zal Hagar Peeters bij velen een snaar raken met haar monoloog van een twaalfjarig meisje dat zinloos geweld aan de kaak stelt. En wie de uitnodiging van Ramsey Nasr – hij deed ervaring op als stadsdichter van Antwerpen – om binnen te treden aanvaardt, stapt in een bedwelmend gedicht over onverschilligheid – onzin te beweren dat lange gedichten niet werken; Tsead Bruinja slaagde erin om op bijna achteloze wijze het wereldleed met klein huiselijk geluk te verbinden; Erik Menkveld wist met Zwarte tranen, over tijd en het onbevattelijke voortschrijden daarvan, te intrigeren, evenals Joke van Leeuwen, de huidige stadsdichter van Antwerpen, met deze rake regels: ‘Papier bewaart de onbekenden die even voor een/ ongenadig schieten te leven zaten op een ver terras.’
Welk gedicht het beste is? Ze stemmen alle tot bezinning, plaatsen de waan van het nieuws even in een ander licht, ze beantwoorden, zou je kunnen zeggen, aan het ‘profiel’ van het van een Dichter des Vaderlands gevraagde gelegenheidsgedicht. Het ene gedicht doet dat in treffender bewoordingen dan het andere, maar voor polderpoëzie hoeven we, zo lijkt me, bij geen van de vijf kandidaten te vrezen. Zou ik op basis van deze gedichten moeten kiezen, dan gaat mijn stem naar Joke van Leeuwen of Erik Menkveld. Wat Van Leeuwen voor heeft op alle andere kandidaten is dat zij in staat zal zijn om niet alleen volwassenen, maar ook jongere poëzielezers te boeien. Kijk, en als bereikt kan worden dat ook de kinderen weer eens een gedicht gaan lezen, dan krijgt het instituut Dichter des Vaderlands echte glans. Daarom als ‘Toe/tje’ dit gedicht van Joke van Leeuwen:

We zijn gek
omen voor een lek
kere kak
etoe toe.

Die is van slag
room met pis
tachenootjes en koe
k.

De kok krijgt een bed
ankje. Wat een heer
lijke kak
etoe toe.

Mmmmmmm
et een lepeltje erbij.

(opgenomen in: Kwam dat zien! Kwam dat zien!, Querido, 2008)

Zie voor de gedichten van de vijf genomineerden www.dichterdesvaderlands.nl