Nederlandse ambassade Istanbul versus Turkse muzikant Inanç

Geweigerd

Door eigenmachtig optreden van de Nederlandse ambassade in Istanbul bleef de «culturele vrijhaven» Nederland voor de Turkse muzikant Ertugrul Inanç gesloten.

Volgens het ministerie van Buitenlandse Zaken is ons land een culturele ontmoetingsplaats van de eerste orde. Wij zijn maar liefst een «vrijhaven» waar bezoekers uit de hele wereld zich zonder dwang of beperking kunnen toeleggen op «dans, theater, beeldende kunst, muziek, fotografie, film, festivals et cetera».

Met Turkije hebben we een bijzondere relatie vanwege de grote Turkse gemeenschap in ons land en vanwege de waarschijnlijke toetreding van Turkije tot de Europese Unie. Turkije behoort samen met onder meer Marokko, Suriname en Zuid-Afrika tot de zogenoemde «prioriteitslanden» waarmee we de culturele uitwisseling willen «verdiepen». Althans, zo willen we graag door de buitenwereld gezien worden; de werkelijkheid is weerbarstiger dan de leer. De havenmeesters tonen zich welwillend voor grif betalende klanten, maar in andere gevallen komen ze pas in beweging nadat ze een duwtje hebben gekregen vanuit Nederland zelf; krijgen ze dat duwtje niet, dan blijft de vrijhaven gesloten.

Dat ervoer deze week Ertugrul Inanç, een 29-jarige muzikant uit Istanbul. Inanç is nota bene het aangewezen vehikel voor verdieping van de culturele uitwisseling met Turkije en wel op verschillende terreinen tegelijk. Hij vermengt in zijn optredens en opnames traditionele Turkse muziek, modern-klassieke compositieprincipes en de allerlaatste technische en softwaresnufjes. Hij is bovendien zeer belezen, spreekt Engels en Arabisch en voelt zich ondanks – of, naar zijn eigen zeggen, juist dankzij – zijn islamitische geloof meer verwant met democratisch Europa dan met de autoritaire en islamistische tradities waarmee zijn vaderland worstelt.

Inanç zoekt zelf ook naar verdieping in zijn muziek en wel op een theoretisch niveau dat hij in eigen land niet kan bereiken. In Turkije komt hij niet verder, omdat de muziekscholen daar exclusief op Turkse volksmuziek zijn gericht en omdat de besturen van conservatoria – «typisch Turkse bureaucraten», aldus Inanç – geen studenten boven de achttien jaar toelaten. Dus zocht hij zijn heil in het buitenland. Hij wist dat een buitenlandse studie een aanslag zou doen op zijn smalle muzikantenbeurs en dat hij zich geen verloren jaren kon veroorloven. Na een zorgvuldige oriëntatie liet Inanç zijn oog vallen op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, dat een zeer goede naam heeft op het gebied van compositieleer.

Zijn keuze voor Nederland werd vooral ingegeven doordat hij in contact was gekomen met de componist Samuel Vriezen en diens werk. Vriezen studeerde in Den Haag onder Louis Andriessen en Clarence Albertson Barlow en was als vertaler van Engelstalige poëzie onder meer betrokken bij Perdu. Inanç aarzelde aanvankelijk tussen Den Haag en Rotterdam, omdat het conservatorium in Rotterdam een sectie Turkse muziek heeft. Hij koos uiteindelijk voor Den Haag vanwege het prestige van het Koninklijk op compositiegebied. Daar ligt volgens Inanç de toekomst voor een musicus met de ambitie om tegelijkertijd uit zijn eigen culturele achtergrond los te breken en deze traditie naar een hoger, internationaal niveau te tillen.

Het Koninklijk Conservatorium vond zijn muzikale achtergrond en motivering interessant genoeg om Inanç uit te nodigen voor het toelatingsexamen percussie op 23 mei. Inanç’ vader was bereid de reiskosten te betalen, het retourticket van Turkish Airlines was snel geregeld en een bevriend musicus in Nederland, tevens software-ingenieur bij een goed aangeschreven oer-Nederlandse firma, was bereid als officiële gastheer op te treden. Nu moest hij alleen nog een zakenvisum aanvragen. Op 5 mei jongstleden overlegde Inanç alle vereiste documenten op het consulaat. Hij was zo zeker van zijn zaak dat hij al triomfantelijk bij zijn Nederlandse vrienden informeerde waar je in Den Haag halal kunt eten en hoe hij van zijn kleine reisbudget binnen vier dagen zoveel mogelijk bekenden in ons land thuis kon opzoeken. Zover kwam het echter niet.

Op 19 mei kreeg Inanç een geparafeerd standaardbriefje van het Palais de Hollande (de Nederlandse ambassade in Istanbul) met de mededeling dat zijn visum was afgewezen: «De reden is dat uit een hier te lande ingesteld onderzoek is gebleken dat U onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een reëel zakelijk bezoek.» Inanç stond voor een raadsel; de officiële uitnodiging van het Haagse conservatorium gold kennelijk niet als grond voor een zakelijk bezoek. Het werd nog vreemder toen een loketambtenaar van het consulaat de beschikking mondeling toelichtte: «U hebt geen vaste baan of inkomen. We hebben Uw zaak onderzocht. De conclusie luidt dat het conservatorium voor U alleen maar een excuus is om Nederland binnen te komen. Misschien duikt U straks wel onder in Den Haag. Dus daar beginnen we niet aan.»

Inanç keerde diep beledigd naar huis terug. Eenmaal thuis rees bij hem pas de vraag waaruit dat zogenaamde «onderzoek hier te lande» eigenlijk had bestaan. Een tweede gesprek met de ambtenaar om antwoord op die vraag te krijgen werd echter niet toegestaan. Maar de uitnodiging van het conservatorium was toch echt, zijn gastheer was bonafide, zijn retourticket was echt, hij had op het consulaat zijn reisgeld laten zien – wat moet een mens nog meer doen om volgens de Nederlandse staat aan de vereisten van het Schengenverdrag te voldoen? Inanç: «Een bordenwasser uit een EU-land met vier maanden werkervaring wordt wel probleemloos toegelaten. Ik spreek een mondje Grieks en Griekenland zit in de Unie, dus misschien moet ik een volgende keer vermomd als Griekse bordenwasser komen. En dan tussen het borden wassen door examen doen in Den Haag. Maar ja, dan wordt het nooit wat met die studie.»

Daarbij was het wat Inanç en Buitenlandse Zaken betreft gebleven als deze krant niet het beruchte duwtje had gegeven door in Den Haag en Istanbul pijnlijke vragen te stellen. De steun van het Koninklijk Conservatorium was daarbij een grote hulp. De Haagse uitnodiging was verstuurd door Else van Ommen, tot voor kort projectleider klassiek muziek bij het Haagse conservatorium en zojuist benoemd tot assistent van de kersverse directeur Wim Vos. Van Ommen was zeer verbaasd over de afwijzing en nog meer over de omstandigheden waaronder die tot stand kwam. Van Ommen: «Op woensdag 10 mei werd ik benaderd door mevrouw De Nijs van Buitenlandse Zaken met het verzoek om informatie te verstrekken over onze Turkse examinandus. Een dag later, nog voordat ik goed en wel aan de beantwoording was toegekomen, liet Inanç al per e-mail weten dat hij een officiële afwijzing in de bus had gekregen.»

De afwijzingsbrief van BuZa is gedateerd op 10 mei, dezelfde dag waarop het onderzoek van dit departement naar Inanç’ aanvraag van start ging. Over de visumaanvraag is dus prematuur beschikt en wel op de ambassade in Istanbul. De verantwoordelijke ambtenaar De Nijs van de visumafdeling in Den Haag mag eigenlijk de pers niet te woord staan, maar laat zich wel ontvallen dat de gang van zaken ook haar verbaast. Zij is verantwoordelijk voor de verstrekking van een visum aan Inanç, niet de ambassade in Istanbul, en het «onderzoek hier te lande» moet eigenlijk nog worden afgerond. Zij mag echter geen verdere mededelingen doen aan derden, alleen aan de referenten van de visumaanvrager zelf.

Prompt belt Van Ommen, in haar hoedanigheid van referent, met mevrouw De Nijs om te vragen hoe het toch staat met de visumaanvraag van haar examinandus Inanç. De Nijs blijkt intussen contact met Istanbul te hebben opgenomen. Men is tot de slotsom gekomen dat hier sprake is van een «misverstand» en dat de visumaanvraag opnieuw wordt behandeld, ditmaal door Den Haag. Maar dan moet Inanç wel even zijn verzoek opnieuw indienen, compleet met alle bescheiden.

En daar is de musicus net even te moe voor. Hij heeft in het weekend dag en nacht gereisd en op diverse plaatsen opgetreden om het afgezegde vliegticket aan zijn vader te kunnen terugbetalen. Inanç: «Maar eigenlijk, als ik eerlijk ben, is de lust me vergaan. Ik moet hier nog eens goed over nadenken. Stel dat ik in Nederland ga studeren, word ik dan tot in lengte van jaren afgebekt en afgewezen als was ik een illegale bordenwasser? Ik geloof dat ik dan maar liever in Istanbul blijf.»