Geweld

Het is juist het ontbreken van visuele richtpunten, van bewegende beelden of van foto’s dat het geweld zo afschrikwekkend maakt. Per toeval ben ik geboren in een tijd en een land waar geweld verre van virtueel was. Geen films over seriemoordenaars en geen videospelletjes met uiteenspattende lichamen, maar echte plassen bloed op de straat. En merkwaardig genoeg valt hiermee gemakkelijk te leven.

In het Algerije van begin jaren zestig waren kinderen meer nieuwsgierig en opgewekt door manifestaties van geweld dan dat ze werden afgeschrikt. De dood heeft voor een kind iets fascinerends, en hij gaat er gemakkelijk vanuit dat de dood hem voorlopig niet zal treffen. Aanslagen, geluid van explosies of kogels die afgevuurd worden, beleefde ik als een doorsnee sensatie. Een Arabische winkel die in onze straat in vlammen opging wekte mijn nieuwsgierigheid alsof het een doodgewoon vuurwerkfestijn betrof. Ik moet een jaar of vijf zijn geweest toen ik voor het eerst een lijk zag. Een buurjongen, een adolescent van zeventien jaar, die een kogel door zijn hoofd had gekregen. Hij lag rustig op de roodgekleurde stoep, alsof hij sliep, en om hem heen was de grond bezaaid met de lp’s die hij enkele minuten tevoren nog vasthield. Heel veel platen met in felle letters de naam Elvis erop. Zo te zien, voor een jonge levende, was de dood bijna geruststellend. In elk geval milder dan in het boek uit de linnenkast dat mijn vader voor zijn kinderen dacht verborgen te houden. Een boek vol foto’s die de Franse politie van de slachtoffers van aanslagen had gemaakt. Afgehakte hoofden, doorgesneden kelen, afgesneden penissen, in de mond van hun eigenaar gepropt of harten en nieren op de buik van de slachtoffers neergezet. Ik kon onze stiekeme kijksessies met gemak doorstaan, hoewel ik altijd na enkele minuten door een vreemde misselijkheid werd bevangen. Maar al in mijn vroege jaren begreep ik dat niet het aanschouwen van de dood in zijn eindelijke resultaat het ergste was. Nee, het ergste was het gissen ernaar. Zo kreeg ik maandenlang nachtmerries over het lot van onze buren. Op een avond waren de twee buurmeisjes in paniek bij ons binnengestormd. Hun ouders waren naar de markt gegaan en niet teruggekeerd. Zoals velen in die tijd waren ze door onbekenden ontvoerd en er zou nooit meer iets van hen vernomen worden. Geen spoor en geen verklaring. Dit ongewisse dat alle ruimte liet voor verbeelding en speculaties was werkelijk ondraaglijk. Nog vandaag denk ik regelmatig aan die twee meisjes in tranen, heen en weer lopend voor hun huis in de zwoele Noord-Afrikaanse nacht. Hetzelfde gevoel bekruipt me nu de Navo-troepen Kosovo zijn binnengekomen. Er bestaat heel wat beeldmateriaal, gemaakt door de Servische televisie, van Navo-afzwaaiers die burgers hebben getroffen. Wij zagen bebloede mensen ineenzakken, of rennen om aan de vuurzee te ontsnappen. Van de gruwelen die de paramilitairen in Kosovo aanrichtten zijn vanzelfsprekend geen plaatjes geschoten. Wij moeten het doen met overblijfselen, verkoolde botten, bevuilde kleren, massagraven vol vormeloosheid. Er zijn getuigenissen, vaak onvolledig, van omstanders of familieleden die op afstand, verscholen in de bossen, een glimp van het onzegbare hebben opgevangen. Een verhaal van een zoon die zijn vader urenlang hoorde schreeuwen en het verlossende vuursalvo bijna opgelucht aanhoorde en begroette. Een vader die vertelt hoe zijn drie dochters levend in een waterput werden gegooid. Dit is bijna niet te verdragen. De ruimte voor verbeelding is onmetelijk. De geest reconstrueert eindeloos de onbegrijpelijke tragedies zonder maar één keer daadwerkelijk vat te krijgen op de gebeurtenissen. Van het onmenselijke geweld blijven wat flarden hangen. Het is als tasten in een angstaanjagend duister. Er treedt een soort vereenzelviging op. Met de door de goden en de mensen in de steek gelaten onschuldigen wier vlees gepijnigd werd. Maar onbewust ook met de daders. Met al die mannen zonder namen en gezichten die hun menselijkheid zo routinematig opzij hebben kunnen zetten. Die over een verboden drempel konden stappen. En omdat het de geest niet lukt om hun waanzin te doorgronden en te analyseren, wordt het geweld dat ze hebben gebruikt pas echt afschrikwekkend.