Film: Piëta

Geweld en zachtheid

Hij is terug. Zo luidde de liefdevolle reactie van critici en fans toen de Zuid-Koreaanse meester Kim ­Ki-duk, bekend van onder meer Spring, Summer, Fall, Winter… and Spring Again uit 2003, eerder dit jaar de Gouden Leeuw op het festival van Venetië kreeg voor Pieta, zijn eerste grote film in pakweg vijf jaar. Inderdaad, de film markeert de wederopstanding van een fenomenale filmmaker.

Kim Ki-duk trad in 1998 op de voorgrond met The Isle, een gewelddadig verhaal over de relatie tussen een crimineel en een jonge, doofstomme vrouw op een vissershaven. In 2004 bereikte hij een breder publiek met 3-Iron, waarin een mishandelde vrouw verliefd wordt op een inbreker die geen woord zegt. Daarna werden Kims films duisterder, meer introspectief, zoals Dream uit 2008 waarin een man ontdekt dat zijn dromen iets te maken hebben met het slaapwandelen van een wildvreemde vrouw. De productie van deze film, waarin een actrice bijna de dood vond door verstikking en waarin collega’s zich om onduidelijke redenen van de regisseur distantieerden, was naar eigen zeggen het begin van een tijdperk van persoonlijke crisis voor Kim Ki-duk. Dat lijkt nu over, te oordelen naar dit nieuwe werk: Pieta. De setting is het oude industriegebied Cheonggyecheon in Seoul waar de jonge, gewetenloze gangster Kang-do (Lee Jung-jin) een schrikbewind voert. Hij dwingt arbeiders hun schulden te vereffenen door zichzelf te mutileren om verzekeringsgeld kunnen opstrijken. Het geweld, dat Kang-do in gang zet, maar vervolgens sadistisch op een afstand bekijkt, gebeurt in de claustrofobische ruimtes waarin de armen werken, mini-fabrieken voor hooguit twee mensen die verdwijnen tussen gereedschap en machinerie van grijs staal.

Dan arriveert de mysterieuze, aantrekkelijke vrouw Min-sun (Chi Min-soo), die zegt zijn moeder te zijn. Min-sun heeft een gezicht als een icoon. Open, broos, heilig. Sterker, ze personifieert de Piëta van Michelangelo, het beeld van de Maagd Maria met haar stervende zoon op schoot. Onduidelijk is of Kim het zo bedoeld heeft, maar zijn afbeelding van de Piëta staat diametraal tegenover die van Michelangelo. Waar de vrouw in het beeld van de kunstenaar een androgyne kwaliteit heeft door uitvergrote lichaamsverhoudingen in handen en benen, daar straalt de moeder bij Kim vrouwelijke erotiek uit terwijl ze het aardse, mannelijke lichaam van haar zoon koestert. Haar schouder ontbloot, gekleed in een witte bruidsjurk. Deze scène komt niet zo direct voor in de film, maar de symbolische betekenis van het beeld wordt gecommuniceerd door het affiche.

De plotselinge aanwezigheid van de moeder, als ze dat al is, dwingt Kang-do zijn harde, doodse leven als gangster in een meedogenloze omgeving onder ogen te zien. Deze ontwikkeling toont het meesterschap van Kim Ki-duk: hij laveert constant tussen het extreme geweld van ­scènes, en momenten van zachtheid die even moeilijk verteerbaar zijn, juist in deze context waarin de machines en het gereedschap geen metafoor voor vooruitgang zijn, maar van uitzichtloosheid. De tederheid van de moeder is even schokkend als beeldschoon. De zoon ligt te slapen. Eerder deed hij dat alleen. In zijn slaap bevredigde hij zichzelf. Als een dier. Eenzaamheid die ontmenselijkt. Nu doet hij dat ook, maar zijn moeder, als ze dat al is, ligt naast hem. Ze ziet zijn pijn. En ze gaat dichter bij hem liggen en doet haar hand onder de deken en ze raakt hem aan.

Te zien vanaf 21 maart