RIJP & GROEN

«Gewetensvol narcisme, ja»

Roswitha van Rijn heeft een fascinatie voor schoenen. Ze beweegt zich tussen de werelden van traditionele schoenmakerij, kunst en mode. Op exposities valt haar in leer gesneden engagement op. «Ik denk dan aan een soort Max Havelaar-keurmerk voor trendy schoenen.»

Roswitha van Rijn (Baarn, 1973) woont in een groot Amsterdams appartement met een magistraal uitzicht op de gemiste kans die het Frederik Hendrikplantsoen heet. In het royale daglicht van de achterkamer is een kleine werkplek ingericht. Rondslingerend leer, hier en daar een leest, tegen het raam een lang koord met zakjes keurig gesorteerde knopen en versieringen. Van Rijn heeft van jongs af een fascinatie voor schoenen, maar het duurde even voordat ze eraan toe durfde te geven: «Na de middelbare school trok ik door Zuid- en Midden-Amerika, later volgden een paar jaren in Perugia en Amsterdam. Toen pas durfde ik mij aan te melden voor de Arnhemse kunstacademie. Eerst koos ik voor de modeafdeling, hoewel ik eigenlijk wist dat ik daar fout zat. Kleding is tweedimensionaler en wordt pas 3D als je het aantrekt. Een schoen is altijd een op zichzelf staand object. In Arnhem was men streng; ik werd wel eens door mijn modedocenten uit «de oude kraan» geplukt, de werkplaats van de 3D-afdeling. Dat vond men maar niks voor een modestudente. Maar sealen en vacuüm trekken, dat vond ik juist zo leuk om te doen. Als ik nu mensen tegenkom uit die tijd, hoor ik dat ik het toen al steeds over schoenmaken had. Ik heb de academie niet afgemaakt. Later hoorde ik van de schoenmakersopleiding in Nieuwegein.»
Van de Arnhemse academie naar een ambachtschooltje te Nieuwegein. Een omschakeling.

Roswitha van Rijn: «Dat die opleiding puur ambachtelijk is leek me nou juist zo fijn. Eventuele artistieke neigingen mag je wel meenemen, maar het hoeft niet – dat geeft vrijheid. Er is niet, zoals op de academie, iemand die zegt wat mooi of lelijk is. Er is alleen techniek en dat is al genoeg, want aanvankelijk is het lastig om 3D te werken. Eerst moet je weten hoe je van driedimensionaal object naar tweedimensionaal ontwerp werkt, en dan weer terug. In het eerste jaar heb ik maar drie paar schoenen gemaakt, dat is weinig. Maar in de jaren daarna ging het snel. Het gaat er vooral om dat je je eigen trucjes verzint.»

Je hebt furore gemaakt met een elegante pump getiteld ‹Varkenspoot›.

«De voor de hakjes gebruikte varkenspootjes, scharrel, komen van het Italiaanse restaurant waar ik werk, althans van hun leverancier, bioslager Frans. Natuur en religie vormen de rode draad in al mijn ontwerpen. Ik probeer altijd met het ontwerp subtiel iets te zeggen, maar ik suggereer liever dan dat ik schop. Het is mij niet te doen om een schokkend statement, hoewel die varkenspootjes natuurlijk wel redelijk provocerend kunnen overkomen. Maar zelfs bij dat ontwerp zie je in eerste instantie alleen een chique pump. Pas als je goed kijkt zie je waarvan de hak is gemaakt, maar dat is niet de eerste indruk.»

Wonderlijke combinatie: horeca en schoenontwerp.

«Het heeft onvermoede voordelen. Tijdens mijn werk in het restaurant raak ik vaak geïnspireerd door het eten dat ik voorbij zie komen, een mooie radicchio bijvoorbeeld. Als ik een mooie bloemkool zie, of een gekke vin, of als ik de botjes van lamskoteletjes opspaar om die thuis uit te koken, te drogen en te gebruiken voor enkelbanden, dan ben ik blij met mijn bijbaantje. Door te blijven werken kan ik thuis mijn eigen ding doen: mooie dingen maken.»

Je huis staat vol met eigen ontwerpen. Waar krijg je de meeste reacties op?

«Mijn schoenen worden vaak gevraagd voor modebladen en modeshows. Libel is nu zo populair dat ik moeite moet doen om haar terug te krijgen. Ik zie een schoen als functionele kunst, ergens tussen kunst, mode en nut. Draagbaarheid blijft voor mij belangrijk. Dat ik in de modewereld goed ontvangen word, is een fijne bijkomstigheid, maar niet mijn doel. Ik probeer als een steenbokje mijn weg te vinden tussen heel verschillende werelden: ambachtelijkheid, kunst en mode. Ik wil de pure techniek verder onderzoeken, vooral van cowboylaarzen en van kostumering in het theater. Daarbij gaat het niet om trendpotentieel of de smaak van het seizoen, maar om de kracht van het ontwerp en om liefde voor het detail. Ik hou niet zo van musicals, maar die kostuums zijn mooi, die worden met zo veel liefde gemaakt en onderhouden. Heel anders dan de modewereld: zo mishandeld als ik mijn schoenen soms terugkrijg na een modeshow, dat is echt schokkend.»

Wat is het idee achter ‹Mongoolse Stoel›?

«De stof van die laarsjes komt van een stoeltje van een tante van mij. Ooit wil ik door Mongolië reizen, het is nog geen backpackersland en het kleurgebruik van de inheemse bevolking in die uitgestrekte, dorre leegte fascineert me. Ik wilde een Mongools laarsje maken en die stof vond ik te leuk om niet te gebruiken. Hergebruik van materiaal, dat lijkt me nou typisch iets wat Mongolen ook zouden doen. Kijk, de hakjes heb ik zo gesneden dat ze de afdruk maken van een rendier. Als iemand met deze laarsjes voor je in het zand of de sneeuw heeft gelopen kun je gaan spoorzoeken: wat is dat nou voor een beest?»

Hou je jezelf op de hoogte van de trends in de schoenenwereld?

«In de designwereld hoor je vaak dat je de bladen moet bijhouden. Toch koop ik ze nauwelijks, maar geschiedenisboeken over mode vind ik wel erg interessant. Dit boek hier vond ik in Italië. Moet je dit zien, Franse klompen uit de achttiende eeuw. Waanzinnig ontwerp! Ze werden gebruikt tijdens een huwelijksritueel: hoe hoger de punt, hoe oprechter de liefde. Prachtig toch? Ik kijk ook niet zo graag naar het werk van andere schoenontwerpers, omdat mij dat te veel beïnvloedt. Ook omdat ik er onzeker van word. In mijn hoofd heb ik een duidelijk beeld van wat ik wil zeggen en wat ik wil doen. Daar moet niet te veel ruis bij komen.»

Zijn er schoenmakers die je inspireren?

«William Shanor, een cowboylaarzenmaker in Ashland, Oregon. Figuratief is hij vreselijk goed, zijn stiksels en versieringen zijn adembenemend. Ook maakt hij mocassins zonder leest, die techniek wil ik leren. Niet alleen technisch is hij goed, ook zijn afwerking is meesterlijk. Hij gebruikt zo veel technieken: ophogingen, gedraaide leertjes, bloemetjes die hij netjes afwerkt. Het is knap, inspirerend en smaakvol. Ik heb Shanor mijn portfolio gemaild. Hij mailde me terug en vond mijn werk stunning and fabulous. Normaal neemt hij geen stagiaires aan, schreef hij, maar voor mij wil hij een uitzondering maken. Ik weet dat ze in sommige delen van Amerika grote belangstelling hebben voor een zekere mate van Europese sensibiliteit in mode. Als je dat kunt samenvoegen, krijg je volgens mij iets heel moois.»

Is er een spanning tussen je unieke ontwerpen en massaproductie? Anders gesteld: wil je wel je eigen lijn?

Roswitha van Rijn: «Alleen onder mijn voorwaarden. Dat kan al bijna niet meer in Nederland, hier wordt te veel naar de grote namen in het buitenland gekeken. Dan ben je bijna per definitie meer aan het tekenen dan dat je je fantasie de vrije loop laat. Liever zou ik mijn eigen lijn uitbrengen die ik hier in Amsterdam ontwerp en verkoop, maar met kleinschalige productie in de Derde Wereld laat maken. Onder fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, een soort Max Havelaar-keurmerk voor trendy schoenen. Ik zou daar ook lessen willen geven aan ambachtslieden. Om ze te leren wat hier in het Westen in is, om hun kansen te vergroten. Kleine schoenmakertjes benaderen, zodat zij wat meer geld kunnen verdienen.»

Trendy met behoud van integriteit? Het tegen elkaar uitspelen van de narcistische en gewetensvolle eigenschappen van de mens?

«Gewetensvol narcisme, zo zou je het wel kunnen noemen, ja. Ik weet zeker dat mensen bereid zijn meer te betalen als het én hip is én men tegelijkertijd weet dat de schoen niet onder miserabele condities in China is gemaakt. Doe er bijvoorbeeld een foto bij, van de ambachtelijke schoenmaker in Nicaragua, plus een bewijs dat het niet dankzij kinderarbeid tot stand is gekomen. Het wordt natuurlijk wel iets duurder, maar zolang het mooi is geloof ik erin: mijn design en hun expertise. Het is zo’n ontzettend oud en mooi beroep en er zijn nog zo veel mensen die het goed kunnen. Maar die worden massaal weggevaagd door China.»

Is jouw generatie politiek geëngageerd?

«Onder vriendinnen merk ik iets grappigs: zonder overleg zijn we de laatste jaren allemaal dezelfde, bewuste biokant opgegaan. De een doet vrijwilligerswerk tegen de bio-industrie: handtekeningen verzamelen en naar Brussel brengen. Een andere vriendin zit in de biokoffie, die heeft net haar eigen merkje opgezet in samenwerking met koffieboeren in Ethiopië. Alle producten van het restaurant waar ik werk zijn biologisch.

Ook op mijn terrein valt er nog genoeg te doen. Hippe mode wordt steeds goedkoper, maar de kwaliteit holt achteruit. Na een seizoen valt het van ellende uit elkaar, en de winkelketens proppen steeds meer collecties in een jaar om mensen toch maar vooral te laten consumeren. Met schoenen gaat het net zo. Terwijl je er zo lang mee kunt doen als ze goed zijn gemaakt. Ik denk dat eerlijke voorlichting al veel zou schelen. Maar dat zal nooit de consumptiedrift kunnen beteugelen, dan zou ook de hele economie onderuit gaan. Op macroniveau zal ik dat niet kunnen veranderen, maar op kleine schaal misschien een beetje.»

Sinds 25 maart is werk van Roswitha van Rijn te zien in het Gemeentemuseum Den Haag, op de expositie Fashion NL: The next generation (nog tot en met 5 juni van dit jaar)