Kijken

Gewicht

Beeldhouwer Lon Pennock werkte niet met modellen. Zijn sculpturen ontstonden vanuit een scherp gevoel voor volumes, hoeken en verhoudingen.

Lon Pennock, Antipode, 2006, zwart staal. ca. 13 x 9 x 10 cm; © Courtesy Slewe Gallery, Amsterdam

Wat het zijn, die twee kleine sculpturen van Lon Pennock op deze bladzijde: het zijn handgemaakte constructies van rechthoekige plakken ijzer, anders gezegd ook stapelingen van handzame volumes. Dat wil zeggen dat het volumes zijn die niet omslachtig zwaar waren. Ze konden nog makkelijk met de hand bewogen of verschoven worden. De stukken driedimensionaal materiaal, stel ik me voor, zijn op maat gezaagd en voor de kunstenaar klaargelegd om ze te gaan stapelen tot een beeld ontstaat dat klaar is, waar de delen niet verder kunnen schuiven zonder dat het hele ding in de war zou raken.

Het verschuiven van de volumes tot ze langzaam wat werden, was een voorzichtige aangelegenheid. Dat komt doordat Pennock eigenlijk nauwelijks tekeningen maakte om de dispositie van die voorzichtige stukken volumes te plannen. Er was in zijn werk, anders dan bij veel schilders, geen schetsfase met potlood op papier. Dat had geen zin omdat een tekening op papier te licht is.

Bij het soort sculptuur dat Pennock maakte, was bij de verbeelding ervan een stevig gevoel van fysieke weerstand nodig, en een helder idee van gewicht. Je zou kunnen denken dat hij modellen had kunnen maken van stukken hout. De maten van de volumes kunnen makkelijk worden gezaagd, maar wat ontbrak was het echte gewicht. De rechthoeken waarmee hij voor zijn sculptuur modellen maakte (als de twee op deze pagina) moesten van massief ijzer zijn. Alleen als ze echt waren, bleven volumes die tegen en op elkaar werden gelegd ook meteen stil liggen. Hout was te licht, dan begon het ding misschien wel te wiebelen. Alles moest roerloos staan.

Lon Pennock, Stapeling, 2014, zwart staal. 7 x 14 x 14 cm; © Peter Cox / Courtesy Slewe Gallery, Amsterdam
Pennock oefende hoeken zoals een pianist oefent in vingerzetting

Bij gelegenheid maakte hij wel collages van strakke stukken gekleurd papier. Ik geloof niet dat die ooit bedoeld waren als studies voor sculptuur. Het was het plakken van stukken papier over elkaar. De hoeken volgens welke de stukken papier, bij dat plakken en meten, op elkaar kwamen te liggen, ontstonden puur op gevoel. Die collages gingen dus over het rangschikken van vlakken en hoeken en Lon Pennock maakte ze om zijn gevoel voor precieze hoeken scherper te krijgen. In de sculpturen, zien we, is dat het wezenlijke werk: volumes, hoeken, verhoudingen. Hij oefende hoeken zoals een pianist oefent in vingerzetting om die beweeglijk te houden. Ik herinner me dat Gilberto Zorio steeds rondliep met een homp synthetische was die hij voortdurend in zijn vingers kneedde. Je vingers moeten niet stram worden maar vindingrijk blijven.

Van de twee hier is Stapeling van een paar jaar geleden. Het is een constructie van drie rechte vlakken ijzer die elk even groot zijn: 10 x 5 en 2 centimeter dik. Omdat de elementen in hun ritmische beweging gelijk zijn, is de stapeling letterlijk gelijkmatig. Het is daarom een wonderbaarlijk stil voorwerp. Het is zachtgrijs gelakt metaal dat dof glanst. Het voorwerp ligt opvallend roerloos op de tafel. Vanaf het onderste vlak liggen en leunen de twee volgende delen gelijkelijk, alsof ze rijmen, enigszins diagonaal over elkaar. De stapeling is tot rust gekomen en ligt nu stil, bijna te slapen. De andere sculptuur, wat ouder, heet Antipode. In die benaming zit tegengestelde beweging.

Piet Mondriaan, Ruitvormige compositie met twee lijnen, 1931. Olieverf op doek. 80 x 80 cm © Stedelijk Museum Amsterdam

Vergeleken met de sluimerende Stapeling van daarnet zie ik in Antipode een gestalte die ontwaakt en overeind komt. Het is een energetische figuur. De drie elementen zijn alle drie in alle opzichten ongelijk groot. Ten gevolge daarvan is hun visuele werking verschillend. Het onderste element bijvoorbeeld, dat vlak op de bodem ligt, is met 5 x 5 x 2 centimeter een stevig, compact vierkant. Naar verhouding is het dik als een sokkel. Het ligt excentrisch. Daarop ligt dan, op een hoekpunt, het volgende slanke vlak van 9 x 4 x 1,5 cm. Het hangt schuin op wat ik de sokkel of het anker noem. Pas weer aan de andere kant rust het vlak bij zijn uiterste hoekpunt op de bodem. Zo schuin en scheef ligt het daar alsof het van de sokkel leek te glijden. Vervolgens staat op dat schuine, tweede vlak het derde rechthoekige volume. Het staat hoog, op, en iets over de rand van het vlak dat het draagt. Het meet 7 x 5 x 2 centimeter. Omdat de ondergrond ervan zo schuin is, staat die hoge vorm ook scheef te balanceren – op de rand van omvallen.

Zo verbeeldt Antipode een strakke abrupte beweging van verschuivende volumes. De krachtige energie van de sculptuur wordt bijeengehouden door het gewicht van de onderdelen. Dat gewicht wordt opgestapeld vanaf de grond. Dat was Pennocks kunst. Sculptuur, dat zijn vormen op elkaar die overeind blijven. Het is een kunst van verschuivende gewichten. Dat is een groot verschil met schilderkunst. De schilder begint met de maat en proportie en begrenzing van het vlak. Mondriaan bijvoorbeeld met zijn ruit. De lijnen die hij daarin maakt zijn oogstrelend. Maar omdat de zwarte lijnen licht van kleur zijn, hangen ze ook te zweven. Sculptuur is gewicht van beneden naar boven.

PS Dit stuk is ter nagedachtenis aan een vriend. Pasgeleden is Lon Pennock, 74 jaar oud, na een kort ziekbed in zijn woonplaats Den Haag overleden