Gewiekste veroveraars

HUGH KENNEDY
DE GROTE ARABISCHE VEROVERINGEN: HET ONTSTAAN VAN HET ISLAMITISCHE RIJK VAN AFGHANISTAN TOT SPANJE (632-750)
Vertaald door Guus Houtzager, Bulaaq/EPO, 489 blz., € 34,50

De titel van dit boek zal sommige politici, columnisten en de vaste bezoekers van de islamofobe riolen van het internet ongetwijfeld de rillingen over de rug doen lopen.
Goed, het is al weer een tijdje terug, maar de omvang en vooral de fenomenale snelheid van de veroveringen van de pas tot de islam bekeerde bewoners van het Arabisch schiereiland doen huiveringwekkend aan.
Twintig jaar lang had Mohammed in Mekka met zijn nieuwe, strenge monotheïstische godsdienst geleurd, maar rond 622 had zijn populariteit een dieptepunt bereikt. Vandaar dat hij de uitnodiging aanvaardde om naar het door conflicten verscheurde Medina te verhuizen. Daar sloeg zijn boodschap aan en wist hij de eenheid te herstellen, waarna het nieuwe geloof onmiddellijk werd geëxporteerd.
Toen Mohammed tien jaar later overleed, hadden zijn volgelingen het grootste deel van het Arabisch schiereiland veroverd. In de eeuw erna maakten zij zich meester van grote delen van het Byzantijnse rijk, het Perzische rijk van de Sassaniden, Noord-Afrika, en het grootste deel van het Iberisch schiereiland.
De afstand van het meest westelijke deel van hun rijk tot aan de in het huidige Afghanistan en Pakistan gelegen oostgrens bedroeg ruim zevenduizend kilometer. Ter vergelijking: het Romeinse rijk strekte zich van west naar oost uit over minder dan vijfduizend kilometer. Bovendien hadden de Romeinen voor hun territoriale expansie veel meer tijd nodig gehad. Het Mongoolse rijk van Djenghis Khan was weliswaar nog sneller tot stand gekomen, maar verdween ook weer heel vlot en had geen blijvende invloed. De religieuze en culturele invloed van het islamitische rijk dat tussen 632 en 750 uit de grond werd gestampt is tot op de dag van vandaag merkbaar.
De Britse historicus Hugh Kennedy geeft niet alleen een kleurrijke en meeslepende beschrijving van deze veroveringen, hij tracht ook te achterhalen wat de oorzaken van dit succes zijn geweest. Een van de factoren, die uiteraard voor alle sterk expansieve rijken geldt, was de relatieve zwakte van de tegenstanders. Het West-Romeinse rijk was in de vijfde eeuw onder de voet gelopen door Germaanse horden, en hoewel de Oost-Romeinse keizer Justinianus daar een kleine eeuw later weer delen van had heroverd, was dit Byzantijnse rijk militair niet zo sterk, vooral niet nadat de grote pestepidemie van 542 zo’n 25 miljoen onderdanen had uitgeroeid. Bovendien werd zowel het Byzantijnse als het Sassanidische rijk (dat onder meer het huidige Irak en Iran besloeg) geplaagd door interne spanningen, die deels sociaal en deels religieus van aard waren. In veel streken was de loyaliteit aan het centrale gezag uiterst gering.
Vanzelfsprekend is deze zwakte van de tegenstanders geen voldoende verklaring voor het succes van de islamitische veroveraars. Om te beginnen had het nieuwe geloof bepaald aantrekkelijke kanten. Doordat het sterk verwant was aan het christelijke en het joodse geloof was de overstap niet zo heel groot. En omdat het een religie voor alle mensen was, en geen exclusief eigendom van een bepaalde etnische groep of sociale kaste, bood het een sociale mobiliteit die veel groter was dan in veel andere rijken.
Daarnaast was de islam weliswaar ontstaan in de stedelijke centra van het Arabisch schiereiland, maar waren het vooral de bedoeïenen die het geloof verspreidden. Door hun onafhankelijkheid en strijdlust waren het geboren veroveraars, die al eeuwenlang leefden van plundertochten en het afpersen van sedentaire bevolkingsgroepen. Omdat de islam leerde dat moslims geen andere moslims mochten aanvallen, moesten de bedoeïenen hun werkterrein steeds verleggen, hetgeen voor een ongekende dynamiek zorgde.
Een van de belangrijkste succesfactoren was echter dat de islamitische veroveraars de verslagen vijanden relatief lichte vredesvoorwaarden aanboden en dat bekering tot de islam niet verplicht was. Toen de sjah der Sassaniden was verslagen kreeg hij de ‘uitnodiging’ om de nieuwe godsdienst te ‘omarmen’. Het was echter een offer you can’t refuse. Wie de islam niet omarmde diende schatting (jizya) te betalen, waarna men door de veroveraars werd beschermd tegen derden. Wie niet bereid was dit protectiegeld te betalen, werd aangevallen. Er was dus ruimte om de ‘eigen identiteit’ te behouden, maar tegelijkertijd was het ook heel aantrekkelijk voor het financiële voordeel te kiezen, waardoor men bovendien deel ging uitmaken van een bijzonder succesvolle gemeenschap. Vandaar dat de veroverde gebieden binnen twee eeuwen vrijwel volledig geïslamiseerd en gearabiseerd waren.
Deze aanpak kan ook nu nog een nuttige les zijn. Wil je jouw godsdienst ingang doen vinden, dan moet je daarvoor aantrekkelijke randvoorwaarden scheppen. Dat geldt voor moslimextremisten, maar ook voor het heilige geloof der Verlichting, dat ten onzent wordt gepredikt door Geert Wilders, Paul Cliteur en Herman Philipse, die verkondigen dat je je eerst volledig moet aanpassen aan deze dominante religie, en dat je pas daarna deel uit mag maken van onze samenleving.
Mensen moeten het idee hebben dat ze erop vooruitgaan, dat ze niet alleen maar iets moeten inleveren.