Ik moest denken aan het recente boek van Kiza Magendane, Met Nederland in therapie, toen ik het laatste plan las van Ankie Broekers-Knol (vvd). De demissionair staatssecretaris stelt voor om de minister van Justitie permanent de bevoegdheid te geven het Nederlanderschap in te trekken van Nederlanders die zich hebben aangesloten bij terroristische organisaties in het buitenland. Tenminste, van Nederlanders van wie de minister dénkt dat zij dat hebben gedaan, afgaand op, in de regel niet openbare, ambtsberichten van veiligheidsdiensten. Het voorstel is dat bij deze intrekking van het Nederlanderschap, ook wel ‘denaturalisatie’ genoemd, geen tussenkomst van de rechter vereist is. De justitieminister had deze bevoegdheid al de afgelopen vijf jaar, maar de tijdelijke wet die dit mogelijk maakt loopt binnenkort af.

Vanaf deze week zullen Tamar de Waal, Sadet Karabulut (oud-Kamerlid voor de SP) en Bastiaan Rijpkema (bijzonder hoogleraar verdraagzaamheid aan de Universiteit Leiden) de rubriek In Den Haag verzorgen

Magendane laat zien dat in Nederland steeds meer sprake lijkt te zijn van twee typen burgerschap die Nederlanders kunnen hebben. Aan de ene kant zijn er de onvoorwaardelijke burgers, zonder migratieachtergrond – politici verwijzen vaak naar hen als ‘de gewone Nederlanders’. Aan de andere kant zijn er burgers met een migratieachtergrond – blijkbaar de ‘ongewone Nederlanders’ – over wie regelmatig wordt gesproken alsof zij voorwaardelijke burgers zijn. Als puntje bij paaltje komt, zien de ‘gewone Nederlanders’ hen niet als échte democratische mede-eigenaren van Nederland. Magendane, die een Congolese achtergrond heeft, schrijft dat hij, hoewel bezitter van een Nederlands paspoort, zich door deze tendens toch geregeld ‘een gast’ voelt in Nederland.

Deze tweedeling is uiteraard vooral symbolisch van aard: formeel bestaan er geen twee typen Nederlanderschap. Maar de suggestie is dat binnen politieke discussies – zoals over Zwarte Piet – burgers zonder migratieachtergrond het meeste spreekrecht hebben. In een treffende scène schrijft Magendane dat een jongen uit Barneveld tegen hem zegt: ‘Het is net zoiets als dat een gast in jouw huis komt en ineens besluit het schilderij van de muur te halen omdat hij het lelijk vindt. Dat kan toch niet?’

Ik zie de tweedeling die Magendane beschrijft ook terug in het voorstel van Broekers-Knol, hoewel zij veel verder gaat dan het benadrukken van een symbolische hiërarchie. Effectief kan de minister namelijk alleen het Nederlanderschap van burgers met dubbele paspoorten intrekken, omdat internationale verdragen bepalen dat denaturalisatie niet mag leiden tot staatloosheid. De maatregel pakt dus selectief uit en treft vooral burgers met een migratieachtergrond; zij hebben immers het vaakst meerdere nationaliteiten. Met andere woorden, bij het bestrijden van terrorisme is bij de onvoorwaardelijke burgers hun Nederlanderschap niet in het geding, bij de voorwaardelijke Nederlanders wel. Saillant daarbij is dat het voor bepaalde Nederlanders, zoals Marokkaanse Nederlanders, onmogelijk is hun tweede nationaliteit op te zeggen. Zij moeten accepteren dat er geen oplossing bestaat voor de mogelijkheid dat zij hun Nederlandse paspoort verliezen, zonder dat een rechter daarbij betrokken is.

Met dit in het achterhoofd valt het op hoe weinig principieel de politieke discussies over het voorstel van Broekers-Knol nu zijn. Bepaalde partijen, zoals d66 en pvda, stellen zich wel kritisch op maar benadrukken vooral dat de nieuwe wet een toezichthouder buitenspel zet. De terughoudendheid principieel van leer te trekken is begrijpelijk. Kritiek op dit voorstel kan al gauw geframed worden als mededogen voor uitreizigers naar Syrië of Irak die zich aansluiten bij IS of andere terroristische groeperingen. De kans dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en genocide is groot. Waarom politiek gezichtsverlies lijden voor de belangen van de hedendaagse equivalenten van Nederlanders die zich in de Tweede Wereldoorlog aansloten bij de Einsatzgruppen en Waffen-SS?

Toch vraagt dit voorstel om principieel debat. En wat écht op het spel staat zijn niet de uitreizigers en hun ‘belangen’, maar de kwaliteit van de Nederlandse rechtsorde en onze internationale verplichtingen. Allereerst: weinig is zo schadelijk voor de rechtsstaat en het vertrouwen daarin als dubbele standaarden betreffende gelijkwaardig burgerschap en gelijke rechtsbescherming. Daarnaast is denaturalisatie een zware maatregel, dus het zou vanzelfsprekend moeten zijn dat een rechter de oplegging ervan altijd toetst. Moet ik de meest basale beginselen van de rechtsstaat echt opnieuw uitschrijven voor het kabinet? Het voorstel ondermijnt het primaat van de rechter in het strafrecht; het is zelfs een algehele omzeiling van het strafrecht en het principe ‘onschuldig, tot het tegendeel bewezen is’.

Tot slot zadelt Nederland met dit voorstel anderen op met zijn oorlogsmisdadigers. Als met een toverstokje toveren we onze problemen met uitreizigers weg als niet-Nederlands. Een risico daarvan is dat bijvoorbeeld de Koerden blijvend met hen worden opgezadeld – en op basis waarván kunnen wij dat van hen vragen? Een ander mogelijk gevolg is dat er sprake zal zijn van straffeloosheid. Gezien het huidige krachtenveld in Syrië en Irak is de kans op een internationaal tribunaal of berechting (van welke kwaliteit dan ook) niet groot. Voor wie de balans over dit voorstel opmaakt moet het daarom snel duidelijk zijn, volgens mij. Nederland moet verantwoordelijkheid nemen voor zijn burgers en rechtsstatelijke beginselen niet laten varen.


Tamar de Waal is rechtsfilosoof en verbonden aan de Universiteit van Amsterdam