Gewone mensen

Hans Heijnen zocht zijn naar Amerika geëmigreerde oom en tante op. Die hebben het gemaakt, gezien huis en Cadillac met num- merbord met daarop de eigen naam. Een uitgekomen, of beter waar- gemaakte droom, want bejaard en ziek van hart wordt er nog altijd flink gewerkt in het tandtechnisch laboratorium dat illegaal in de garage is gevestigd. Hun zoon is volbloed-Amerikaan en onderscheidt zich van land- en generatiegenoten alleen doordat hij plat-Sittards verstaat. Niet spreekt.

Dat dialect zijn de ouders altijd tegen elkaar blijven gebruiken. Waardoor de bekende maar altijd weer verbluffende situatie ontstond dat in de VS nog een taal wordt gesproken die in Sittard nagenoeg is verdwenen. En dat is weer de reden waarom de incidentele bezoeken aan het land van herkomst teleurstellend zijn: niet alleen stad en mensen, zelfs de woorden zijn veranderd. Gelukkig woont een aantal Limburgse lotgenoten bij elkaar in de Amerikaanse buurt, tot vriendschap veroordeeld door heimwee naar iets dat niet meer bestaat. En Amerikaans gekleed, bebrild, besnord en gekapt kletsen, dansen en toepen ze dat het een lust heeft. Onweerstaanbare associaties oproepend met Updikes Rabbit Rest.
Zijn ze gelukkig? Eerder happy, zoals de joodse migrant zei. Want afgezien van aller menselijk tekort en de weemoed die oud worden begeleidt, krijg je het gevoel dat het hun land wel en niet is en dat ze in lichte mate ontworteld zijn. Peanuts vergeleken bij actuele vluchtelingenproblematiek, maar ook klein leed is leed. Ik vrees dat ik een talent voor melancholie bezit en vroeg me juist daarom af waarom ik Uncle Frank een redelijke maar geen uitzonderlijke documentaire vond. Misschien ook doordat de hoofdpersonen redelijke maar geen uitzonderlijke mensen zijn? Waarmee ik vloek in eigen kerk want prachtige documentaires zijn gemaakt over ‘gewone’ mensen.
Maar toch. Neem Heijnens werk. Lekker weertje ging over een Nepalese antropoloog die onderzoek deed naar leven van en zorg voor bejaarden in Schoonrewoerd. Een beetje cultuurrelativist kwijlt alleen al bij het gegeven. En inderdaad, je keek je ogen uit naar een Himalaya-wetenschapper tussen calvinistische dorpelingen; beseffend dat je heel wat dichter bij de vreemdeling dan bij de autochtonen stond. Van het tweedelige Geheim van Ossenisse blijven toch het meest de portretten van de 'zonderlingen’ bij. En De weerwolf van Itteren bleek maar deels over die Maasbedreigde dorpsgemeenschap en steeds meer over oude 'Sjoke’ te gaan. Wat me gemengde gevoelens opleverde: was dit niet een pretentieuzer opgezette aflevering van Felderhofs De stoel? Was Sjoke niet een 'paradijsvogel’? Maar m'n twijfel verloor het van Sjoke en Heijnen: steeds verbluffender de schets van ’s mans doen en laten, geschiedenis, karakter en opvattingen. Steeds verwarrender ook de fascinatie van maker en kijker door dat sluwe baasje om wie je moet lachen en die tegelijk niet veel minder dan het Kwaad lijkt te belichamen.
Oom Frans is geen Sjoke. Gelukkig maar.