Column

Gewone mensen

Drama is, ook in zijn zware varianten, amusement. Weinig kunstwerken veranderen een mensenleven, laat staan een samenleving.

DE MENSELIJKE SOORT leeft op verhalen. Bij vuur verteld of fabrieksmatig door televisie geproduceerd. Gingen ze lang over goden, helden en heiligen, ver boven de werkelijkheid tronend, later ook over Alleman die bij Homerus nog vooral lachwekkend was. Televisie is bij uitstek het medium van en over die ‘gewone man en vrouw’. In 1953 toonde de Amerikaanse televisie 'Marty’: dikke slager van 36 die twintig jaar lang vergeefs had geprobeerd een meisje te vinden dat hem wilde. Het hakte erin: ratrace naar voortplanting en liefde; onverschilligheid en willekeur van de natuur. De schrijver ervan, Paddy Chayefsky: 'Een liefdesverhaal dat letterlijk had kunnen gebeuren met het soort mensen dat ik ken’. Inmiddels is 'het soort mensen dat we kennen’ ook bij ons volop te zien in dramaseries (al zijn ze gemiddeld mooier en gevatter dan wij). Maar dat heeft lang geduurd. Eerst kwamen aan boek of toneel ontleende verhalen, handelend over vroeger of hoog boven ons of elders. De eerste Nederlandse Marty, althans in de kijkersbindende serievorm, was Job Stein: oude tuinder in De glazen stad (NCRV 1968-1969). Het groene Westland in verandering door oprukkend beton, maar meer nog door modernisering en secularisering. Naar een roman, maar dan een eigentijdse. Ondogmatisch christelijk en met begrip voor zowel verandering als de pijn die die meebrengt. Jan Blokker stelde dat televisie de maatschappij hooguit weerspiegelde. Mij lijkt dat er, zeker toen, op z'n minst van wisselwerking sprake was: door dit soort drama kwamen in hoofden en harten, later in gesprekken, tot dan onbespreekbare zaken aan de orde. De impact niet zo direct als de toespraak van Monseigneur Bekkers over geboortebeperking, maar toch…
In de jaren zeventig werd sociaal drama bij uitstek het terrein van de Vara (Waaldrecht, Klaverweide, Tussen wal en schip et cetera). 'Verhalen over mensen en dingen die de kijker het gevoel geven dat het ook met hem en zijn buurman te maken heeft’, was het adagium van dramaturg Herman Fortuin. Familie van Chayefsky, al zat er bij de Vara een meer maatschappelijke, zelfs politieke drijfveer achter. De opzet schematisch: in elke aflevering behandeling van een beroep en van een maatschappelijk probleem. Soms werkte het, soms niet, maar het betekende wel beginnende professionalisering van het beroep scenarist.
De Britten waren beter. Sterke dramatraditie; geen versnippering van kwaliteit door zuilensysteem; meer geld; en een hardere klassensamenleving die sociale gevoeligheid meebracht, juist bij een nieuwe groep Oxbridge-auteurs met arbeidersachtergrond. Dennis Potters mijnwerkersroots zitten in veel van zijn werk. Maar de kracht ervan lag niet in imitatie van de werkelijkheid of pamflettisme. Wel in kunstzinnige verbeelding en een persoonlijke stem. Zijn die er, dan kunnen engagement en maatschappijkritiek prachtdrama opleveren, zoals Potter en anderen bewezen. Alan Bleasdale schetste in Boys from the Blackstuff (1982) een grimmig beeld van een economisch vervallen en sociaal gedesintegreerd Liverpool. Leeglopende dokken, kerken en vakbonden; werkloosheid, verslaving en agressie. Hij deed dat middels onvergetelijke personages en een mix van sociaal-realisme, humor, pathos en absurdisme. Van dik hout, maar prachtig.
Ook landleven kwam overal in Europa tot de kijker, meest via verfilming van de streekroman (bij ons: Bartje, Merijntje). Maar er kwam ook origineel drama over agrarische gebieden. Hoogtepunt Edgar Reitz’ Heimat (ook 1982) dat naast een historisch verhaal over 'gewone mensen’ in de Hunsrück ook beeldpoëzie is. Wij kregen Tijd van leven (André van Duren, Albert ter Heerdt, KRO 1995) over de Achterhoek tussen 1945 en 1985. Niet zo geniaal maar toch mooi en 'waar’ in beschrijving van een in hoog tempo veranderende wereld.
Het genre is levend, maar, begrijpelijk, vooral teruggegaan naar de stad. Recent was er A'dam - E.V.A (NTR, Vara, VPRO), binnenkort komt Lijn 32 (KRO, NCRV). Verwant in hectiek (de stad zelf als een van de hoofdpersonages), mozaïekvorm en het grote aantal personages (gespeeld door goede acteurs). Maar ook in de ambitie dat het verhaal groter wordt dan de som van deelverhalen, dat het 'gaat vliegen’, dat 'ons leven’ en de tijdgeest weerspiegeld worden. In hoeverre dat laatste lukte in A'dam - E.V.A. hebt u kunnen vaststellen. Lijn 32 is in dat streven naar (af)spiegeling haast systematisch. De personages staan voor zichzelf maar als ooit bij de Vara, meer nog voor maatschappelijke groep en/of probleem: de gefrustreerde Marokkaanse scholier, de te ambitieuze en onbetrouwbare politiechef, de achterdochtige arme bejaarde, de populistische politicus. Daarin zie je soms de tekentafel. Het is somberder dan A'dam - E.VA., doortrokken van tragisch levensgevoel over menselijk tekort en over het tijdsgewricht. Tegelijk heeft het meer de ambitie de werkelijkheid te beïnvloeden of op z'n minst begrip te wekken. Voor het rotjoch wiens gedrag sterk wordt bepaald door dagelijkse discriminatie; voor zijn aartsvijand, de politicus, die, hoewel verre van sympathiek, tragisch is in een leven tussen beveiligers. Uitgerekend een zwarte vrouw staat voor het dilemma of ze hem in zijn benardheid wil helpen.
Maar kan dit soort drama de werkelijkheid nog wel beïnvloeden? Die tijden lijken voorbij door geatomiseerd kijkgedrag, door veelheid van aanbod, door inflatie van de invloed van televisie überhaupt. Weinig kunstwerken veranderen een mensenleven, laat staan een samenleving. Drama is, ook in zijn zware varianten, amusement. Wat telt is de kwaliteit daarvan. Daarover voeren we eeuwigdurend debat.