Gewoon aardig is ook goed

Pas toen ik bijna aan de beurt was bij de kassa van de bioscoop, drong het tot mij door; naar de matineevoorstelling van deze film over pornofilms gingen opvallend veel mannen van middelbare leeftijd met lange jassen aan. Ik ging mijn kaartje vast ophalen voor ‘s avonds, dus ik heb het verloop van de middagvoorstelling niet verder kunnen volgen. Maar het is niet waarschijnlijk dat de eenzame rukkers het gevoel hadden dat ze waar voor hun geld kregen. Boogie Nights is namelijk een film over het maken van pornofilms zonder zelf ook maar een moment porno te zijn. Niet dat de film preuts is, zelfs de dertig centimeter lange penis van pornoster Dirk Diggler komt uiteindelijk in volle glorie in beeld, maar de seks in de film is veel te grappig en ironisch om echt opwindend te kunnen zijn. Tijdens de enige avondvoorstelling - de film duurt nogal lang - waren de oude regenjassen in de minderheid; de zaal zat vol jonge mensen - ja, misschien wat meer mannen dan vrouwen - die de film duidelijk zeer humoristisch vonden.

Het is volgens mij ook onmogelijk om de film anders te zien dan als hoogstaande satire. De film geeft een beeld van een wereld en een tijd die zo anders is dan de huidige dat bijna alles lachwekkend is. De tijd is de jaren zeventig van het ‘alles-moet-kunnen’ en de plaats is het Hollywood van de tweede of derde garnituur. Hoewel dat misschien wat raar geformuleerd is bij een kijkje in de keuken van de pornofilmindustrie waar het draait om bloot, bloot en nog eens bloot: in wezen is Boogie Nights een kostuumfilm. Iedere onderbroek, ieder kapsel en ieder liedje op de soundtrack is nauwkeurig gereconstrueerd. De handeling van de film speelt zich gedurende een aantal opeenvolgende jaren af en het modebeeld van die tijd is bijna per seizoen in de film na te volgen. Zeker voor een Amerikaans publiek zal het feest der herkenning groot zijn. En als de kijker er op de middelbare school al niet zelf zo heeft bijgelopen, dan staan er wel plaatjes van de ouders in het fotoalbum met die onmogelijke kleren en die sullige post-Beatles-kapsels.
De jonge regisseur van de film, Paul Thomas Anderson, was in de jaren zeventig nog een kleuter en ik denk dat dit bijdraagt aan zijn komische en ook ontnuchterende visie op de jaren zeventig. In elke gril verstopt hij ook al de achteraf gezien onvermijdelijke afloop. Zo is de flirt met cocaïne in het milieu van de tweederangs filmsterren gedoemd om uit de hand te lopen.
De film van Anderson is vergeleken met meesterwerken van Robert Altman en Martin Scorsese, maar hoewel ik me kostelijk heb geamuseerd, is dat te veel eer. Ik zie de jonge Anderson meer op het niveau van een iets oudere generatiegenoot als Richard Linklater (die in Dazed and Confused bewees ook een recent verleden zo authentiek te kunnen reconstrueren dat het vanzelf lachwekkend wordt) of de Ang Lee van The Ice Storm. Zeker deze laatste film ontleent een belangrijk deel van zijn aantrekkelijkheid aan de nauwkeurige reconstructie van een verleden dat veel kijkers zich nog herinneren.
Ik zie Anderson dan ook niet uitgroeien tot een heel belangrijk regisseur, maar het is wel waarschijnlijk dat er van zijn hand nog meer onderhoudende films op de markt zulen komen. Er zijn journalisten die hem tot hype hebben verklaard van het formaat van die rond Tarantino, maar die zaten wellicht ernstig om kopij verlegen. Wat is ertegen om een film gewoon aardig te vinden? Niet alles hoeft toch de loop van de geschiedenis te veranderen?

  • Ik denk niet dat we met De Poolse bruid weer een Oscar winnen. Daarvoor heeft dit drama te veel karakter. In zeven theaters verspreid over het land te zien. En waarschijnlijk heel lang in Groningen. ± In een onbewaakt ogenblik schreef ik hier dat Lichaam & Stad een ruimtelijke collage is van oude thema’s & motieven van Johan van der Keuken. In no time stond de meester op mijn stoep met een schrijven waarin het nieuws in zijn concept werd benadrukt. Nog tot en met 9 april te zien in De Balie in Amsterdam.