Gewoon een uitstapje

J.J. VOSKUIL
BINNEN DE HUID
Van Oorschot, 427 blz., € 25,- (gebonden editie € 35,-)

Wat Moskou is voor de drie zusters in het gelijknamige toneelstuk van Tsjechov, is Parijs voor Maarten Koning en zijn vrienden. De plek waar je moet zijn wil je wat voorstellen in het leven. Sterker nog: als je er tegen alle verwachtingen in níet naartoe gaat, dan is het in feite met je gedaan.
Binnen de huid, door J.J. Voskuil geschreven eind jaren zestig vorige eeuw en onlangs postuum uitgegeven dankzij zijn weduwe, is doordrenkt van de tijdloze radicaliteit die bij twintigers hoort. Dat de roman toch een gedateerde indruk maakt, komt door de krankzinnige gedetailleerdheid waarmee de schrijver ieder gesprekje, ruzietje, wandeling met of zonder kinderwagen, treinreis met of zonder tussenstops, afwasje met of zonder steelse zoenen heeft vastgelegd, en aldus een felrealistisch inkijkje biedt in een Hollandse provinciaalse bovenwoning met blankhouten meubels waar de plantjes begieterd moeten worden en een kind gevoederd. Dat verschrikkelijk benauwde, waartegenover Parijs dus het visioen van Vrijheid, Licht en Liefde belichaamt, zal dan wel exemplarisch zijn voor de roemruchte jaren vijftig. Tegelijkertijd kan ik me niet heugen een preciezere en daarmee deprimerender analyse te hebben gelezen van de innerlijke strijd tussen de twee menselijke oerdriften, die van de behoudzucht en die van de verovering. Of het zou die van Patrick Marber moeten zijn in zijn toneelstuk Closer, verfilmd door Mike Nichols enkele jaren geleden.
Binnen de huid is een vergelijkbaar claustrofobisch zedendrama voor vier: ik-verteller Maarten Koning en zijn vrouw Nicolien, en het bevriende echtpaar Paul en Rosalie Dehoes. Voor de trouwe Voskuil-lezers bekende personages, en voor de kersverse intreders types die na luttele bladzijden van het papier af lijken te kunnen stappen. Maarten Koning, het alter ego van de schrijver, bevindt zich gezien zijn leeftijd en voltooide studie op het punt dat hij een maatschappelijke functie zou moeten gaan bekleden, maar hij weigert vooralsnog te capituleren voor zoiets lafs. Zijn vrouw Nicolien is zo mogelijk nog radicaler, maar altijd vanuit de gerieflijke vrouwelijke positie van het thuisfront dat niet veel anders hoeft dan manlief bij de les te houden door hem op te stoken. Paul Dehoes is de verrader, de man die ondanks eerdere afspraken is gezwicht voor het burgermansbestaan in de provincie, inclusief lerarenbaan en vaderschap. Maar Paul heeft dan ook de mooiste vrouw veroverd, Rosalie, zinnelijk en weelderig, en met een drankje op niet te stuiten. Een regelrechte hoer dus, in de ogen van Nicolien, maar, zoals dat nu eenmaal gaat, begeerd door Maarten.
De eerste tweehonderd bladzijden is het nog wel een beetje zwart-komisch, die parendans, door Voskuil als een mathematicus vastgelegd. Vooral omdat de verteller zo’n onweerstaanbare combinatie aan de dag legt van superieure intelligentie en belachelijke hoogmoed. Hij weet precies hoe het zit met het huwelijk (‘geen zekerheid, maar een bondgenootschap dat bij iedere verandering herzien moet worden’) en weet tegelijkertijd wat de prijs is van verbondenheid (‘me laten beschermen in ruil voor mijn vrijheid. Ik begon te vermoeden dat verraad de enige manier is om in leven te blijven…’). Naarmate het inpeperen van het falen van Paul door Maarten ernstiger proporties begint aan te nemen, met de bijbehorende uitroeptekens (‘Maar praat dan niet meer over consequentie en absolute trouw! Wees leraar! Maak een kind! Vreet je vol! Luister naar je platen! Schrijf een boek voor mijn part! Als je maar niet denkt dat je iets te zeggen hebt’) wordt het verhaal echter ook een beetje navrant. En treurig, als navrant dat niet al in zich heeft. Maarten begeert Rosalie hartstochtelijk, zozeer dat hij bereid is een eerdere minnaar op zijn bek te slaan, maar walgt van zijn eigen verlangens zogauw zij maar dát verkeerd zegt of doet.
De boekhoudkundige accuratesse waarmee zijn gevoelsleven is genoteerd, geeft een ontluisterend kijkje op de bestendigheid van zogeheten diepere zaken als emoties, gevoelens en gepassioneerde verlangens. Het ene moment weet hij zeker dat hij voor Rosalie huis en haard gaat verlaten (‘Het was fascinerend en het had iets beangstigends, alsof ik met het verlies van mijn remmen mijn huid verloor en door niets meer bijeen werd gehouden’), zelfs een baantje zal accepteren waar dan ook (‘Ik zou me liever schuldig voelen dan dat ik achteraf spijt had over een gemiste kans’), het andere moment beziet hij zijn Nicolien en is vervuld van liefde, dankbaarheid en angst.
De vraag uiteindelijk is wat Maarten nu bezielde. Was Rosalie een bevlieging – in de gekrenkte woorden van Paul: ‘gewoon een uitstapje’ – of was zij een grote liefde? Het is knap hoe Voskuil het antwoord op deze vraag in het midden houdt. Vooral knap omdat het zijn alter ego niet bepaald ontbreekt aan introspectie. Maar dan nog blijf je kennelijk als de eerste de beste debiel in het duister tasten. ‘Wat ze voor me geweest was, wist ik niet, en ik was in de verste verte niet in staat daar iets over te zeggen.’ Al dat boekstaven, licht in de duisternis brengt het niet. Maar wel een naargeestig soort waarachtigheid die je in niet veel romans aantreft, en die de lange aarzeling over publicatie – aanvankelijk van de schrijver zelf, en nu van zijn weduwe – voorstelbaar maakt.