Gewoon meneer

Ted van Lieshout is een gelauwerd dichter voor jongeren. Hij publiceerde zeven bundels, allemaal door hemzelf geïllustreerd. Hij schrijft heldere, zorgvuldige poëzie. Hij heeft de behoefte om met zijn lezers te communiceren over emotionele zaken en vertoont daarbij geen enkele neiging de kinderziel te sparen. Vanaf de eerste bundel speelt de te vroege dood van de vader en het broertje een rol. Van Lieshout schrijft over verlangen naar erotiek en nabijheid, over masturberen en een belager in een donker portiek: ‘Hij kreunde noodlot in mijn oor/ en veegde zuchtend met een zakdoek mijn heup/ zo goed als schoon.’ Wezenlijk is ook het ongeduld van de ik om te weten wie hij worden zal, om gezien te worden zoals hij is.

De gedichten uit Zeer kleine liefde wijken niet van deze thematische weg af. Meer dan in vorige bundels vormen ze een eenheid. Het onderwerp is pedofilie, gezien door jongensogen: ‘Nog steeds weet ik zijn voornaam niet,/ alleen de eerste letter. En zelfs toen hij/ geen vreemde was, bleef hij gewoon meneer.’ Vier gedichten verschenen eerder in Als ik geen naam had kwam ik in de Noordzee uit (1987). Hier zijn ze ingebed in een reeks die neigt naar oorzaak en gevolg, in een verstrijken van de tijd ook.
De ik hunkert om los te komen van de alom aanwezige schim van de gestorven vader en het immer toeziend moederoog. 'Zeg mam, er is een man buiten en ook binnen/ die geen snoepjes nodig heeft, maar me aandacht/ geeft en woorden zonder een spoor van straf.’ Er is verwarring, schaamte en liefde - 'Een groter man was nooit. In kinderogen kan niemand groter zijn dan wie van je houdt’ - en er is hartverscheurende solidariteit: 'Ik heb u niet verraden. Ik zorg voor u. Ik zorg al honderd/ duizend miljoen jaren langer voor u dan een kind kan duren.’
Hier is een kind aan het woord dat de pedofiele contacten min of meer koestert, waarmee de gedichten een plotselinge plek in de actuele discussie krijgen. Er belde dan ook onmiddellijk een tv-programma: of ik bezwaar heb tegen zulke poëzie voor kinderen van een jaar of twaalf. Daartegen geen bezwaar nee, maar wel tegen het geparafraseerd opnemen van brieven, waarin de 'meneer’ 25 jaar na dato probeert met zijn geweten in het reine te komen. Die schuldbewuste, uitleggerige epistels staan haaks op het verschijnsel poëzie, dat juist indikt en weglaat. Het clichéproza van de brievenschrijver stampt lomp door de verzen heen en tast hun autonomie aan. De algemene zeggingskracht verandert in een particuliere biecht, waar de lezer zich eerder voyeur dan deelgenoot bij voelt. Gedichten moeten niet toegelicht, maar hun eigen taal spreken, ongeacht de leeftijd van het publiek.