Wat doen we met onze architectonische schatten?

Geworstel met idealen uit het verleden

Het dilemma voor veel industrieel erfgoed: hoe een liaison te smeden tussen architectonische en cultuurhistorische betekenis en een passende functie? Dat geldt ook voor de voormalige weverij De Ploeg in Bergeijk.

IDEALEN, WAT is er nog van over in de architectuur? Idealen, zoals ze in de twintigste eeuw werden vertaald in woonwerkgemeenschappen, in bijzondere scholen, in de vorm van stedenbouwkundige experimenten of nederzettingen. Het zijn onderdelen van de geschiedenis geworden, met namen die nagalmen uit het verleden, het dorp Nagele in de Noordoostpolder, het sanatorium Zonnestraal in Hilversum, het Bio-vakantieoord bij Arnhem of de Van Nelle-fabriek in Rotterdam. Het is een willekeurige greep. Ze zijn soms via de collectebus gesticht, ze hebben geleefd met een specifiek doel, ze zijn verlaten toen dat doel was bereikt, en als ze geluk hebben zijn ze gered en verbouwd. De minder gelukkige zijn verdwenen of onherstelbaar veranderd.

Weverij De Ploeg in Bergeijk (ten zuiden van Eindhoven) was ook zo’n idealistische gemeenschap. In 1923 werd de Cooperatieve ­Productie- en Verbruikersvereeniging De Ploeg opgericht, geïnspireerd door het gedachtegoed van Frederik van Eeden die eerder in Bussum het landgoed Walden had gesticht: ook al zo’n idea­listisch initiatief. Aanvankelijk was De Ploeg bedoeld als landbouwcorporatie – daar komt de naam van. Een van de oprichters had een stuk grond bij Best bij Eindhoven geërfd dat werd omgevormd tot landbouwcommune. Maar de aandacht verschoof naar Bergeijk, waar in 1921 een vegetarisch herstellingsoord was gesticht dat in 1923 veranderde in een weverij. Een logische plek, omdat het niet ver gelegen was van Tilburg, toen textielhoofdstad van Zuid-Nederland, met zijn weverijen, ververijen en spinnerijen. Het armoedige Brabantse platteland leverde gewillig personeel aan deze bloeiende industrie.

Weverij De Ploeg was een modern initiatief dat vrijwel gelijktijdig opereerde met de internationaal vermaarde weverij van Bauhaus in het Duitse Dessau. Kunstzinnige doeken, contacten met beeldend kunstenaars die patronen wilden uitproberen, dat was de geest van de jaren twintig. De Ploeg begon voorzichtig met hand- en theedoeken in het bekende ruitdessin, maar zou zich later steeds meer gaan toeleggen op moderne interieurstoffen. Met name na de Tweede Wereldoorlog werden de gordijn- en meubelstoffen een begrip, een staaltje kunstnijverheid, dat werd gepropageerd door de Stichting Goed Wonen. Die liet niet na er een moreel oordeel aan te hechten. Zo hoort het en zo hoort het niet, was een motto bij een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in de jaren vijftig. Duidelijk was dat De Ploeg paste onder ‘hoe het wel hoorde’. Maar in 2007 was het op een onbewaakt moment voorbij, toen het bedrijf na een periode van neergang de productie verplaatste naar de firma Gems & Gahler in Duitsland. Andere werknemers die de stap niet wensten, konden terecht bij een rolgordijnenfabriek in het nabijgelegen Aarle-Rixtel. Einde van een experiment, einde van een voorloper van Dutch Design.

In 1956 kreeg Gerrit Rietveld de opdracht een nieuwe weverij te ontwerpen op een idyllisch gelegen perceel, tussen de dorpskom en de bosrand in. Als je nu de Riethovensedijk op rijdt, niet zozeer een dijk als wel een verhard bospad, is de ligging van De Ploeg nog steeds onbedorven, als een industriële oase in een parkachtig landschap. Hier vormen de schaalvormige zaagtanddaken en de verspringende coulissengevel het commentaar van Rietveld op lommer rondom. Het was een kolfje naar Rietvelds hand: hij had in de naoorlogse jaren onder meer vakantiehuisjes in de duinen en een villa in de Purmer ontworpen. Zijn architectuur gedijde bij de verstrengeling met de natuur, mooier dan die in de bossen van Bergeijk kon die niet zijn. Voor de research bezocht hij in Zwitserland en Italië spinnerijen, weverijen en openbare gebouwen. Hij kwam terug met een vracht aan nieuwe technieken en materialen. Voor De Ploeg introduceerde hij thermopane glas in de vensters, toen een gloednieuw middel om het zonlicht te temperen. De vloer liet hij bedekken met Plasnalo, een strijkplastic-materiaal dat hij eerder had toegepast in de Jaarbeurshal in Utrecht. De naadloze vloer was de remedie voor onderhoud en hygiëne. Maar het spectaculairst zijn nog steeds de eindeloos lijkende schaaldaken in een gewelfde vorm die je een gevoel van nederigheid bezorgen. Omdat ze zo’n dunne huid hebben, kunnen ze het met zo min mogelijk kolommen stellen. En dan zijn er nog de gigantische vensters die het landschap omarmen. Bij De Ploeg vind je het vernuft en het ruimtelijk inzicht van Bauhaus terug, maar dan ruim dertig jaar later.

De idealen uit de eerste helft van de twintigste eeuw hadden vertakkingen met het communisme, het anarchisme en spirituele bewegingen als de theosofie. Daar hoorde de verheffing van de arbeider bij, die in gezonde ­omstandigheden moest werken, liefst in nabijheid van de natuur en met veel afleiding in de vorm van sport en cultuur. De Ploeg is een Gesamtkunstwerk: Rietveld werkte samen met de toen vermaarde tuinarchitect Mien Ruys. Het woord landschapsarchitect bestond nog niet. Ruys had in haar tuinen, waarvan modellen stonden in haar thuisbasis Dedemsvaart, een modernistisch principe geïntroduceerd, kamers afgezet met heggen, de perken omlijnd door spoorbiels, vijvers en waterplanten als rustgevend element. Ruys gebruikte geometrie in haar ontwerp, rechthoeken, vierkanten en, zoals het hoort bij het tuinontwerp, krachtige overgangen tussen intimiteit en perspectief. ‘Bielzen Mien’ werd haar bijnaam na de Floriade van 1972, tegenwoordig het Amstelpark in Amsterdam. Haar tuin rondom De Ploeg was een verlengstuk van het ontwerp van Rietveld – en is dat nog steeds. Je ziet voor je hoe de arbeiders hier hun boterham aten tussen de hagen, de beelden en de vijvers.

BEGRIJPELIJK DAT het voorstel van de nieuwe eigenaar van het complex, de corporatie Wooninc uit Eindhoven, na het vertrek van de weverij commotie opriep. De appartementen en urban villas rond de fabriek zouden het ensemble ontregelen, het landschap vernietigen. Intussen wisten Wooninc en de burgemeester van ­Bergeijk zich geen raad met dit monument – want een monument, dat is De Ploeg sinds 2008, vijftig jaar na de stichting. De burgemeester bagatelliseerde het belang en zag eerder commerciële mogelijkheden. Een villapark is immers beter te verkopen dan een lege fabriek.

Dat het met industrieel erfgoed ook goed kan aflopen in Nederland bewijzen de eerder genoemde Van Nelle-fabriek in Rotterdam, maar ook de Stichting De Pont in een voormalige textielfabriek in Tilburg en de ­Dru-gieterijen in Ulft. De laatste zijn veranderd in een cultureel centrum, met theaterzaal, bibliotheek en kantoren van een woningbouwvereniging. Alle hebben het voordeel dat ze ‘in de bewoonde wereld’ liggen. In Bergeijk telt vooral de landelijke setting. De hallen staan leeg en lekken, de ruimtes zijn overweldigend. De ramen van vroegere ververijen en het laboratorium voor monsters gaan direct over in de natuur. In het lelijkste onderdeel van het complex, nota bene de directievertrekken (een toevoeging uit de jaren zeventig), krult het heugafelt-tapijt vanwege lekkages. Desondanks vindt in het hele complex jaarlijks het Ploeg-festival plaats, een ontmoeting van designers, architecten en kunstenaars. Op 7 mei is de tentoonstelling opengegaan van studenten aan de TU Delft die hun visie hebben gegeven op een nieuwe bestemming van de Ploeg-fabrieken. Hun ingrepen zijn niet altijd hoopgevend: velen laten niets van het karakter, the unique selling point van de oude weverij met zijn gewelfde zaagtanddaken over. Ze vormen daarmee het bewijs hoe moeilijk het is een gebouw met een specifieke functie en architectuur te respecteren.

De onmacht tekent wellicht ook de moeizame verstandhouding in Nederland met ons industrieel erfgoed. Havens ja, handelskantoren (zie het Scheepvaarthuis in Amsterdam of hotel New York in Rotterdam) belichamen de natie zoals die zich het liefst vertoonde in het begin van de twintigste eeuw als een venster naar de wereld, voorpost naar de koloniën en belichaming van de economische drive. De textiel, het staal, de auto, de gloeilamp, de kolenmijn, ze gaven de provincie een tijdelijke welvaart met tegenwoordig de gebouwen als vondelingen. Eindhoven worstelt met een nieuwe bestemming voor zijn voormalige Philips-gebouwen in het stadsdeel Strijp, het nietige Bergeijk zoekt een uitweg voor weverij De Ploeg. Maar zoals Strijp kan profiteren van de creatieve industrie (onder meer de Design Academy) in Eind­hoven, zo ligt Bergeijk twintig kilometer te ver voor zo’n soort kruisbestuiving. De Ploeg, zegt Peter Stutvoet, directeur van het Monumentenfonds Noord-Brabant dat industrieel en kerkelijk erfgoed verwerft en een nieuwe impuls geeft, is in feite een internationale bestemming. Het is geen lokale voorziening. Bezoekers die afkomen op de naam en faam van Rietveld zullen het geen probleem vinden op Eindhoven Airport te landen en door te rijden naar De Ploeg, maar in de regio is dat een bijna onoverbrugbare afstand. De Ploeg is een tafellaken-en-servet-geval, om in textieltermen te blijven.

Stutvoet en zijn fonds hebben eind 2011 een algemeen advies afgegeven aan het college van b. & w. van Bergeijk met de strekking dat de fabriekshallen alleen te handhaven zijn met een commerciële ondersteuning. Een rijksmonu­ment is niet heilig, zoals iedereen denkt, zegt Stutvoet. Als het kan voortbestaan dankzij een sluitende exploitatie en een passende functie is er een wereld gewonnen. Appartementen in de tuin van Ruys komen in zijn advies niet voor, maar er valt uit te destilleren dat het wel een optie is. Ook in het masterplan van Wooninc wordt die mogelijkheid niet uitgesloten.

Het is het duivelse dilemma waar De Ploeg en ander industrieel erfgoed mee worstelen: hoe een liaison te smeden tussen architectonische en de cultuurhistorische betekenis en een passende functie. De gemeente Bergeijk overwoog het plaatselijk theater De Kattendans te verplaatsen naar de fabriek omdat dat toch toe was aan een verbouwing. Het zou slechts een deel van de oplossing zijn. Architect Pi de Bruyn formuleerde enkele jaren geleden enkele concepten, die zich zoals gebruikelijk ophielden in de sfeer van zorg en welzijn, en creatieve industrie. Dat was nog voor de kredietcrisis. Een later voorstel kwam neer op een smaakfabriek geïnspireerd op de slowfood-beweging uit Italië, maar het dichtst bij het ideaal van De Ploeg kwam een plan om ecologische stoffen te produceren. Hoort daar hennep bij? Dan zou De Ploeg onverwacht kunnen uitgroeien tot een interessant vertoon van de wonderlijke werking van die plant. De bezoekers dienen dan wel in het bezit te zijn van een wietpas, en gevreesd moet worden voor de tuin van Ruys.


Tot 27 mei is de expositie Interventie De Ploeg Bergeijk te zien in de fabriek in Bergeijk. Voor rondleidingen zie www.rietveldenruys.nl

De foto bij dit artikel is uit: Gerrit Rietveld en Mien Ruys ‘In Bergeijk’. Tekst: Edwin van Onna. Fotografie: Norbert van Onna