Volkspartij voor Vrijheid en Democratie

Gezakt bij jenevertest

VVD

Niet de politiek maar een paar boeken brachten mij op het pad van het liberalisme. Concreet ging het om Fable of the Bees van de naar Engeland geëmigreerde Nederlander Bernard Mandeville (1670-1733) en The Road to Serfdom van Friedrich Hayek (1899-1992). Wat mij aansprak, was de bijna anarchistische gedachte dat iedereen het recht moet worden gegund zijn eigen levensplan te trekken, wat voor doms hij in zijn vrijheid ook onderneemt. Dat is uiteindelijk beter voor iedereen, zoals de ondertitel van Fable of the Bees illustreert: ‘Private Vices, Public Benefits’.

Deze vers verworven vrijheidsliefde bracht me, via een artikel dat ik schreef over Hayek, bij de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de vvd. Na een gesprek met Gerry van der List, tegenwoordig redacteur van Elsevier, belandde ik met een dozijn andere twintigers op een zomerschool op de Veluwe. Op deze verkapte kadertraining, die nog altijd elke zomer plaatsvindt, luisterden we naar gastsprekers van divers pluimage. Rechts, links, conservatief, communitair, libertair: iedereen trakteerden we op onze liberale oplossingen voor een betere wereld. Minder overheidsbemoeienis en meer respect voor de gave van iedere burger om na te denken. ‘Voor zichzelf kunnen denken’, noemden we dat. Voor mij betekende dat in de eerste plaats het afschaffen van concurrentievervalsende bedrijfssubsidies en betuttelende overheidscampagnes als ‘Wie is die man die zondag het vlees komt snijden?’

Overdag vond ik het er heerlijk. Wat bij Den Haag Vandaag nog klonk als armzalig gezeur over belastingen, loonmatiging en rekeningrijden, poetsten wij in de lommerrijke omgeving rond Leusden op tot welluidende idealen. Samen met mijn medecursisten in 1993 – onder wie het huidige vvd-kamerlid Arno Visser en wethouder Frits Huffnagel – waande ik me een dappere ridder van het zelfbeschikkingsrecht. Maar ’s avonds werd alles anders. Met een glas in de hand bleek dat er in al die vrijheid vrij eenvormig over de wereld werd gedacht. Het is wellicht geen toeval dat bij vvd-congressen zo vaak dezelfde auto’s op de parkeerplaats staan. Erger vond ik dat het liberalisme bij deze ‘jonge en talentvolle’ vvd’ers na een glas nogal wat overheidsdwang impliceerde. Eén sprak na twee jenever over ‘een hek om Europa’, een ander over het ‘rekoloniseren van Afrika’. De vrijheidsidealen van de cursisten doorstonden nooit de jenevertest. In de laatste dagen had ik ’s avonds alleen nog zin om over de voetbalcompetitie te praten. De jonge kaderleden pasten prachtig bij de vvd, die amper meer doet dan iedere vier jaar een roedel beleidsdoelstellingen bundelen die op dat moment populair zijn onder de beter verdienende Nederlander.

Sinds die zomer was ik nooit meer verbaasd over de antiliberale plannen van deze partij. Niet toen ik, als lokale radioverslaggever, meemaakte hoe de vvd het voortouw nam bij het subsidiëren van een tennisclub en een orgelman. De laatste verdween ‘uit het straatbeeld’ omdat de vrije markt goed werkte en hij voor zijn gejengel op eigen kracht te weinig kwartjes ophaalde. Ook keek ik niet op toen de caféketen Coffee Company zich in mijn Amsterdamse buurt vestigde, met door de vvd vrijgemaakt gemeenschapsgeld om de buurt op te poetsen. Onlangs verkondigde Mark Rutte zelfs dat hij nu alle peuters een verplichte taaltest wil laten ondergaan. Zij die daarop slecht scoren moeten – voor hun derde levensjaar – van overheidswege verplicht naar voorschoolse opvang. Afgelopen maand heeft de ‘liberaal’ Jorritsma ook nog eens het voorstel gelanceerd om op kosten van de gemeenschap prostituees met onze troepen mee te sturen.

Vrijheid en eigen verantwoordelijkheid betekenen niets meer. De vvd verklaarde zelfs dat rijksmusea om ‘principiële’ redenen gratis moeten zijn, een wel heel originele pervertering van de liberale principes van Locke: ‘Only that is legally yours, what you have taken from nature.’

Een liberale partij in Nederland – het had zo mooi kunnen zijn.